Korte samenvatting
Otbert, bisschop van Luik, draagt door de hand van Willem, voogd, en met instemming van Steppo, proost van het Onze-Lieve-Vrouwekapittel te Maastricht, en de broeders aldaar twee molens op de Jeker te Maastricht over aan de Onze-Lieve-Vrouwekerk te Maastricht.
Latijnse tekst van de oorkonde
In nomine Domini Dei nostria.
Qui a sęculo et usque in seculum est et a generatione in generationem permanet, ego Obertvs, Leodiensium episcopus, pręsentibus et futuris sedis huius cunctis fidelibus.
Quia nos omnes, filii hominum, temporaliter immo breviter vivimus, mane quippe sicut herba transimus, mane floremus et transimus, vespere decidimus, induremus et arescimus, iccirco dicta vel facta nostra quę utiliter gesta sunt, scripto annotare et ęterni ac permanentis Dei auctoritate firmare debemus ut ęquitas permaneat et veritas posteris in perpetuum conservetur.
Notum ergo vobis sit quia ego pro utilitate ęcclesię ut retinerem vires atque vectes huius terrę, Bulonium dico castrum et alia nonnulla ex quo nobilissimus dux Godefridus et alii principes Iherosolimam profecti sunt, extunc et propter illud multis curis et magnis debitis obstrictus sicut nonnulla alia dedi, prestiti vel commutavi, ita et duo molendina Sanctę Marię Traiectensi, sita in eodem vico super fluvium Iechoram, contradidi legitima traditione per manum Wilelmi, advocati, annuente Steppone, pręposito, et cunctis fratribus eiusdem loci ut pro his L marchas argenti quas de accepto in vadimonium quodam prediolo apud Houlten, ante Falcombere, prestiterant Engeranno de Horpala vel genero eius, Bosoni de Barz, dimitterent Gozuino de Hinneberge. Convenerat enim inter illum et predictum Bosonem ut si ipse, videlicet Gozuinus, redimeret vadimonium, illud in proprietatem possideret. Ego autem pro communi utilitate eidem Gozuino debitor eram et iccirco ut L marchę dimitterentur, predicta molendina Sancte Marię contradidi.
Quod ut nulla a posteris nostris vi seu violentia convellatur aut infringatur, pręsentis sigilli nostri attestatione corroboravi et anathematis interpositione firmavib utb sitb anathema maranata qui illud infringere temptaverit.
Actum Leodii, anno ab incarnatione Domini Mc XCmoc sextoc, indictione IIIIa, regnante Heinrico, imperatore quarto, anno imperii eius XL° primo, episcopatus autem mei V°.
Testes qui interfuerunt hi sunt: fratres Steppo, decanus, Gozelo, Froricus, Adelo, Tegano, Andreas, Reinerus, Hillinus, Bernardvs, Winricus, Tegenradus, Reinerus; liberi homines: Wilelmus, advocatus, Gozuinus, Gerardus, Gozemarus, Arnosus, Gislebertus, Wlbertus, Sigerus, Tiebaldus; cives: Imezo, Fulquinus, Barun, Heinricus, Azo, Theodericus, Walterus, Adelgodus, Alesteinus, Cuno, Heinricvs, Franco, Arnufusd, Winricus, Bernolfus, Lifridus, Tammo, Bruno, Bertolfus, Vdescalcus.
a invocatio geoblongeerd A.
b de oorkondetekst lijkt gedeeltelijk of geheel door het aanbrengen van het zegel te zijn verdwenen, maar is wel zichtbaar wanneer het ingehangen zegel wordt opgetild A.
c door andere, gelijktijdige hand op rasuur A.
d aldus A, lees Arnulfus.
Nederlandse vertaling
Otbert, bisschop van Luik, maakt bekend dat hij voor het nut van de kerk de krachten en de inkomsten van het land wil behouden, namelijk de burcht van Bouillon en sommige andere, waaruit hertog Godfried en andere vorsten naar Jeruzalem zijn vertrokken. Vanaf toen en daarom heeft hij, verwikkeld in vele zorgen en grote schulden, zoals hij sommige andere dingen heeft gegeven, geleend en geruild, zo ook door de hand van Willem, voogd, met toestemming van Steppo, proost, en alle broeders van het Onze-Lieve-Vrouwe(kapittel) te Maastricht twee molens wettig overgedragen aan het kapittel, die gelegen zijn in dezelfde wijk aan de rivier de Jeker. Zij moeten hiervoor de vijftig zilvermark die zij tegen onderpand van een zeker landgoedje bij Houthem, voor Valkenburg, hadden opgenomen van Engeran van Horpmaal en diens schoonzoon Boso van Barse, afstaan aan Gozewijn van Heinsberg. Overeengekomen was immers tussen Gozewijn en Boso, dat als Gozewijn het onderpand afloste, hij het in eigendom zou bezitten. Otbert nu was voor het algemene nut schuldenaar van Gozewijn en daarom, opdat die vijftig mark zouden worden afgestaan, heeft hij de genoemde molens aan het kapittel overgedragen.
Otbert heeft deze oorkonde bekrachtigd met zijn zegel en de banvloek.
Gedaan te Luik, in 1096, ten tijde van de regering van keizer Hendrik IV en het episcopaat van Otbert.
Als getuigen waren aanwezig: broeders: Steppo, deken, Gozelo, Frorik, Adelo, Tegano, Andreas, Reinier, Hillinus, Bernard, Winrik, Tegenraad, Reinier; vrije mannen: Willem, voogd, Gozewijn, Gerard, Gosmar, Arnosus, Gijsbert, Wilbert, Zeger, Tibald; burgers: Imezo, Folkwin, Barun, Hendrik, Azo, Dirk, Wolter, Adelgod, Alestein, Cono, Hendrik, Frank, Arnulf, Winrik, Bernolf, Litfried, Tammo, Bruno, Bertolf en Udeschalk.
Nadere toelichting
Lees meerOtbert, bisschop van Luik, draagt door de hand van Willem, voogd, en met instemming van Steppo, proost van het Onze-Lieve-Vrouwekapittel te Maastricht, en de broeders aldaar twee molens op de Jeker te Maastricht over aan de Onze-Lieve-Vrouwekerk te Maastricht.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B001, archief Kapittel van Onze Lieve Vrouw te Maastricht, 1096-1796, inv. nr. 640. Gelinieerd.
Aantekeningen op de achterzijde: 1o door 15e-eeuwse hand: Littera cuiusdam donacionis duorum molendinorum super Iecoram etc. per episcopum (hierna aangevuld door 18e-eeuwse hand) Leodiensem Obertum de anno 1096. – 2o door 18e-eeuwse hand: Anno 1096.
Bezegeling: één ingehangen zegel, dat aangekondigd is, namelijk: S1 van Otbert, bisschop van Luik, van witte was, beschadigd. Voor een beschrijving en afbeelding van S1, zie Venner, ‘Zegels’, 367, nr. 6.
Afschriften
B. 17e eeuw, Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B001, archief Kapittel van Onze Lieve Vrouw te Maastricht, 1096-1796, inv. nr. 55, los afschrift, gecollationeerd, naar A. – C. vóór 1767, Ibidem, idem, inv. nr. 640, los afschrift, gecollationeerd, naar A. – D. 1767, Ibidem, idem, inv. nr. 32 (cartularium) = Registrum documentorum insignis ecclesia collegiata Beatae Mariae Virginis Traiecti ad Mosam, continens bullas pontificias, diplomata, fundationes, acquisitiones, transactiones et sententias praefatam ecclesiam concernentia. Tomus I ab anno 1096 usque 1599, collectum anno 1767, pag. 1-2, onder de rubriek: Anno 1096, cessio per Obertum, episcopum Leodiensem, ecclesiae Beatae Mariae Virginis facta duorum molendinorum super Iecoram pro extinctione L marcarum argenti, Stipale dominorum, folio 492, door Nicolaas Vincent, kanunnik van het Onze-Lieve-Vrouwekapittel te Maastricht, gewaarmerkt door C. Frederix, openbaar notaris, naar C.
Uitgaven
a. Schaepkens, ‘Anciens diplȏmes’, 381-382, naar A. – b. Gysseling en Koch, Diplomata Belgica I, 393-394, nr. 236 (gedateerd 1096 augustus-december), naar A. – c. Martens, ‘Recueil’, 306-307, nr. 18 (gedateerd 1096 augustus-december), naar b. – d. DiBe ID 2594 (gedateerd 1096 augustus-december), naar b.
Regesten
Zie DiBe ID 2594.
Datering
Uit onderhavige oorkonde blijkt dat Godfried van Bouillon, hertog van Neder-Lotharingen, reeds vertrokken is op kruistocht. Blijkens Gysseling en Koch was dit midden augustus 1096. Bijgevolg is de terminus a quo van deze oorkonde augustus 1096. De terminus ante quem wordt nader bepaald door het einde van de opgegeven vierde indictie, die loopt tot 23 september 1096.
Ontstaan
Volgens Niermeyer, Onderzoekingen, 188-189, is het schrift van onderhavige oorkonde verwant aan de door hem als hand Aa geclassificeerde scriptor die twee oorkonden schreef van Steven, provisor van de Sint-Jacobsabdij te Luik, alsmede aan de hand van een scriptor die verbonden was aan het hof van de bisschop van Luik. Leclercq, L’élaboration des chartes médiévales, 82, neemt onderhavige oorkonde op als een schrijfproduct van de Luikse bisschoppelijke kanselarij. Hoewel deze oorkonde is gedecoreerd met de typische lussenstructuur, ontbreekt dit specimen bij Schubert, Eine Lütticher Schriftprovinz. Stiennon, L'écriture diplomatique, 62, noemt de bisschoppelijke oorkonde voor het Onze-Lieve-Vrouwekapittel ‘l’exemple le plus frappant de treillis liégois et les régions voisines’. Niettegenstaande het feit dat Niermeyer in de eerste helft van de twaalfde eeuw een viertal scribenten heeft opgespoord die volgens hem zeker in betrekking staan tot het bisschoppelijk hof van Luik, stelt Kupper, ‘La «chancellerie»’, 123-126, dat de Luikse bisschoppelijke kanselarij in de tiende, elfde en twaalfde eeuw ‘une institution introuvable’ is. Stelling innemen bij deze uiteenlopende visies vergt nader paleografisch-diplomatisch onderzoek van de Luikse bisschoppelijke oorkonden en valt buiten het bestek van dit onderzoek.
partners
donateurs












