Korte samenvatting
Hendrik II (van Leez), bisschop van Luik, bepaalt met instemming van Alexander, aartsdiaken (van Luik) en proost (van de domkerk te Luik), en Jan, deken, en het concilie van Visé dat de Onze-Lieve-Vrouwekerk te Maastricht voortaan slechts één pastoor mag benoemen in de kerk van Rosmeer en dat men slechts recht heeft op één in plaats van twee prebenden.
Latijnse tekst van de oorkonde
In nomine sanctę et individuę Trinitatisa.
Ego Heinricus secundus, Dei gratia Leodiensium episcopus, spem habens super his qui ęcclesias ipsis commissas ex propriis ditavere vel ex accidentibus prudenter ordinavere quod cum Christo regnent et pro modicis et transitoriis ęterna recipiant, quedam circa ęcclesiam Beatę Dei Genitricis in Traiecto prius et nostris acta diebus futuris et presentibus, hoc scripto in memoriam diu victuram venire decrevi.
Franco, prepositus ęcclesię pretaxatę Dei matris et maioris nostrę scolasticus, contra abbatem Sancti Iacobi in Leodio, in concambium dato allodio quod apud Gladonam habuerat ęcclesia, dimidiam comparavit ęcclesiam Rosmere cum IIIIor mansis qui XXXta et duos solvunt solidos, hoc interposito ut fratres prefatos ad prebendam haberent solidos et quidam Litfridus, clericus, nepos eius, quamdiu viveret illius dimidię fructus haberet ęcclesię; post cuius obitum omnis ad fratres veniret utilitas. Succedente autem Franconi Steppone preposito, dum Litfridus quorundam instinctu predicta moliretur infringere, Steppo Litfridum multo sudore, multis expensis ab ipsa eiecit ęcclesia et memoratum fratribus renovavit pactum. Obtinuit etiam ut Elias, clericus, nepos eius, salvo fratrum iure, quod tenuerat Litfridus teneret. Meis tandem diebus quia Steppone defuncto prepositus successi, Elias nutu divino monitus me presente prompta mente et alacri devotione quod tenuerat fratribus dimisit sicque libera possessione post diutinam expectationem ius suum ęcclesia recepit. Verum antequam hęc a Francone vel Steppone ordinarentur, antiquum in ęcclesia illa ius fratres et in secunda habebant persona; nam due ibidem erant, quarum altera per manum abbatis Sancti Iacobi investita curam tenebat animarum, altera a quibus debuit similiter investita dominis in vice sua illi serviebat ęcclesię. Divina autem cooperante gratia laicorum quidam confratres de Gelleka, Lambertus, Geuehardus, Winricus, Marsilius in secunda ius habentes prebenda, orationibus se fratrum commendantes, IIos modios et dimidium annonę Traiectensis mensurę et quicquid iuris a secunda illa percipiebant persona ęcclesię Dei matris tradiderunt, quatinus eorum ibi fieret memoria. His igitur ita se habentibus, Herimannus qui secundam prelibato more tenuit prebendam, accepta cruce Dominum sequi affectans, sicut debuit et quibus debuit ad usus fratrum investituram reddidit. Visa itaque oportunitate cum fere totam fratres et utramque fere tenerent partem, salvo ęcclesię Sancti Seruatii iure necnon et beati Dionisii, utile mihi visum fuit ex habundantia decimarum quas duę tenebant persone fratrum occurrere inopię atque adhibito mihi venerabili archidiacono Alexandro eiusque dekano Iohanne perscrutata etiam ipsius quantitate parrochię cum veraciter didicissem propter paucos incolas unam sufficere personam, consilio et assensu ipsius archidiaconi et dekani totiusque Uigesetensis concilii pro duabus unam cum sufficiente ordinavi prebenda, quę et parrochię curam gereret et iura episcopalia persolveret omne vero incrementum fratrum accederet utilitati.
Unde quia dies antiqui et tempus prolixum perplura pietatis studio compacta obfuscant, atterunt statui huic cedulę retinenda committere et sigilli mei inpressione roborare. Testes vero hii sunt: Alexander, prepositus, Dodo, Amalricus, archidiaconi; fratres ęcclesię: Godefridus, dekanus, Steppo, scolasticus, Erpo, cantor, Iohannes, Stephanus; fratres concilii: Iohannes, dekanus, Rotbertus, Goscewinus, Eilolfus, Lambertus; laici cives: Heinricus, Lodewicus, Manegoldus.
Acta sunt hęc anno incarnationis dominice Mo Co XLVIIIIo, indictione XIa, regnante Cunrado IIob, anno presulatus mei IIIIto.
Si quis vero hęc infringere conabitur, sit anathema marranathac.
a geoblongeerd A.
b naar analogie van de koninklijke kanselarij is hier bij rooms-koning Koenraad III het rangnummer 2 gebruikt, omdat men Koenraad I niet tot de rooms-koningen rekende, zie Hausmann, Die Urkunden Konrads III. und seines Sohnes Heinrich, XXIX.
c hierna sluitingsteken A.
Nederlandse vertaling
Hendrik II, bisschop van Luik, heeft besloten de volgende zaken die rond de Onze-Lieve-Vrouwekerk te Maastricht vroeger en in zijn tijd zijn gedaan, voor het heden en de toekomst door middel van deze oorkonde vast te leggen. Frank, proost van de Onze-Lieve-Vrouwekerk en scholaster van de domkerk, verwierf van de abt van Sint-Jacob te Luik de halve kerk van Rosmeer met vier hoeven die 32 schelling betalen in ruil voor het allodium van de Onze-Lieve-Vrouwekerk te Glons, op voorwaarde dat de broeders deze geldsom voor hun prebende kregen en dat een zekere Litfried, clericus, zijn neef, zolang hij zou leven de opbrengst van die halve kerk kreeg en dat na diens dood alle nut aan de broeders toekwam. Toen echter Steppo Frank als proost opvolgde, verdreef hij Litfried met veel moeite en onkosten uit de kerk van Rosmeer omdat die van plan was inbreuk te maken op deze overeenkomst, en hij hernieuwde de genoemde overeenkomst voor de broeders. Ook bereikte hij dat Elias, clericus, zijn neef, kreeg wat Litfried had gehad, behoudens het recht van de broeders. En in de dagen dat Hendrik (nu bisschop van Luik) na de dood van Steppo proost was geworden, liet Elias datgene na aan de broeders wat hij hield en zo ontving de Onze-Lieve-Vrouwekerk na lang wachten haar recht in vrij bezit. Voordat deze dingen echter door Frank of Steppo werden geregeld, hadden de broeders ook het oude recht en het recht op een tweede pastoor in de kerk van Rosmeer. Er waren er immers twee, van wie de een, bekleed door de hand van de abt van Sint-Jacob, de zielzorg uitoefende en van wie de ander, die op gelijke wijze door zekere heren werd bekleed, op zijn beurt die kerk diende. Met goddelijke hulp echter hadden de leken, zekere gebroeders van Gellik, Lambert, Gevehard, Winrik en Marsilius, die het recht hadden op de tweede prebende, twee en een halve mud graan Maastrichtse maat en alle recht dat zij ontvingen van die tweede pastoor aan de Onze-Lieve-Vrouwekerk overgedragen om hun nagedachtenis te vieren. Terwijl de situatie zo was, gaf Herman, die volgens het voornoemde voorschrift de tweede prebende hield, na op kruistocht te zijn gegaan, de investituur tot nut van de broeders terug zoals dat moest en door wie dat moest. Hendrik, die nu bisschop is, zag een gunstige gelegenheid, aangezien de broeders nu vrijwel het geheel en vrijwel elk van beide delen in handen hadden, behalve het recht van de Sint-Servaaskerk en dat van de Sint-Dionisiuskerk, en het scheen hem nuttig om wegens de overvloed aan tienden die de twee pastoors kregen, gebrek bij de broeders te voorkomen. Dus heeft hij samen met aartsdiaken Alexander en zijn deken Jan de grootte van die parochie onderzocht en waarheidsgetrouw achterhaald dat wegens het geringe aantal inwoners één pastoor voldoende was. Vervolgens heeft hij op advies en met instemming van de aartsdiaken, de deken en het volledige concilie van Visé bepaald dat in plaats van twee, één prebende voldoende was die zowel de zorg voor de parochie moest dragen als de bisschoppelijke rechten opbrengen, maar elke aanwas ervan moest ten deel vallen aan de broeders.
Hendrik heeft deze oorkonde bekrachtigd door het indrukken van zijn zegel.
Getuigen zijn: Alexander, proost, Dodo, Amalrik, aartsdiakenen; broeders van de Onze-Lieve-Vrouwekerk: Godfried, deken, Steppo, scholaster, Erpo, voorzanger, Jan, Steven; broeders van het concilie: Jan, deken, Robert, Gozewijn, Eilolf, Lambert; lekenburgers: Hendrik, Lodewijk en Manegold.
Gedaan in 1149, tijdens het tweede regeringsjaar van Koenraad IId, het vierde jaar van het episcopaat van Hendrik.
Hendrik heeft gedreigd met zijn banvloek.
d naar analogie van de koninklijke kanselarij is hier bij rooms-koning Koenraad III het rangnummer 2 gebruikt, omdat men Koenraad I niet tot de rooms-koningen rekende, zie Hausmann, Die Urkunden Konrads III. und seines Sohnes Heinrich, XXIX.
Nadere toelichting
Lees meerHendrik II (van Leez), bisschop van Luik, bepaalt met instemming van Alexander, aartsdiaken (van Luik) en proost (van de domkerk te Luik), en Jan, deken, en het concilie van Visé dat de Onze-Lieve-Vrouwekerk te Maastricht voortaan slechts één pastoor mag benoemen in de kerk van Rosmeer en dat men slechts recht heeft op één in plaats van twee prebenden.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B001, archief Kapittel van Onze Lieve Vrouw te Maastricht, 1096-1796, inv. nr. 1421. Gelinieerd.
Aantekeningen op de achterzijde: 1o door 13e-eeuwse hand: De ecclesia de Roesmer qualiter nobis est acquisita. – 2o door 18e-eeuwse hand: Littere de decima nostra in Roesmeer quomodo nobis acquisita de anno 1149 (verbeterd uit 1148).
Bezegeling: twee ingehangen zegels, waarvan slechts één aangekondigd is, namelijk: S1 van Hendrik II van Leez, bisschop van Luik, van witte was, beschadigd. – S2 van een niet te identificeren persoon, dat niet aangekondigd is. Voor de problematische identificatie en een beschrijving en afbeelding van S1 en S2, zie Venner, ‘Zegels’, 368-369, nr. 8.
Afschriften
B. 1652-1673, Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B001, archief Kapittel van Onze Lieve Vrouw te Maastricht, 1096-1796, inv. nr. 1421, los afschrift, gecollationeerd door Petrus Bernards, openbaar notaris, naar A. – C. 17e eeuw, Ibidem, idem, inv. nr. 55, los afschrift, gecollationeerd, naar A. – D. 1767, Ibidem, idem, inv. nr. 32 (cartularium) = Registrum documentorum insignis ecclesia collegiata Beatae Mariae Virginis Traiecti ad Mosam, continens bullas pontificias, diplomata, fundationes, acquisitiones, transactiones et sententias praefatam ecclesiam concernentia. Tomus I ab anno 1096 usque 1599, collectum anno 1767, pag. 7-9, onder de rubriek: Anno 1148, confirmatio per Henricum, secundum episcopum Leodiensem, acquisitionis ecclesiae seu decimae de Rosmeer, deserviendae per unam personam sub sufficienti praebenda seu competentia, ipsi ordinata, Stipale dominorum, fol. 237, 239, 245, Stipale privilegiorum, fol. 237, door Nicolaas Vincent, kanunnik van het Onze-Lieve-Vrouwekapittel te Maastricht, gewaarmerkt door C. Frederix, openbaar notaris, naar A. – E. eind 18e eeuw, Ibidem, idem, inv. nr. 1421, los afschrift, naar A. – F. eind 18e eeuw, Ibidem, idem, inv. nr. 41 (register met een inventaris van de archieven van het kapittel, een chronologische lijst van archiefbescheiden over de jaren 1096-1775 en een encyclopedische beschrijving van het kapittel via alfabetische trefwoorden), fol. 5v, onder de rubriek: nr. 4, anno 1148, confirmatio per Henricum, secundum episcopum Leodiensem, acquisitionis ecclesiae seu decimae de Rosmeer, deserviendae per unam personam sub sufficienti praebenda seu competentia, ipsi ordinata, in Registrum documentorum, fol. 7, naar E. – G. 18e eeuw, Ibidem, idem, inv. nr. 1421, los afschrift door notaris Mathias Heussen, naar A.
Uitgaven
a. Franquinet, Beredeneerde inventaris O.L.V. te Maastricht I, 6-8, nr. 3 (gedateerd 1148), naar A. – b. DiBe ID 7568 (gedateerd 1149), naar a.
Regesten
Wauters, Table chronologique, VII-1, 251 (gedateerd 1149). – Coenen, Limburgsche oorkonden I, 165-166, nr. 382 (gedateerd 1148). – Haas, Chronologische lijst, 26, nr. 25 (gedateerd 1149). – Idem, Inventaris Onze-Lieve-Vrouw, 253, nr. 1421 (gedateerd 1149).
Datering
Het gebruik van de kerststijl in het bisdom Luik is verondersteld. De terminus ante quem wordt nader bepaald door het einde van de opgegeven elfde indictie, die loopt tot 23 september 1149.
Ontstaan
Onderhavige oorkonde van Hendrik van Leez, bisschop van Luik, is met zekerheid niet geschreven door de in deze periode werkzame Luikse kanselarijhand die Stiennon, L'écriture diplomatique, 201, nr. 2, 218, p. 221, fig. 214 en p. 222 fig. 215, classificeerde als schrijfhand HL. Voor het ontstaan onder Hendrik van Leez van de ‘episcobulle’, de door Kupper gemunte term voor de bisschoppelijke oorkonden die de pauselijke imiteren, en de karakteristieken ervan, zie Kupper, ‘La «chancellerie»’, 120-126.
partners
donateurs













