De watermolens en het bezit van het Onze-Lieve-Vrouwekapittel langs de Jeker

Aan het Onze-Lieve-Vrouwekapittel waren in de middeleeuwen tientallen personen verbonden, waaronder twintig kanunniken (kapittelheren). Al deze mensen leefden van de inkomsten uit de bezittingen van het kapittel in en rond Maastricht. De oorkonden laten zien waar die gelegen waren. Het valt dan op dat veel langs de rivier de Jeker lag. Sommige lagen in de stad, zoals een huis (nr. 52) tegenover de Hilariuskapel (thans Waalse Kerk). Maar de meeste lagen ergens tussen Maastricht en Tongeren, zoals boerenhoeves te Glons (Glaaien, nr. 10) en Kanne (nrs. 5 en 6) en landbouwgronden in Wonck, Emael en Kanne (nrs. 7 en 11). Op de opbrengsten van die gronden mocht het kapittel een belasting, het tiendrecht, heffen. Die heffing vond plaats in natura: het kapittel kreeg een deel van het graan.
De verwerving van de eerste twee watermolens door het kapittel
Met de landbouwgronden hangt een andere economische activiteit van het kapittel samen: de exploitatie van watermolens. De allereerste oorkonde van het Onze-Lieve-Vrouwekapittel is van augustus - 23 september 1096 (nr. 1). Deze gaat over twee watermolens langs de Jeker die door bisschop Otbert van Luik aan het Onze-Lieve-Vrouwekapittel werden overgedragen. Jaar en maand van deze oorkonde zijn niet toevallig. Op 10 augustus 1096 vertrok Godfried van Bouillon met vele edelen uit de omgeving van Maastricht voor de Eerste Kruistocht naar het Heilige Land. Om zijn leger uit te rusten verkocht Godfried zijn bezittingen aan de bisschop van Luik. Hij stelde daarbij als voorwaarde dat hij die bij terugkeer tegen dezelfde prijs kon terugkopen. Bisschop Otbert had in de zomer van 1096 veel geld nodig om bezittingen van de kruisvaarders te kopen en onderhouden. Om die reden verkocht hij de twee watermolens aan de Jeker aan het Onze-Lieve-Vrouwekapittel, dat zo in feite meebetaalde aan de kruistocht. Otbert had trouwens geluk: Godfried van Bouillon overleed vier jaar later kinderloos in het Heilige Land, zodat de bisschop de bezittingen van Godfried mocht houden. Maar dat kon de bisschop in 1096 niet bevroeden.
Verband tussen de verwerving van de molens en de stichting van het Norbertinessenstift Sint-Gerlach
De vijftig zilvermark die het kapittel nodig had voor de koop van de twee molens was volgens de oorkonde afkomstig van een landgoed bij Houthem. Dat landgoed werd verkocht aan heer Gozewijn I van Heinsberg, heer van Valkenburg. Diens opvolger Gozewijn IV zou in 1202 datzelfde landgoed schenken aan de orde der norbertijnen om er een klooster te stichten bij het graf van de in 1165 overleden heilige kluizenaar Gerlach. Ook die schenking uit 1202 hield verband met een kruistocht. Met de schenking kocht Gozewijn IV de banvloek van de paus af waarmee hij getroffen was vanwege het verbreken van zijn kruisgelofte om mee te gaan met de Vierde Kruistocht.
De eerste watermolens
De techniek van de watermolen was door de Romeinen uit het Midden-Oosten naar Europa gebracht. De eerste bekende Europese watermolen lag in het jaar 20 vóór Christus in Rome in de rivier de Tiber. Maar al snel werden watermolens ook ten noorden van de Alpen aangelegd, zoals een molen aantoont die in 2009 werd gevonden in Düren bij Aken aan de rivier de Inde. Dit is de oudste bekende watermolen ten noorden van de Alpen. Uit vondsten bij deze graanmolen kan worden afgeleid dat deze al uit de eerste eeuw na Christus dateert, dus van kort na de komst van de Romeinen. Spelt was in die tijd het meest populaire graan in de omgeving van Maastricht. Het werd na de oogst gepeld om het kaf van het koren te scheiden. Dit pellen gebeurde tussen twee molenstenen, de ligger en de loper.
De molens van het Onze-Lieve-Vrouwekapittel
Ook in de middeleeuwen was spelt wijdverbreid. De techniek van de watermolen was echter na de ineenstorting van het Romeinse rijk verloren gegaan. De molenstenen werden daarom meestal door mensen of dieren aangedreven. Dat maakt de watermolens van Maastricht bijzonder. Watermolens waren in de twaalfde eeuw een hoogstandje van technisch vernuft. Ze werden pas in de elfde en twaalfde eeuw weer op grote schaal gebouwd. Ze waren de belangrijkste heruitvinding in Europa tot de komst van de stoommachine. De watermolens waren geheel van hout (sluiswerk, rad en interne delen). Voor het bouwen van een molen moest verder de techniek worden beheerst om de dijken, sluizen en kanalen te bouwen om het molenrad aan te drijven. Naar deze molens was een grote vraag. De landbouw was overgeschakeld van spelt op tarwe en schakelde verder van tarwe op rogge. Om van rogge brood te bakken, moest de rogge eerst gemalen worden en daarvoor was een molen nodig.
Het gaat bij deze eerste oorkonde van het Onze-Lieve-Vrouwekapittel om graanmolens die in het malen van rogge en spelt konden voorzien. De twee molens waren gelegen binnen de stadsmuren. Mogelijk gaat het om de Bisschopsmolen en een andere molen die daar dichtbij gelegen moet hebben. De Bisschopsmolen is de oudste nog functionerende watermolen van Nederland. Er wordt ook tegenwoordig nog speltgraan gemalen!
Juridische en economische context
Om de betekenis van de watermolens voor het kapittel te begrijpen is nadere informatie over de juridische en economische context nodig. De aanvoer van graan werd verzekerd doordat er sprake was van molendwang: men was verplicht om alle graan bij de molens van het kapittel te laten malen. Doordat een deel van het graan als maalloon moest worden betaald, kreeg het kapittel belangrijke inkomsten. Verder moest het kapittel over een recht beschikken om een molen te bouwen en exploiteren en had het een stuwrecht nodig om het water van de Jeker tot een bepaald peil te stuwen zodat er voldoende verval was voor het waterrad.
Dat het Onze-Lieve-Vrouwekapittel bereid was om de watermolens van de bisschop te kopen hoeft niet te verbazen. Dat het bij deze twee in de stad gelegen watermolens niet is gebleven blijkt uit de derde oorkonde van het Onze-Lieve-Vrouwekapittel (nr. 3). Daarin is geregeld dat in 1133 van bisschop Alexander I van Luik een onbebouwd stuk grond langs de Jeker werd verkregen met het recht om daar nog eens twee molens op te bouwen. Deze grond lag in Viertoren, in het Jekerdal. Bijzonder aan deze oorkonde is dat het kapittel het risico van de bouw en exploitatie van de molen met de vermoedelijke molenaar deelt. Met een zekere Bertold werd in deze oorkonde afgesproken dat hij de kanunniken van het kapittel zal compenseren wanneer de nieuw te bouwen molens niet rendabel zouden zijn. Uit een oorkonde uit 1158 blijkt overigens dat de molens bij Viertoren ook daadwerkelijk zijn gebouwd (nr. 5). Vermoedelijk was ook de bouw van deze twee extra molens een economisch succes voor het kapittel. De economische betekenis van watermolens voor het kapittel blijkt verder nog uit oorkonden uit 1158 en 1186 waarin geschreven wordt over een molen bij de Jeker verder stroomopwaarts in Glons (nrs. 5 en 7).
Conclusie
Het Onze-Lieve-Vrouwekapittel beschikte in de dertiende eeuw over inkomsten uit tenminste vijf watermolens langs de Jeker. Het bezit van deze watermolens verzekerde het kapittel van vaste (graan)inkomsten. Het belang ervan kan worden afgeleid uit het feit dat de oorkonde uit 1096 in het kapittelhuis in Maastricht werd getekend en de namen van de proost en de deken het kapittel bevat.
partners
donateurs









