Twee pauselijke bevestigingen van het kapittelvermogen in 1158 en 1186

Portret van paus Hadrianus IV (Adrianus IV), gravure

Het kapittel van Onze-Lieve-Vrouw bezit twee oorkonden uit 1158 en 1186 waarin respectievelijk paus Hadrianus IV en paus Urbanus III het kapittel van Onze-Lieve-Vrouwe bevestigen in al zijn bezittingen en rechten. Het zijn voorbeelden van zogenoemde bullen, oorkonden op perkament voorzien van een loden zegel (bulla). Bij de oorkonde van 1186 is dat ook nog bewaard gebleven. Het gebruik van lood in plaats van was is kenmerkend voor dit soort pauselijke documenten. Aan de ene zijde staat de naam van de regerende paus, aan de andere kant de hoofden van de apostelen Petrus en Paulus.

Portret van paus Urbanus III, gravure
Paus Urbanus III, die het kapittel in 1186 in zijn bezittingen bevestigde.

In de oorkonden verklaren de pausen het kapittel onder hun bescherming te nemen en zij sommen daartoe alle rechten op kerken, tienden en inkomsten en bezittingen op in Seraing, Bemelen, Sint-Pieter, Heugem, Herk-de-Stad, Glons, Rosmeer, Wonck, Emael, Kanne, Breust, Linderhof, molens en hoeven te Maastricht, Amby, Wyck, Wijshagen, Moelingen, Elderen, Houthem, de molens bij Viertoren in het Jekerdal en Sittard. Niemand mag het kapittel in het vreedzame bezit van die goederen storen. De lijst geeft een goed overzicht van het vermogen van kapittel in de twaalfde eeuw. Vermeldenswaard is dat in de kalender van jaardiensten in de kerk waarbij weldoeners van het kapittel werden herdacht, soms ook de namen worden genoemd van schenkers van die goederen. De tekst was ondertekend door de paus en een aantal kardinalen.

Afgezien van de aanhef en ondertekening zijn beide stukken inhoudelijk vrijwel identiek. De tekst van 1158 is duidelijk gebruikt als voorbeeld voor die van 1186. Het zijn voorbeelden van een zogenoemd ‘plechtig privilege’, zulks ter onderscheiding van meer ‘eenvoudige’ bestuursdocumenten zoals ‘litterae’ en ‘breven’.

Bullen met bevestiging van rechten door de hoogste kerkelijke autoriteit waren, evenals keizerlijke en koninklijke privileges, voor kapittels en abdijen begeerde documenten. Het was immers een machtig wapen tegen mogelijke belagers. Deze hoogste vorm van bescherming werd nog eens versterkt door de toevoeging van een vaste formule aan het einde van een stuk waarin iedereen die handelde in strijd met deze bescherming werd gescheiden ‘van het allerheiligste Lichaam en Bloed van God en onze Heer en Verlosser Jezus Christus’, met andere woorden geëxcommuniceerd. Wie zich tegen deze rechten van het kapittel keerde, zou daarvan bij het laatste oordeel rekenschap moeten afleggen.

De echtheid of authenticiteit van het stuk was dus van groot belang. Het wekt daarom geen verbazing dat zulke documenten aantrekkelijk waren voor vervalsers. Soms gebeurde dat met kwade bedoelingen, maar ook werd wel geprobeerd een beschadigde tekst of verloren document te vervangen door een ‘nieuw’ exemplaar. Om de echtheid te borgen werkten de schrijvers in de pauselijke kanselarij volgens nauwkeurig vastgelegde regels en modellen. Die echtheidskenmerken golden niet alleen voor het perkament, de opmaak van de tekst en het lettertype, monogrammen, ook krullen en kriebeltjes werden eveneens volgens vaste voorschriften gemaakt. Voor het koord waaraan het loden zegel was gehecht golden eveneens bijzondere eisen: gekleurde zijde voor plechtige privileges , hennep voor eenvoudige stukken.

Pauselijke oorkonden staan min of meer aan het begin van de ontwikkeling van oorkonden als geschreven rechtsbronnen. Later ziet men dat vanwege het grote gezag dat er aan werd toegekend ook lagere functionarissen, zoals bisschoppen, door hen uitgevaardigde akten modelleerden naar pauselijke voorbeelden.

partners

donateurs

familie Beijer