Ein Überblick über alle Urkunden

Urkunde 1
Der römische König Otto I. verleiht seinem Vasallen Ansfried das Münz- und Marktrecht von Kessel, das im Gouw Maasland liegt. Von nun an darf Ansfried auch den Zoll in Echt in Kessel erheben. Die Verleihung erfolgt durch Einmischung von Herzog Coenraad.
<Rooms-koning Otto I schenkt aan zijn leenman Ansfried de munt- en marktrechten te Kessel en bepaalt dat de tol van Echt naar Kessel wordt verplaatst.>
Schijnorigineel
<A>. Maastricht, HCL, toegangsnr. 01.187A, archief Vrije Rijksheerlijkheid Thorn, inv. nr. 1.
Uitgave
a. Gysseling en Koch, Diplomata Belgica, 369-370, nr. 219, naar <A>.
Onechtheid
Onderhavige oorkonde wordt als een falsum beschouwd op paleografische gronden, zie de uitgave bij Gysseling.
Lokalisering
Voor de identificatie van Casallum met Kessel sluiten we ons aan bij de uitgave van Gysseling en Koch, alsmede bij Gysseling, Toponymisch Woordenboek, 560, en Van Berkel en Samplonius, Nederlandse plaatsnamen, 117. De door andere auteurs gesuggereerde locaties als Kesselt, Neeroeteren en Kessenich (zie onder meer Kluge, Deutsche Münzgeschichte, 27-36, en Baerten, ‘Les Ansfrid’, 1145) lijken ons vanuit taal- en naamkundig oogpunt onwaarschijnlijk.
Datering
In de datatio is als datum het incarnatiejaar 966 opgegeven, met bijbehorende dateringselementen. In navolging van de editie door Sickel, Monumenta Germaniae DO I 210, nr. 129, is de vervalste oorkonde in de editie van Gysseling en Koch gedateerd op het jaar 950.

Urkunde 1
Adolf I. (von Altena), Erzbischof von Köln, erklärt, dass Gozewijn IV., Herr von Valkenburg, mit Zustimmung seiner Gemahlin, Frau Jutta, seinen Hof in Münstergeleen mit allen Leibeigenen, Einkünften und Zugehörigem und der Hälfte des dortigen Patronatsrechts dem Kloster Sankt-Marien in Heinsberg und dem Ort des heiligen Gerlach geschenkt hat. Er tat dies, um den versprochenen, aber nicht durchgeführten Kreuzzug nach Jerusalem zu kompensieren. Adolf I. entbindet im Gegenzug Gozewijn IV. von seinem Versprechen und stellt ihn von künftigen Strafen für dessen Bruch frei.
Adolf I (van Altena), aartsbisschop van Keulen, verklaart dat Gozewijn IV, heer van Valkenburg, ter compensatie van zijn niet volbrachte kruistocht met instemming van zijn echtgenote, vrouwe Jutta, zijn hof te Munstergeleen met alle horigen, inkomsten en toebehoren en de helft van het patronaatsrecht aldaar aan het klooster van Sint-Marie te Heinsberg en aan de plaats van de heilige Gerlach heeft geschonken.
Origineel
A. Maastricht, RHCL, toegangsnr. 14.D003, archief klooster Sint-Gerlach te Houthem, inv. nr. 74, reg. nr. 1. Gelinieerd. Beschadigd met tekstverlies. Blijkens b was het origineel in 1869 nog in het bezit van Ch. Guillon, notaris te Roermond.
Aantekeningen op de achterzijde: 1° door 14e/15e-eeuwse hand: De bonis […]b[.]ock prope Monstergeleen. – 2° door laatste kwart 14e-eeuwse hand: B j. – 3o door 17e-eeuwse hand: 1202. – 4o door 18e-eeuwse hand: Num. 69.
Bezegeling: twee uithangend bevestigde zegels, die aangekondigd zijn, namelijk: S1 van Adolf I (van Altena), aartsbisschop van Keulen, van bruine was, beschadigd. – S2 van Gozewijn IV, heer van Valkenburg, van bruine was, beschadigd; en één bevestigingsplaats voor het aangekondigde zegel van Jutta, echtgenote van Gozewijn IV, heer van Valkenburg (LS3). Voor een beschrijving en afbeelding van S1 en S2, zie Venner, ‘Zegels klooster Sint-Gerlach’, respectievelijk 150 en 156.
Afschrift
B. 1735, Maastricht, RHCL, toegangsnr. 14.D003, archief klooster Sint-Gerlach te Houthem, inv. nr. 1 (cartularium) = Privelegien ende register der obligatien en andere erffcontracten des adelijcken cloosters van St. Gerlach, p. 113-115, onder de rubriek: Littera confirmationis domini Adulphi, archiepiscopi Coloniensis, de bonis in Munsterglene, en in de marge: Num. 69, met opgave van drie bezegelingsplaatsen, naar A.
Uitgaven
a. Franquinet, Beredeneerde inventaris St. Gerlach, IV, 1-3, nr. 1, naar A. – b. Habets, ‘Houthem-Sint-Gerlach’, 203-206, nr. 3 (gedateerd 1202), naar B.
Regesten
Haas, Inventaris Sint Gerlach, 67, reg. nr. 1. – Idem, Chronologische lijst, 34, reg. nr. 51. – REK, II, 331-332, nr. 1620.
Datering
Het gebruik van de kerststijl is verondersteld, conform het gebruik door de aartsbisschop van Keulen in deze periode, zie Polak en Dijkhof, Oorkondenboek Kloosterrade, XVI. Hierbinnen is de terminus antequem nader bepaald door de opgegeven vijfde indictie, die tot 23 september liep. In de datumregel is een foutieve concurrens opgegeven, men verwacht daar het cijfer 1.

Urkunde 1
Adelbert van Saffenberg und sein Sohn Adolf schenkten der Abtei Kloosterrade Besitzungen im Lande Rode, darunter fünf Höfe in Rode, die Zehnten dort und im Hof Spekholz, Besitzungen auch in Ahrweiler, die von Embrico und seinem Vater stammen, zwei von Pfalzgraf Siegfried geschenkte Höfe in Crombach, und die Domäne von Koenraad in Morsbach, vorbehaltlich der Vormundschaft, mit der sie und Bischof Otbert von Lüttich den Brüdern das Recht einräumen, einen Oberen zu wählen, Kinder von Freigelassenen zu taufen, sie zur Kommunion zuzulassen und sie zu bestatten.
Adelbert van Saffenberg en zijn zoon Adolf doteren bezittingen in het land van Rode, waaronder vijf hoeve te Rode, tienden aldaar en in de hof Spekholz, bezittingen onder meer te Ahrweiler afkomstig van Embrico en diens vader, twee hoeve in Crombach geschonken door paltsgraaf Siegfried, en het domein van Koenraad in Morsbach, aan de abdij Kloosterrade, onder voorbehoud van de voogdij, waarbij zij en bisschop Otbert van Luik de broeders het recht verlenen een overste te kiezen, kinderen van vrije lieden te dopen, tot de communie toe te laten en te begraven.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.D004, archief abdij Kloosterrade, inv. nr. 673.
Uitgave
a. Polak en Dijkhof, Oorkondenboek Kloosterrade, 1-9, nr. 1, naar A.
Datering en echtheid
Voor de datering en de eventuele onechtheid van deze oorkonde, zie de uitgave van Polak en Dijkhof.

Urkunde 1
(Römisch) König Heinrich IV. bestätigt die Schenkung von Otto, Markgraf von Thüringen, und seiner Frau Aleid ihrer Güter in Weert und Dilsen an das Sint-Servaaskapitel in Maastricht gegen dreihundert Pfund Silber und den Nießbrauch von Oijen, Mechelen-aan-de-Maas, Meeswijk und Hees.
(Rooms-)koning Hendrik IV bevestigt de overdracht door Otto, markgraaf van Thüringen, en zijn echtgenote Aleid van hun goederen te Weert en Dilsen aan het Sint-Servaaskapittel te Maastricht in ruil voor driehonderd pond zilver en het vruchtgebruik van Oijen, Mechelen-aan-de-Maas, Meeswijk en Hees.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002A, archief kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 883.
Bezegeling: één bevestigingsplaats voor het aangekondigde opgedrukt zegel van Hendrik IV, met restanten van witte was, dat niet voorhanden is (SD1).
Afschriften
B. 1282 april 6, Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002A, archief kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 884, oorkonde van rooms-koning Rudolf I, naar A, zie Collectie Sint-Servaaskapittel, nr. 46. – C. eind 13e eeuw, Ibidem, idem, inv. nr. 10 (cartularium) = [Liber privilegiorum], fol. 5v-6r (= nieuwe fol. 22v-23r), nr. 8, naar A. – D. eind 13e eeuw, Ibidem, idem, inv. nr. 10 (cartularium) = [Liber privilegiorum], fol. 18r-18v (= nieuwe fol. 35r-35v), nr. 40, naar B. – E. 1640, Ibidem, idem, inv. nr. 1741 (cartularium) = Liber sive regestum originis ecclesie Sancti Seruatii Traiec[tensis] illiusque privilegiorum, donationum ac iurium ex originalibus et libro chartarum manu Ioannis Choris, receptoris capituli, descriptorum, p. 13-14, onder de rubriek: 9, Henricus quartus Romanorum rex confirmat donationem factam per marchionem Ottonem (hierna quoad doorgestreept) de Thuringia quoad Werdt, naar A. – F. vóór 1768, Ibidem, toegangsnr. 22.001A, Handschriftencollectie (voormalig) Gemeentearchief Maastricht, 14de-20ste eeuw, inv. nr. 199a (cartularium) = Diplomata Trajectensia de anno 800 ad 1399, p. 87, onder de rubriek: Henricus quartus, Romanorum rex, confirmat donationem factam per marchionem Ottonem de Thuringia quoad Weerdt, die 11ma calendas octobris anno 1062, gewaarmerkt afschrift door G.J. Lenarts, stadssecretaris van Maastricht, naar [C].
Uitgaven
a. Posse, Codex Diplomaticus, 320-321, nr. 120, naar D. – b. Gladiss en Gawlik, Die Urkunden Heinrichs IV., VI-1, 118-120, nr. 91, naar A. – c. Gysseling en Koch, Diplomata Belgica I, 383-384, nr. 230, naar A. – d. Hackeng, Het middeleeuwse grondbezit, 279-280, nr. 39a (onvolledig), naar b en het betoog van Deeters, Servatiusstift, 51-52. – f. DiBe ID 3906, naar c.
Regesten
Zie DiBe ID 3906.
Echtheid en ontstaan
Aan de echtheid van onderhavige oorkonde wordt sinds het einde van de negentiende eeuw getwijfeld. Als eerste sprak Giesebrecht, Geschichte, 1100-1101, zich hierover uit op basis van de volgens hem twijfelachtige aanwezigheid in Duitsland van ‘Godefridi, marchionis’, alsmede de vermelding van de markgraaf van Thüringen en de graaf van Brussel. Hij verrichtte evenwel geen paleografisch of diplomatisch onderzoek. Posse, Codex Diplomaticus, 80, verwijst weliswaar naar de bezwaren die Giesebrecht tegen deze oorkonde inbracht, maar neemt in zijn editie het stuk niet op als een falsum.
Niermeyer, Onderzoekingen, 172-179, onderwierp als eerste de oorkonde uit 1062 aan een diepgaand onderzoek in zijn studie naar de Luikse en Maastrichtse oorkonden. Hij stelde op paleografische gronden vast dat onderhavige oorkonde niet in de elfde, maar in het midden van de twaalfde eeuw moet zijn vervaardigd en schreef het falsum toe aan een scriptor, genaamd hand S. Deze schreef volgens hem ook de context van de vervalste oorkonde van Hendrik V uit 1109 voor het Sint-Servaaskapittel te Maastricht (zie Collectie Sint-Servaaskapittel, nr. 3). Gladiss, Die Urkunden Heinrichs IV., VI-1, 118-119, sloot zich aan bij deze observaties. Volgens hem is onderhavige oorkonde uit 1062 gebaseerd op een onverdachte oorkonde, geschreven door kanselarijscriptor Fredericus B (voor diens werkzaamheden als één van de notarii in de kanselarij van rooms-koning Hendrik IV, zie Gladiss en Gawlik, o.c., XXIX-XXXI).
Niermeyer was er niet alleen van overtuigd dat de volgens hem vervalste oorkonden uit 1062 en 1109 door één en dezelfde hand zijn geschreven ̶ waarin Gladiss hem volgde ̶ , hij achtte deze scriptor ook verantwoordelijk voor een geïnterpoleerde regel in een oorkonde van rooms-koning Koenraad III voor het Sint-Servaaskapittel uit 1146 (origineel berustend te Parijs, Bibliothèque Nationale, Fonds Latin, Manuscrits nr. 9307/9; voor een editie, zie Camps, ONB I, 71-73, nr. 46). Volgens Niermeyer, o.c., 177, zou de oorkonde van Koenraad III uit 1146 - met uitzondering van de geïnterpoleerde regel -, zijn geschreven door de koninklijke kanselarijscriptor Arnold A. Dit lijkt ons echter onwaarschijnlijk, aangezien diens kanselarijwerkzaamheden zich volgens Hausmann, Die Urkunden Konrads III. und seines Sohnes Heinrich, XXII, situeren van april 1138 tot en met zomer 1140. Bovendien identificeert Hausmann de scriptor van de oorkondetekst niet met Arnold A, maar met kapelaan Heribert, die van 1140 tot 1146 en in 1151 werkzaam is in de koninklijke kanselarij. Volgens Hausmann, o.c., 268, nr. 147, trachtte de falsaris in deze geïnterpoleerde regel het schrift van Heribert na te bootsen (voor een overzicht van de door Heribert vervaardigde oorkonden, zijn identificatie en werkzaamheden voor de koninklijke kanselarij, zie Hausmann, o.c., 258-273).
Uitgaande van de constatering dat de interpolatie in de oorkonde uit 1146 is geschreven door de scriptor die ook de oorkonden voor het Sint-Servaaskapittel uit 1062 en 1109 zou hebben gemundeerd, concludeert Niermeyer dat deze twee falsa zijn vervaardigd na 1146 en vermoedelijk na de dood van rooms-koning Koenraad III in 1152. Als mogelijke terminus ante quem noemt hij ca. 1174, het jaar waarop hij deze schrijfhand nog aantrof in een oorkonde van keizer Frederik I (Niermeyer, o.c., 176, noot 3). Tot slot dateert hij beide falsa meer specifiek omstreeks 1160, zonder dit nog nader te onderbouwen. Gladiss stelt dat de falsa uit 1062 en 1109 zouden zijn vervaardigd rond het midden van de twaalfde eeuw in het kader van de langdurige discussies tussen proost en kanunniken van het Sint-Servaaskapittel.
Ook Gysseling en Koch, Diplomata Belgica I, 383-384, nr. 230, beschouwen onderhavige oorkonde uit 1062 zonder verdere onderbouwing als een falsum dat te Maastricht zou zijn vervaardigd. Zij kunnen zich echter op paleografische gronden niet verenigen met het betoog van Niermeyer, die de vervaardiging rond 1160 dateert, en poneren dat de scriptio moet worden gesitueerd aan het eind van de elfde eeuw.
Het dictaat in onderhavige oorkonde is volgens Niermeyer, o.c., 175-177, ontleend aan onverdachte oorkonden van Fredericus B, kanselier van rooms-koning Hendrik IV. Maar hij signaleert in de dispositio een aantal bepalingen die volgens hem verdacht zijn: 1. waar wordt gesteld dat Weert en Dilsen niet ondergeschikt zullen zijn aan de proost, maar dat de deken ze met raad van de broeders aan een door hem gewenste en geschikt bevonden broeder zal toevertrouwen; 2. dat Oijen, Mechelen-aan-de-Maas, Meeswijk en Hees ‘ad fratrum prebendam’ behoren; 3. dat niemand op de voogdij aanspraak mag maken, behalve degene die door de broeders is gekozen; 4. de sanctio met de hoge boete. Deze passages brengen Niermeyer op inhoudelijke gronden tot 1128/1130 als een terminus a quo voor het ontstaan van de oorkonde uit 1062, omdat de geschillen tussen de proost van Sint-Servaas enerzijds en de deken en broeders anderzijds voor het eerst voorkomen in een oorkonde d.d. 13 juni 1128 (origineel berustend te Parijs, Bibliothèque Nationale, Fonds Latin, Manuscrits nr. 9307/5; voor een editie, zie Ottenthal en Hirsch, Die Urkunden Lothars III. und der Kaiserin Richenza, 14-15, nr. 12), én omdat een schenkingsoorkonde uit 1130 een tegen de proost gerichte clausule bevat (afschrift berustend te Parijs, Bibliothèque Nationale, Fonds Latin, Manuscrits nr. 10180, fol. 171r; voor een partiële editie, zie Hackeng, Het middeleeuwse grondbezit, 288-289, nr. 59).
Gladiss sluit zich aan bij Niermeyer ten aanzien van de dictaatontleningen aan de oorkonden van kanselier Fredericus B én de verdachte passages.
Deeters, Servatiusstift, beschouwt onderhavige oorkonde eveneens als een falsum en volgt Niermeyer en Gladiss inzake de dictaatontlening aan een echte oorkonde van rooms-koning Hendrik IV. Hij verwijst naar de rasuur met de interpolatie in de oorkonde uit 1146 en acht het op basis daarvan waarschijnlijker om 1146 als richtpunt te nemen voor het tijdstip van de vervalsing van de oorkonde uit 1062, eerder dan het eind van de elfde eeuw zoals door Gysseling en Koch gesuggereerd. Als terminus ante quem stelt hij ca. 1165 voor, op basis van het gebruik van de geheel gelijkluidende boeteformule in een oorkonde van rooms-koning Koenraad III uit 1146 voor het Sint-Servaaskapittel (origineel berustend te Parijs, Bibliothèque Nationale, Fonds Latin, Manuscrits nr. 9307/10; voor een editie, zie Hausmann, Die Urkunden Konrads III. und seines Sohnes Heinrich, 508-510, nr. 293). Deze oorkonde uit 1146 is een falsum dat volgens Hausmann ca. 1165 is uitgevaardigd door een Luikse scriptor. Deeters volgt Niermeyer ten aanzien van de verdachte passages, maar geeft ook aan dat de wezenlijke inhoud bevestiging vindt in een verhalende bron eind elfde eeuw. De overdracht door Otto, markgraaf van Thüringen, en diens echtgenote aan het Sint-Servaaskapittel wordt namelijk vermeld door Jocundus in zijn vita van Sint-Servaas, geschreven tussen ca. 1070 en 1087 (zie de editie door Köpke, ‘Iocundi translatio s. Servatii’, 117, caput 63). Wel beschouwt hij met name drie passages als een vervalste inlassing: de uitschakeling van de proost (‘hac conditione … committat’), de vrije voogdijkeuze van de broeders (‘et ne quis advocatiam … eligerent’) en de ongewoon hoge boete (‘si quis huic traditioni … potestati’).
Ten aanzien van het doorgedrukte zegel stelt Niermeyer, o.c., 174, dat een oorkonde van koning Hendrik IV d.d. 14 oktober 1062 voor de abdij van Verdun als voorbeeld heeft gediend (origineel berustend te Reims, Archives municipales et communautaires de Reims, Collection P. Tarbé, Carton I, nr. 21; voor een editie, zie Gladiss en Gawlik, o.c., 120-121, nr. 92). Deze oorkonde zou volgens hem geredigeerd én gemundeerd zijn door Fredericus D, die werkzaam was in de koninklijke kanselarij in de jaren 1062-1065. Deze kanselier is de door Gladiss genoemde Fredericus B. Gladiss acht hem wel verantwoordelijk voor het dictaat van de oorkonde voor de abdij van Verdun, maar is onzeker over de scriptio, die ook door een onbekende ingrossator zou kunnen zijn verzorgd.
Samenvattend kunnen we stellen dat ten aanzien van onderhavige oorkonde verdenkingen zijn geuit op basis van zowel de uiterlijke kenmerken als de inhoud. De ontstaansdatum van dit falsum situeert zich volgens Gysseling en Koch, Niermeyer, Gladiss en Deeters tussen het einde van de elfde eeuw en rond het midden van de twaalfde eeuw, met als uiterste terminus ante quem ca. 1174.
Met de bevindingen van Niermeyer ten aanzien van de handidentificaties zijn we het oneens. Paleografisch onderzoek heeft uitgewezen dat van gelijkhandigheid in de oorkonden van 1062 en 1109, zoals door hem betoogd en nagevolgd door Gladiss, geen sprake is. De scriptores van 1062 en 1109 vertonen wel sterke schriftverwantschap, maar zijn niet identiek. Deze scriptor S, die volgens Niermeyer zowel de onderhavige oorkonde als het falsum van 1109 én de geïnterpoleerde regel op de rasuur in een oorkonde uit 1146 zou hebben geschreven, was volgens hem werkzaam tot 1174. Ook de gelijkhandigheid van onderhavige oorkonde met de geïnterpoleerde regel in de oorkonde uit 1146 kan volgens ons niet worden gevolgd aangezien dit op basis van één enkele regel onmogelijk is vast te stellen. De door Niermeyer geformuleerde terminus ante quem, gebaseerd op grond van bovenstaande identificaties en de veronderstelde werkzaamheden van deze scriptor S tot ca. 1174, is bijgevolg niet houdbaar. Daardoor vervalt ook het door Deeters voorgestelde richtpunt van 1146 voor de ontstaansdatum van onderhavige oorkonde.
De ontstaansdatum van onderhavige oorkonde, die Gysseling en Koch op het eind van de elfde eeuw dateren, kan niet worden bevestigd noch weerlegd. Het typisch diplomatische minuskelhandschrift kan zowel uit 1062 als uit het eind van de elfde eeuw dateren. Een mundering in 1062 kan bijgevolg niet a priori worden uitgesloten.
Dat het schrift in de oorkonde uit 1062 niet voorkomt in de oorkonden van rooms-koning en keizer Hendrik IV, is geen argument voor de onechtheid. Hierbij wordt namelijk de mogelijkheid van een destinatarisuitvaardiging uit het oog verloren. Juist onder koning Hendrik IV, Hendrik V en Lotharius nam het aantal destinatarisuitvaardigingen toe, zie Bresslau, Handbuch der Urkundenlehre, 462. Dat hiermee terdege moet worden rekening gehouden, blijkt uit het aanzienlijk aantal koninklijke oorkonden van Hendrik IV die niet door zijn kanselarij zijn uitgevaardigd in de periode 1062 maart 9 - 1064 oktober 2 (zie Gladiss, Die Urkunden Heinrichs IV., VI-1, nrs. 83, 84, 88, 89, 132 en 136, d.d. 1062 maart 9, 1062 maart 13, 1062 juli 13, 1062 juli 19, 1064 juli 19 en 1064 oktober 2). Een interessante mengvorm is overigens aangetroffen in een oorkonde van rooms-koning Hendrik IV d.d. 10[6]2 oktober 14, die is geredigeerd door de destinataris en waar enkel het eschatocol is toegevoegd door kanselier Frederik B (zie Gladiss, o.c., nr. 92). Een scriptio door de destinataris, het Sint-Servaaskapittel te Maastricht, past ook binnen het tijdsgewricht, juist na de staatsgreep van Kaiserswerth in april 1062, die leidde tot ongewoon snelle, ingrijpende personele wijzigingen in de koninklijke kanselarij (zie Meyer von Knonau, Jahrbücher des Deutschen Reiches, 287-288; Gladiss, o.c., XXIX-XXX).
Niet alleen ten aanzien van de paleografische identificaties door Niermeyer zijn we een andere mening toegedaan, ook hebben we twijfels bij zijn dictaatanalyse. Voor de redactio van het falsum zou het Sint-Servaaskapittel gebruik hebben gemaakt van enkele oorkonden uit 1063, geschreven door kanselier Fredericus B (voor een editie van de betreffende oorkonden, zie Gladiss, o.c., nrs. 100, 106 en 117). Niet alleen bij de selectie van deze oorkonden kunnen vraagtekens worden gesteld (nr. 100 is niet geredigeerd door Fredericus B), ook bij de gesignaleerde dictaatverwantschap. Niermeyer put willekeurig uit deze en andere oorkonden en signaleert tekstdelen die aantoonbaar de ontlening aan het dictaat van Fredericus B moeten bewijzen, maar het tegendeel is het geval. Niet alleen zijn er significante afwijkingen, ook komen zeer opvallende tekstontleningen en -constructies al voor in oudere oorkonden van koning Hendrik IV die door de kanselarij zijn geredigeerd (Gladiss, o.c., nrs. 3, 21, 47, 50 en 73, d.d. 1056 december 29, 1057 mei 28, 1059 februari 5, 1059 maart 4 en 1061 augustus 7) én in destinatarisoorkonden (Gladiss, o.c., nrs. 60 en 101, d.d. 1059 november 22 en 1063 juni 14). Er is dus geen hard bewijs voor dictaatontlening aan koninklijke oorkonden uit 1063, geredigeerd door Fredericus B, terwijl nadere dictaatvergelijking bovendien de mogelijkheid van ontlening aan oudere koninklijke oorkonden aantoont. Een redactie van de oorkondetekst door het Sint-Servaaskapittel ligt dan ook voor de hand, mogelijk zelfs op basis van een oudere koninklijke oorkonde. Een mogelijke slip of the pen, waarbij sprake is van ‘ad usum confratrum’ in plaats van het gebruikelijke ‘ad usus fratrum’, lijkt impliciet in die richting te wijzen. Overigens is de oorkondetekst perfect aangepast aan de politieke constellatie na de zogenaamde staatsgreep van Kaiserswerth begin april 1062, waarbij het regentschap over de onmondige Hendrik aan diens moeder Agnes werd ontnomen en overgedragen aan Anno, aartsbisschop van Keulen. De formulering ‘ob interventum ac petitionem dilecte genitricis nostre Agnetis imperatricis auguste’, standaard in de oorkonden van Hendrik IV vóór april 1062, is in onderhavige oorkonde dan ook achterwege gelaten.
In het verlengde van de paleografische bevindingen die Niermeyer tot een uiterste ontstaansdatum van het falsum ca. 1174 brachten, zocht hij naar inhoudelijke argumenten die pleiten tegen de in zijn ogen verdachte passages inzake de positie van de proost. Hij voerde daarbij met name oorkonden uit 1128/1130 en 1130 aan, waarin voor het eerst de geschillen tussen proost en kapittel worden vermeld en een tegen de proost gerichte clausule voorkomt. Op grond van deze twaalfde-eeuwse oorkonden achtte hij de in onderhavige oorkonde gestelde bepalingen ten aanzien van de proost onmogelijk. Het feit dat vóór 1128/1130 geen andere documenten zijn overgeleverd waarin sprake is van conflicten of uitsluiting van de proost, is echter geen argument om de bepalingen in 1062 anticiperend te noemen of als een falsum te beschouwen.
Een oorkonde uit 1050 zou nader licht kunnen werpen op een mogelijk zelfstandige positie van het kapittel vóór 1062. Hierin draagt Godfried II met de Baard van Lotharingen het allodium te Ramioul over aan het Sint-Servaaskapittel ‘ad usum fratrum ibidem Deo et sancto Servatio famulantium … eo iure et libertate qua possedi … et ut nullum advocatum habeant preter advocatum altaris sancti Servatii, scilicet ipsum regem’. Helaas kan deze oorkonde geen adstruerende rol vervullen ten aanzien van de echtheid van de onderhavige oorkonde, omdat ze wordt beschouwd als een twaalfde-eeuws falsum door het Sint-Servaaskapittel (origineel berustend te Luik, Rijksarchief, archief abdij Val-Saint-Lambert, nr. 2; voor een editie alsmede de literatuurverwijzingen naar o.m. Roland, Despy, Dierkens en Guilardian, zie DiBe 3402). Overigens vertoont de schrijfhand van dit falsum, waarvan de ontstaansdatum fluctueert tussen 1100 en 1200, nauwe schriftverwantschap met onderhavige oorkonde.
Ook de in 1062 vermelde hoge boete kan niet op grond van het exceptioneel karakter worden aangewend als criterium voor een falsum. Deze vermelding kan evengoed een eerste vroege en/of uitzonderlijke attestatie zijn. Deeters, die de paleografische bevindingen van Niermeyer volgt, grijpt een exact gelijke boeteformule aan in een rond 1165 vervalste oorkonde van het Sint-Servaaskapittel uit 1146, om deze als ‘Vorlage’ voor de oorkonde uit 1062 te beschouwen en bijgevolg als terminus ante quem. De redenering kan echter ook worden omgedraaid: aangezien dit falsum is ontstaan ca. 1165, kan de boeteclausule ook zijn ontleend aan onderhavige oorkonde uit 1062.
Concluderend kunnen we stellen dat de bezitsoverdracht zelf in de dispositio onbetwist is, ze wordt immers bevestigd door een elfde-eeuwse verhalende bron, en dat voor de door Niermeyer aangevoerde inhoudelijke argumenten geen verdere onderbouwing is gevonden die doorslaggevend zou zijn voor het falsifiërend karakter van onderhavige oorkonde. Niet alleen vervalt de bodem onder een datering in de twaalfde eeuw door de correctie van de paleografische bevindingen van Niermeyer, een scriptio in 1062 kan op paleografische gronden ook niet worden uitgesloten. Ook de dictaatanalyse leidt tot andere conclusies, die een destinatarisuitvaardiging zeer waarschijnlijk maken. Een vervalsing van onderhavige oorkonde lijkt ons dan ook niet bewezen.
Lokalisering
Volgens Driessen, ‘Silva Ketela’, kol. 101-106, is silva, Ketela dicta te identificeren met het Ketelwoud, het Rijkswoud of ‘Koninklijk Woud’ van Nijmegen. Gysseling en Koch lokaliseren deze plaats niet (onbekend).

Urkunde 2
Reinier, Dekan, und das Kapitel Unserer-Lieben-Frau in Maastricht erklären, dass Lambert Sutor und seine Mutter mit ihrer beider Zustimmung Äcker in Houthem an das Kloster Sint-Gerlach in Houthem verkauft haben. Diese Felder waren Abgabenpflichtig an das Kapitel. Der Verkauf wurde von Willem, Pfarrer in Houthem und Kanoniker des Kapitels Unserer-Lieben-Frau, veranlasst.
Reinier, deken, en het kapittel van Onze-Lieve-Vrouw te Maastricht verklaren dat Lambert Sutor en zijn moeder door de hand van hun medekanunnik Willem, parochiepriester, met hun toestemming aan het kapittel cijnsplichtige akkers te Houthem hebben verkocht aan het klooster Sint-Gerlach (te Houthem).
Origineel
A. Maastricht, RHCL, toegangsnr. 14.D003, archief klooster Sint-Gerlach te Houthem, inv. nr. 38, reg. nr. 3.
Aantekeningen op de achterzijde: 1° door 13e-eeuwse hand: Littera terre Lamberti Sutoris de Houtheim et matris eiusdem en parum valet. – 2° door laatste kwart 14e-eeuwse hand: U j. – 3° door 17e-eeuwse hand: 1231. – 4° door 18e-eeuwse hand: Num. 80.
Bezegeling: één uithangend bevestigd zegel, dat aangekondigd is, namelijk: S1 van het kapittel van Onze-Lieve-Vrouw te Maastricht, van witte was, beschadigd. Voor een beschrijving en afbeelding van S1, zie Venner, ‘Zegels klooster Sint-Gerlach’, 155.
Afschrift
B. 1735, Maastricht, RHCL, toegangsnr. 14.D003, archief klooster Sint-Gerlach te Houthem, inv. nr. 1 (cartularium) = Privelegien ende register der obligatien en andere erffcontracten des adelijcken cloosters van St. Gerlach, p. 126-127, onder de rubriek: Renuntiatio domini decani et capituli beate Marie in Trajecto super certos census ex bonis in Holtheijm, en in de marge: Num. 80, met opgave van één bezegelingsplaats, naar A.
Uitgave
a. Franquinet, Beredeneerde inventaris St. Gerlach, IV, 5-6, nr. 3, naar A.
Regesten
Haas, Inventaris Sint Gerlach, 68, reg. nr. 3. – Idem, Chronologische lijst, 39, reg. nr. 69.
Datering
Aangenomen is dat de bisschoppen van Luik omstreeks 1230 overgegaan zijn van kerststijl naar paasstijl en dat de religieuze instellingen in het bisdom dit pas enige tijd later hebben gevolgd, zie Camps, ONB I, XXI. Bijgevolg is voor de datering van onderhavige oorkonde het gebruik van de kerststijl verondersteld.
Tekstuitgave
Het onderscheid tussen c en t is niet goed zichtbaar.

Urkunde 2
Der römische König Otto III. überträgt Ansfried das Eigentum an den Gütern, die der Graf bisher zu Lehen hatte, mit allen damit verbundenen Vorteilen, unter anderem an Grundstücken, Gebäuden, Gewässern und Straßen. Außerdem darf Ansfried entscheiden, was mit all dem geschehen soll. Dazu gehören ein Teil de Zölle, der Münze und der Cijns in Medemblik sowie Güter, die sich in der Grafschaft Friesland und in dem Land Niedermaas befinden. Otto nimmt diese Eigentumsübertragung durch die Fürsprache seiner Mutter Theophano vor.
Rooms-koning Otto III schenkt op voorspraak van keizerin Theofano en door tussenkomst van de aartsbisschop van Mainz en de bisschoppen van Worms en Luik aan graaf Ansfried een deel van de koninklijke inkomsten uit de tol, munt en cijns te Medemblik, dat deze tot nu toe van hem in leen hield, alsook de van de koning gehouden lenen in het graafschap Friesland en in Nedermaasland.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 01.187A, archief Vrije Rijksheerlijkheid Thorn, inv. nr. 2 (zwaar beschadigd).
Uitgave
a. Koch, OHZ I, 100-103, nr. 54, naar A.

Urkunde 2
Papst Calixtus II. bestätigt auf Ersuchen von Abt Richer und den Kanonikern von Kloosterrade die Lebensregel der Abtei, nimmt die Abtei und alle ihre Güter in seinen Schutz, veranlasst die Wahl des Abtes und bestimmt, dass die Zehnten der von ihr bewirtschafteten Güter der Abtei gehören.
Paus Calixtus II bevestigt op verzoek van abt Richer en de kanunniken van Kloosterrade de leefregel van de abdij, neemt de abdij en al haar goederen in zijn bescherming, regelt de verkiezing van de abt en bepaalt dat de tienden van door haar bewerkte goederen aan de abdij toekomen.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.D004, archief abdij Kloosterrade, inv. nr. 674.
Uitgave
a. Polak en Dijkhof, Oorkondenboek Kloosterrade, 9-12, nr. 2, naar A.
Datering en echtheid
Voor de datering en de eventuele onechtheid van deze oorkonde, zie de uitgave van Polak en Dijkhof.

Urkunde 2
Kaiser Heinrich IV. erhebt das Sint-Servaaskapitel in Maastricht zum Reichskapitel, reserviert die Propstei dem königlichen oder kaiserlichen Kanzler und die Vogtei über den Sint-Servaasaltar sich selbst und seinen Rechtsnachfolgern .
Keizer Hendrik IV maakt het Sint-Servaaskapittel te Maastricht rijksonmiddellijk, reserveert de proosdij voor de koninklijke of keizerlijke kanselier en de voogdij van het Sint-Servaasaltaar voor zichzelf en zijn rechtsopvolgers.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002A, archief kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 36. Beschadigd met tekstverlies.
Bezegeling: één opgedrukt zegel, dat niet aangekondigd is, namelijk: S1 van keizer Hendrik IV, van witte was, beschadigd. Voor een beschrijving en afbeelding van S1 en de problematische toewijzing, zie Venner, ‘Zegels’, nr. 41.
Afschriften
B. 1232 december, Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002A, archief kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 39, insertie in een oorkonde van keizer Frederik II, naar A. – C. tweede kwart 13e eeuw, Ibidem, idem, inv. nr. 37, vidimus door het Onze-Lieve-Vrouwekapittel te Maastricht, naar A. – D. 1273 oktober 15, Ibidem, idem, inv. nr. 40, vidimus door meester Boudewijn van Autre-Église, kanunnik van het domkapittel te Luik en officiaal van Luik, naar B. – E. 1282 april 9, Ibidem, idem, inv. nr. 42, insertie in een oorkonde van rooms-koning Rudolf I, naar B. – F. vóór 1768, Ibidem, toegangsnr. 22.001A, Handschriftencollectie (voormalig) Gemeentearchief Maastricht, 14de-20ste eeuw, inv. nr. 199a (cartularium) = Diplomata Trajectensia de anno 800 ad 1399, p. 101-103, onder de rubriek: Diploma Henrici quarti, regis et imperatoris, quo ecclesia Sancti Servatii declarat omnino libera ab omni iurisdictione, solum tantum sub rege et imperatore qui etiam solus habet collationem prepositure et avocatie altaris sancti Servatii in eadem ecclesia, datum Aquisgrani, indictione X 1087, gewaarmerkt afschrift door G.J. Lenarts, stadssecretaris van Maastricht, naar A.
Uitgaven
a. Nelis, ‘Examen’, 13-14, naar A. – b. Muller en Bouman, OSU I, 225, nr. 251, naar A. – c. Gysseling en Koch, Diplomata Belgica I, 384-386, nr. 231, naar A. – d. Gladiss, Die Urkunden Heinrichs IV., VI-2, 522-523, nr. 395, naar A. – e. Hackeng, Het middeleeuwse grondbezit, 311-312, nr. 96c (onvolledig), naar d. – f. DiBe ID 5153, naar d.
Regesten
Zie Gladiss, Die Urkunden Heinrichs IV., VI-2, 522, nr. 395, en DiBe ID 5153.
Echtheid en ontstaan
Onderhavige oorkonde wordt, niet op inhoudelijke gronden maar op basis van de uiterlijke kenmerken, sinds de negentiende eeuw aangemerkt als een falsum. Stumpf-Brentano, Die Reichskanzler, 240-241, nr. 2886, stelt dat deze oorkonde een pseudo-origineel is. Blijkens Waitz, Die Deutsche Reichsverfassung, 356, komt de proosdij van Sint-Servaas te Maastricht enkel aan de rijkskanselier toe ‘nach einer freilich falschen Urkunde’, namelijk onderhavige oorkonde. De toekenning berust volgens hem wel op gewoonterecht. Ook Ficker, Vom Reichsfürstenstande, 363, Bresslau, Handbuch der Urkundenlehre, 453, en Meyer von Knonau, Jahrbücher des Deutschen Reiches, 159, spreken over een pseudo-origineel, maar hebben geen bedenkingen tegen de echtheid van de inhoud. Ficker wijst erop dat het Sint-Servaaskapittel rijksonmiddelijk was, zoals ook blijkt uit een regeling die Hendrik V in 1109 treft door tussenkomst van hun proost, rijkskanselier Adelbert (zie Collectie Sint-Servaaskapittel, nr. 3).
Nelis, ‘Examen’, 9, stelt dat ‘paléographiquement parlant, le diplȏme a l’aspect des plus bizarres’. Hij geeft aan dat de signumregel en het monogram niet door dezelfde hand zijn geschreven als de rest van de oorkonde. Er is ook uitzonderlijk weinig ruimte tussen de voorlaatste regel van de oorkondetekst en de signumregel, iets wat zelden voorkomt bij oorkonden die het werk zijn van de keizerlijke kanselarij. Dit gevoegd bij het feit dat de signumregel en het monogram van een andere hand zijn, brengt hem tot de veronderstelling dat onderhavige oorkonde een blanket zou zijn. Hierbij zou het perkament onbeschreven zijn, met uitzondering van de signumregel en het monogram, afgeleverd door keizer Hendrik IV, waarna de destinataris, het Sint-Servaaskapittel te Maastricht, de oorkondetekst zou hebben geschreven. Hij signaleert ook het ontbreken van het chrismon. De geoblongeerde invocatio is volgens hem het werk van een onervaren notarius in de kanselarij danwel van een scriptor daarbuiten. Ook het beverige schrift van de invocatio wijst op een schrijfkracht die niet vertrouwd is met dit schrifttype en die paleografisch niet gelinkt kan worden aan de scriptores van de Duitse koningen en keizers. Hij dateert beide schrijfhanden aan het eind van de elfde/begin van de twaalfde eeuw.
Nelis geeft aan dat de slotwoorden ‘G. filius eius cum multis aliis’ niet het originele einde van de tekst kunnen zijn geweest, gezien de rasuur die daarna en daaronder volgt. Zijn experiment met een chemisch preparaat bracht nog een (onleesbare) tekstregel aan het licht ter hoogte van de rasuur. Hij veronderstelt dat de geradeerde woorden onderdeel hebben uitgemaakt van de geoblongeerde ondertekening door de kanselier en twijfelt er niet aan dat hier ‘Hermannus, cancellarius vice Wezelonis, archicancellarii, recognovi’ moet hebben gestaan. Voor de transcriptie van ‘Hermannus’ baseert hij zich op de editie van De Borman, ‘Notice’, 14-15, die een andere oorkonde uit 1087, inzake Echt, uitgaf naar een cartularium van Sint-Servaas dat wordt bewaard te Parijs (Bibliothèque Nationale, Fonds Latin, Manuscrits nr. 9307/2). Blijkens dat cartularium is de spelling echter ‘Herimannus’, zoals gebruikelijk in de originele oorkonden van Hendrik IV (zie Gladiss, Die Urkunden Heinrichs IV., VI-2).
Ten aanzien van het zegel signaleert hij een vormloos restant dat onhandig is gerestaureerd en qua formaat niet overeenstemt met dat van keizer Hendrik IV. Dat zou zijns inziens dubbel zo groot moeten zijn geweest en een gedeelte van het woord ‘imperatoris’ in de signumregel hebben bedekt. Bijgevolg concludeert hij dat het zegel met zekerheid ná het schrijven van deze regel moet zijn aangebracht.
Gysseling en Koch, Diplomata Belgica I, 384-385, stellen ook vraagtekens bij de echtheid van onderhavige oorkonde, maar onderbouwen hun twijfels niet. Zij kwalificeren deze als een mogelijk gelijktijdige vervalsing.
Gladiss, Die Urkunden Heinrichs IV., VI-2, 522, beschouwt de oorkonde op basis van het schrift als een falsum en dateert de vervaardiging in het begin van de twaalfde eeuw. Hij wijst op de vouwen van het perkament die vóór de scriptio al aanwezig waren en waar men omheen heeft geschreven, én op de lichtere inkt waarmee de signumregel en het monogram zijn aangebracht. Hij is het echter, zonder nadere argumentatie, niet eens met Nelis dat we hier te maken zouden hebben met een blanket dat was voorzien van een echt zegel en een signumregel, aangebracht door de kanselarij. Deze mogelijkheid wordt op inhoudelijke gronden ook verworpen door Deeters, Servatiusstift, 41-42. Ten aanzien van de bezegeling constateert Gladiss ‘das Siegel ist roh gearbeitet und unecht’, een observatie die ook door Deeters is overgenomen. De vroege datering van het falsum door Gysseling en Koch, die door Gladiss is verworpen, vindt ook geen navolging bij Deeters. Hübinger, ‘Libertas imperii’, 93, tenslotte dateert het schrift van het falsum in de twaalfde eeuw.
Volgens Nelis, o.c., 14-17, wijkt het dictaat in onderhavige oorkonde wezenlijk af van de door de kanselarij uitgevaardigde oorkonden. Dit betreft de invocatio, intitulatio, arenga, plaats van de datatio en het ontbreken van de subscriptio door de kanselier. Wel heeft hij dictaatverwantschap aangetroffen met de in afschrift overgeleverde oorkonde d.d. 1087, waarin Hendrik IV de teruggave van de kerk van Echt aan het Sint-Servaaskapittel bevestigt (berustend te Parijs, Bibliothèque Nationale, Fonds Latin, Manuscrits nr. 9307/2; voor een editie, zie Gladiss, o.c., 521-522, nr. 394).
Gladiss, o.c., 522, signaleert eveneens de door Nelis genoemde dictaatontleningen door de falsaris. In zijn editie van de oorkonde van Hendrik IV uit 1087 inzake Echt stelt hij dat ook deze Vorlage een aantal onregelmatigheden bevat, maar hij ziet hierin geen aanleiding om die oorkonde tot een falsum te bestempelen. Het stuk moet volgens hem zonder betrokkenheid van de rijkskanselarij zijn ontstaan. Wat de onderhavige oorkonde betreft, gaat hij ervan uit dat met het opmaken ervan in het beste geval een situatie werd geconsolideerd waarbij de proosdij van Sint-Servaas verbonden was met het ambt van de Duitse kanseliers, met als eerste Adelbert onder Hendrik V ca. 1109.
Deeters, o.c., 41-42, signaleert in navolging van Nelis en Gladiss de dictaatverwantschap met de oorkonde inzake Echt uit 1087. Hij oppert tevens dat, gezien de rasuren, het perkament van de oorkonde voor Echt mogelijk voor de onderhavige oorkonde is benut. Dit kan echter worden betwijfeld, aangezien de rasuren niet de gehele oorkondetekst betreffen, maar slechts incidentele woorden, afgezien van de omvangrijke rasuur links op en onder de signumregel.
Evenmin als andere auteurs twijfelt Nelis aan de echtheid van de inhoud. In onderhavige oorkonde wordt de rijksonmiddellijkheid geproclameerd, de geestelijke en wereldlijke onafhankelijkheid van het kapittel vastgelegd en de pretenties van lastige voogden uitgesloten. Dit alles moet volgens hem worden gezien in het licht van de aanhoudende en langdurige conflicten vanaf het midden van de elfde eeuw tussen het kapittel en diverse partijen, zoals die met een rijke Keulse burger, paltsgraaf, Brabantse hertog, graaf van Namen, graaf van Wassenberg en bisschop van Utrecht. Het conflict met de graaf van Wassenberg werd pas beslecht door interventie van keizer Lotharius III in 1128.
De clausule over de proosdij pleit volgens Nelis voor de inhoudelijke echtheid. De toewijzing van de proosdij van Sint-Servaas aan de kanselier van het Roomse Rijk, en dus niet aan het Sint-Servaaskapittel zelf, zal niet vanuit het kapittel zijn geëntameerd. Bovendien is deze clausule niet anachronistisch te noemen, want de cumulatie van het kanselierschap met het proosdijschap van andere kapittels is vanaf de elfde eeuw zeer gebruikelijk. De vastlegging van de onafhankelijkheid ten opzichte van elke wereldlijke macht behoudens die van de keizer is volgens Nelis verklaarbaar vanuit de problematische verhouding tot de aartsbisschop van Trier aan het eind van de elfde eeuw. Hij ziet in de oorkonde van 1087 een echo van de sentimenten tegen Trier als oudste kerk van het Duitse Rijk, zoals die zijn verwoord in de verhalende bronnen. Een terugkeer naar de situatie waarin de Sint-Servaaskerk toebehoorde aan Trier moest te allen tijde worden vermeden (ten aanzien van de verlening en schenking aan Trier en de verwikkelingen tussen Oost- en Westfrankische koningen en de aartsbisschoppen van Trier, zie Hackeng, o.c., 37-38).
Nelis, o.c., 32, concludeert tenslotte dat het Sint-Servaaskapittel rond 1087 of in datzelfde jaar door keizer Hendrik IV wordt begunstigd met een drieledig doel: het bewerkstelligen van de onafhankelijkheid ten opzichte van Trier en de proclamatie als keizerlijk kapittel, de vereniging van de proosdij van Maastricht met het kanselierschap van het Roomse Rijk en de bescherming van het kapittel tegen de inbreuken van lekenvoogden. De onderhavige oorkonde is volgens hem niet uitgevaardigd door de keizerlijke kanselarij, maar de scriptio is overgelaten aan het kapittel, dat een blanket ontving met daarop de subscriptio, het monogram en het zegel van Hendrik IV. Ook al wijkt het dictaat af van de gebruikelijke kanselarijvoorschriften, het weerspiegelt volgens hem de intenties van de oorkonder en is niet in tegenspraak met de gang van zaken in het begin van de twaalfde eeuw. Hij plaatst de vervaardiging van het falsum aan het eind van de elfde/eerste kwart van de twaalfde eeuw.
Deeters, o.c., 59-60, legt in zijn betoog sterk de nadruk op de passage over de toekenning van de proosdij aan de kanselier en de bijbehorende voogdijuitoefening, wat daadwerkelijk het geval was in de eerste helft van de twaalfde eeuw. Dit brengt hem meer bepaald tot een vervaardiging van het falsum onder proost Gerard van Are (1154-1160). In deze periode stond de functievereniging onder druk, want Gerard van Are was sinds lange tijd de eerste proost die de proosdij niet via zijn verbinding met de Duitse hofkapel of kanselarij verwierf. Zijn opvolger daarentegen, Christiaan von Buch, als proost van het Sint-Servaaskapittel bekend in 1164-1165, combineerde sedert 1162 wel weer beide functies. Het is ons inziens echter zeer de vraag of deze tijdelijke onderbreking inzake de functievervulling bij het Sint-Servaaskapittel zou hebben geleid tot de behoefte aan een keizerlijke oorkonde. Overigens treffen we de oudste vermelding van het Sint-Servaaskapittel als een keizerlijk kapittel al aan in een oorkonde van keizer Lotharius III uit 1132 (zie de uitgave bij Ottenthal en Hirsch, Die Urkunden Lothars III. und der Kaiserin Richenza, 66-68, nr. 41), wat een proclamatie als keizerlijk kapittel vóór 1154-1160 adstrueert. De door hem gesuggereerde ontstaansdatum van het falsum in de tweede helft van de twaalfde eeuw moet ons inziens worden afgewezen.
Ook de visie van Linssen, Historische opstellen, 130 e.v., kunnen we ten aanzien van de ontstaansdatum van het falsum niet onderschrijven. Geheel voorbijgaand aan het betoog van Nelis verbaast hij zich over het feit dat de oorkonde, indien deze in het begin van de twaalfde eeuw zou zijn vervaardigd, zoals Gladiss veronderstelt, niet eerder dan in 1232 wordt vermeld. Er is volgens hem meerdere malen aanleiding geweest om de oorkonde als bewijsvoering in te zetten. Hiermee doelt hij op het ondubbelzinnig bewijs van rijksonmiddellijkheid en de immuniteitsrechten, die in de oorkonde van 1087 worden gestipuleerd. Op grond van de inhoud dateert hij de vervaardiging pas in de eerste decennia van de dertiende eeuw. Volgens hem verzet men zich in de oorkonde tegen het in leen geven, wat niet in de elfde eeuw is gebeurd, maar pas in 1204. Toen beleende koning Filips van Zwaben de hertog van Brabant met Maastricht, de Sint-Servaaskerk en alles wat erbij hoorde. Ook wijst hij op het moment in 1214 waarop de hertog van Brabant na een bewogen periode Maastricht weer verwierf en erfelijk in leen kreeg. Dit kan ons inziens echter geen rol hebben gespeeld bij het kapittel, aangezien de Sint-Servaaskerk hierbij niet was inbegrepen (zie Hackeng, o.c., 86). Volgens Linssen past de formulering waarin alle koninklijke rechten afhankelijk zijn van de paus en de Heilige Stoel in de korte periode na de vrede van San Germano en Ceprano, gesloten op 23 juni 1230. Als verklaring voor het feit dat het falsum uit 1087 overduidelijk niet is geschreven door een dertiende-eeuwse schrijfhand, beroept hij zich op een veel latere ‘antiquisering’. Dit lijkt ons op paleografische gronden niet aannemelijk. In aansluiting op het betoog van Linssen beschouwt Hackeng, o.c., 311, de onderhavige oorkonde als een falsum uit het midden van de twaalfde/eerste kwart van de dertiende eeuw.
Terecht zijn door meerdere auteurs bedenkingen geuit tegen een aantal uiterlijke kenmerken van onderhavige oorkonde, maar er is geen bewijs tegen een inhoudelijke datering in 1087. Problematisch blijven, ook ingeval sprake zou zijn van een destinatarisuitvaardiging, de bevestiging van het zegel uiterst rechts van het perkament, de plaats van de signumregel en de geradeerde regel naast en onder de laatste woorden van de oorkondetekst. De plaats van het zegel blijft bevreemdend, maar de stellige overtuiging van Nelis dat het restant niet overeenstemt met het formaat van het zegel van keizer Hendrik IV kan niet worden onderschreven. Allereerst is volgens Venner, ‘Zegels’, nr. 41, omstreeks 1972 al geconstateerd dat de fragmenten van het zegel in het verleden verkeerd zijn samengevoegd. De slechte staat van het zegel werd overigens al in de zeventiende eeuw geconstateerd, blijkens een gewaarmerkt afschrift d.d. 28 mei 1668: ‘et erat subimpressum sigillum ex parte confractum pre vetustate’ (zie Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002A, archief kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 12, fol. 34). Ook kan worden aangevoerd dat er een ruimte van 8 cm doorsnede is voorzien op het perkament ten behoeve van het zegel. Het formaat van het ronde zegel van Hendrik IV aan een oorkonde uit 1062 bedraagt zonder rand in doorsnede 6,8 cm (Karlsruhe, Generallandesarchiv, Signatur A 97). Voor het koningszegel was dus voldoende ruimte. Het ronde keizerszegel aan een oorkonde uit 1102 heeft een doorsnede zonder rand van 9 cm (Ibidem, Signatur A 116). Hierdoor zou het zegel een klein deel van de oorkondetekst bedekken. Bij dit minimale verschil moet in acht worden genomen dat er ook meerdere oorkonden bekend zijn waar een deel van de oorkondetekst onder het opgedrukt zegel staat. Bijvoorbeeld in een oorkonde van Otbert, bisschop van Luik, d.d. 1096 (Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B001, archief kapittel van Onze Lieve Vrouw te Maastricht, 1096-1796, inv. nr. 640), van Frederik II, aartsbisschop van Keulen, d.d. [1157 december 25 -] 1158 [december 15] (Ibidem, toegangsnr. 14.D004, archief abdij Kloosterrade, inv. nr. 802,2), van de magistra van de Sint-Mauritiuskerk te Keulen uit 1158 (Ibidem, toegangsnr. 14.B001, archief kapittel van Onze Lieve Vrouw te Maastricht, 1096-1796, inv. nr. 633) en van de abdis van Thorn d.d. (1171 december 25 -) 1172 (september 23) (Ibidem, toegangsnr. 01.187A, archief Vrije Rijksheerlijkheid Thorn, inv. nr. 6). Het kan dus niet worden uitgesloten dat onderhavige oorkonde toch was bezegeld met het keizerszegel van Hendrik IV.
Een goed onderbouwde verklaring voor de geradeerde tekst blijft moeilijk, omdat de bevindingen van Nelis niet meer controleerbaar zijn. Bij onderzoek van het perkament met een kwartslamp is geen enkel spoor aangetroffen van de geradeerde tekst. Of hier de recognitio heeft gestaan, blijft dus ongewis. Indien dit wel het geval was, dan zou de rasuur in de richting kunnen wijzen van een recognitio die men later noodgedwongen heeft verwijderd, bijvoorbeeld omdat de kanseliersnaam niet (meer) in overeenstemming was met de functionaris ten tijde van de validering van de oorkonde. Het lijkt er sterk op dat de tekst al in een vroeg stadium ná de scriptio is uitgewist, aangezien deze niet is opgenomen in de oorkonde van Frederik II d.d. 1232 december (zie Collectie Sint-Servaaskapittel, nr. 16), in het vidimus door het Onze-Lieve-Vrouwekapittel te Maastricht uit het tweede kwart dertiende eeuw (zie Collectie Sint-Servaaskapittel, nr. 18) en in geen van de naar het origineel gekopieerde afschriften in de cartularia.
Bresslau, Handbuch der Urkundenlehre, 460-462, en Gladiss en Gawlik, Die Urkunden Heinrichs IV., VI-1, XLIII-XLV, geven aan dat destinatarissen in deze periode vaak een groot aandeel hadden in de uitvaardiging van de koninklijke en keizerlijke oorkonden, zowel in de redactio als de scriptio. Hierbij deden zich allerlei mengvormen voor, waarbij onder meer de destinataris de context en delen van het protocol kon munderen, hetzij naar een door de destinataris zelf, hetzij naar een door de kanselarij aangeleverd dictaat, waarna de kanselarijkrachten enkel nog de valideringsformules van het eschatocol of delen daarvan toevoegden. Een verdergaande vorm is de overhandiging van een blanket door de kanselarij aan de destinataris met enkel de valideringsformules, waar de ontvanger dan de tekst kon opschrijven die daarna bij de bezegeling werd gecontroleerd; of men liet de scriptio geheel over aan de destinataris en voegde later enkel de bezegeling toe en het monogram.
Er zijn dus vele vormen denkbaar bij de vervaardiging van onderhavige oorkonde. Een kanselarijuitvaardiging kan met zekerheid worden uitgesloten; het schrift en dictaat is toe te wijzen aan de ontvanger, het Sint-Servaaskapittel te Maastricht. Indien men de redenering van Nelis inzake het blanket volgt, waarbij de kanselarij het onbeschreven en gevouwen perkament met de signumregel en het monogram aan het Sint-Servaaskapittel zou hebben overhandigd, dan rijst nog steeds de vraag waarom de signumregel halverwege het perkament zou zijn geschreven, onmiddellijk volgend op een rasuur. Bij de door de kanselarij van de rooms-koningen en keizers uitgevaardigde oorkonden wordt de signumregel namelijk niet naast, maar onder de oorkondetekst geplaatst; ook bevestigt men het zegel nooit rechtsboven de signumregel (cf. http://www.hgw-online.net/abbildungsverzeichnis/deutschland/salier/heinrich-iv; Gladiss en Gawlik, Die Urkunden Heinrichs IV., VI-1, XCVI-XCVII). Overigens is het zegel niet aangekondigd, wat hoogst ongebruikelijk is.
Volgen we de visie van Nelis niet inzake het blanket, dan komt een scriptio van de oorkondetekst door het Sint-Servaaskapittel in beeld, zonder de signumregel, maar mogelijk wel met de recognitio die later in de kanselarij, bij de bezegeling en het schrijven van de signumregel, kan zijn geradeerd. Het kan niet worden uitgesloten dat de geoblongeerde invocatio door dezelfde hand als die van de oorkondetekst is geschreven, ook al is een lichtere inkt gebruikt. De signumregel is wel door een andere hand toegevoegd.
Onderhavige oorkonde is uitgevaardigd in 1087, in een voor de kanselarij turbulente periode. Op 4 oktober 1084 wordt voor het eerst sedert 1077 weer een (Duitse) aartskanselier genoemd, namelijk Wezelo van Mainz (zie Gladiss en Gawlik, Die Urkunden Heinrichs IV., VI-1, XLI, en Gladiss, Die Urkunden Heinrichs IV., VI-2, nr. 369). Deze oorkonde is gerecognosceerd door kanselier Gebehard. Een maand later is een keizerlijke oorkonde uitgevaardigd zonder recognitio (Gladiss, o.c., nr. 370), ook al stierf Gebehard pas op 26 juni 1089. Op 1 juni 1085 blijkt Heriman voor het eerst in twee falsa te zijn vermeld als zijn opvolger (Gladiss, o.c., nrs. 373 en 374). In een onverdachte oorkonde d.d. 1085 november 9 wordt Burchard, kanselier van de Italiaanse kanselarij, genoemd (Gladiss, o.c., nr. 376) en pas op 28 december 1085 treffen we de eerste vermelding aan van kanselier Heriman in een onverdachte oorkonde (Gladiss, o.c., nr. 377). Zijn laatste recognoscering dateert van 5 april 1089 (Gladiss, o.c., nr. 405). Uitgaand van een vervaardiging van onderhavige oorkonde in 1087, moet de observatie van Gladiss, o.c., 524-525, nr. 396, in acht worden genomen bij een keizerlijke oorkonde uit datzelfde jaar: ‘In der Datierung findet sich kein Anhaltspunkt einer Beteiligung der Kanzlei; doch scheint damals überhaupt durch einen Wechsel der Notare deren regelmäßiger Geschaftsgang gestört gewesen zu sein’. Een niet onbelangrijk element in het licht van de opmerkelijke uiterlijke kenmerken van onderhavige oorkonde. Concreet blijken afwijkende uiterlijke kenmerken in deze periode ook uit Gladiss, o.c., 502-503, nr. 377, d.d. 28 december 1085, waar het labarum vóór het chrismon staat en de recognitio rechts boven de keizerlijke subscriptio. Ook deze oorkonde is buiten de kanselarij tot stand gekomen.
In het licht van het bovenstaande is het zeer goed denkbaar dat het Sint-Servaaskapittel de oorkondetekst van onderhavige oorkonde heeft geredigeerd en geschreven, inclusief de recognitio, waarna die ter bezegeling en recognoscering aan de keizerlijke kanselarij is voorgelegd. De verstoring van de gang van zaken ter kanselarij kan ertoe hebben geleid dat een en ander pas na het overlijden van kanselier Heribert is geëffectueerd, wat het raderen van de recognitio en de vreemde plaats van de signumregel zou kunnen verklaren. Dat deze oorkonde was bezegeld met een onecht zegel van Hendrik IV, zoals Gladiss aangeeft en voor hem de vervalsing adstrueert, kunnen we niet onderschrijven. Het zegel was immers in de zeventiende eeuw al zwaar beschadigd en ten tijde van zijn onderzoek onherroepelijk gefragmenteerd en foutief gerestaureerd.
Hoewel deze oorkonde wordt gekenmerkt door een aantal opvallende uiterlijke en innerlijke kenmerken, lijkt een vervalsing hier niet aan de orde. De oorkonde is zonder meer een destinatarisuitvaardiging, wat een aantal bijzonderheden verklaart, en de inhoud staat niet ter discussie. In navolging van Nelis lijkt het er sterk op dat het Sint-Servaaskapittel ernaar heeft gestreefd om zijn bijzondere band met de Duitse koningen en keizers en daaruit voortvloeiend zijn unieke positie ten opzichte van andere heersers door middel van een schriftelijk stuk te waarborgen. En passant werd de dan vigerende combinatie van het kanselier- en proosdijschap van Sint-Servaas eveneens vastgelegd. Bij het dictaat heeft het Sint-Servaaskapittel zich gebaseerd op de thans slechts in afschrift overgeleverde oorkonde van Hendrik IV inzake Echt, een destinatarisuitvaardiging door het kapittel, die eveneens in 1087 is verleend.
Samenhang
Voor de bevestiging van onderhavige oorkonde door keizer Frederik II d.d. 1232 december en door rooms-koning Rudolf I d.d. 1273 november 5, zie Collectie Sint-Servaaskapittel, nrs. 16 en 37. Voor de bevestiging d.d. 1282 april 9 van de oorkonde van Frederik II d.d. 1232 december, zie Collectie Sint-Servaaskapittel, nr. 49. Voor het vidimus uit het tweede kwart van de dertiende eeuw door het Onze-Lieve-Vrouwekapittel te Maastricht, zie Collectie Sint-Servaaskapittel, nr. 18.
Tekstuitgave
In onderhavige oorkonde zijn tekstdelen ontleend aan de oorkonde van keizer Hendrik IV d.d. 1087 inzake de kerk van Echt. Voor de tekst van deze oorkonde, zie Gladiss, Die Urkunden Heinrichs IV., VI-2, 521-522, nr. 394. Voor de tekstdelen die aan deze vooroorkonde zijn ontleend en afgedrukt zijn in een kleiner lettertype, zie Van Synghel, Oorkonden Sint-Servaaskapittel, 36-37.

Urkunde 3
Jan Gruszere hat mit Zustimmung der Kirche Unserer-Lieben-Frau in Thorn ihre steuerpflichtigen Äcker in Houthem (in der Herrschaft Valkenburg) an das Kloster Sint-Gerlach in Houthem verkauft. Dies wurde von Rutger, dem Schulzen von Thorn, veranlasst. Dadurch erhielt die Jungfrau Clementia van Geilenkirchen, Nonne von Sint-Gerlach, diese Felder aus den Händen der Äbtissin und des Schulzen von Thorn. Die Kirche von Thorn erhält vom Kloster Sint-Gerlach die üblichen "cijns" (Zins oder Steuer) von diesen Feldern und von der toten Hand (Steuer bei Tod) nicht mehr als die doppelten "cijns". Sollte Clementia das Kloster Sint-Gerlach verlassen, um in ein Kloster mit einer strengeren Lebensregel einzutreten, oder wenn sie und ihre Mitschwestern an einen anderen Ort versetzt werden, um ein neues Kloster zu gründen, wird das Kloster Sint-Gerlach die tote Hand nicht zu diesem Zeitpunkt an die Abtei Thorn zahlen, sondern erst, nachdem ihr Tod anerkannt worden ist.
Beoorkond wordt dat Jan Gruszere met instemming van de Onze-Lieve-Vrouwekerk te Thorn door de hand van Rutger, schout van Thorn, cijnsplichtige akkers te Houthem in de heerlijkheid Valkenburg heeft verkocht aan het klooster Sint-Gerlach (te Houthem) en dat jonkvrouwe Clementia van Geilenkirchen, non aldaar, deze uit handen van de abdis en de schout van Thorn ontvangen heeft op voorwaarde dat het klooster Sint-Gerlach bij haar uittreding om een nieuw klooster te stichten, de dode hand pas zal betalen aan Thorn na erkenning van haar dood door Thorn.
Origineel
A. Maastricht, RHCL, toegangsnr. 14.D003, archief klooster Sint-Gerlach te Houthem, inv. nr. 39, reg. nr. 12.
Aantekeningen op achterzijde: 1° door laatste kwart 14e-eeuwse hand: G j. – 2° door 17e-eeuwse hand: 1232. – 3° door 18e-eeuwse hand: Num. 77.
Bezegeling: één uithangend bevestigd zegel, dat aangekondigd is, namelijk: S1 van Hildegonde, abdis van Thorn, van witte was, beschadigd. Voor een beschrijving en afbeelding van S1, zie Venner, ‘Zegels klooster Sint-Gerlach’, 156.
Afschriften
B. 1287 augustus 9, Maastricht, RHCL, toegangsnr. 01.187A, archief Vrije Rijksheerlijkheid Thorn, inv. nr. 69, door Willem, proost van Sint-Gerlach te Houthem, naar A. – C. 1735, Maastricht, RHCL, toegangsnr. 14.D003, archief klooster Sint-Gerlach te Houthem, inv. nr. 1 (cartularium) = Privelegien ende register der obligatien en andere erffcontracten des adelijcken cloosters van St. Gerlach, p. 123-124, onder de rubriek: Renuntiatio ecclesie Thorensis de uno et viginti denariis Leodiensibus super agris in Houthem, en in de marge: Num. 77, met opgave van één bezegelingsplaats, naar A.
Uitgave
a. Franquinet, Beredeneerde inventaris St. Gerlach, IV, 6-7, nr. 4, naar A (gedateerd 1232).
Regesten
Habets, Archieven Thorn, 12, nr. 12 (gedateerd 1232). – Haas, Inventaris Sint Gerlach, 68-69, reg. nr. 4 (gedateerd 1232). – Idem, Chronologische lijst, 41, reg. nr. 76 (gedateerd 1232).
Datering
Aangenomen is dat de bisschoppen van Luik omstreeks 1230 overgegaan zijn van kerststijl naar paasstijl en dat de religieuze instellingen in het bisdom dit pas enige tijd later hebben gevolgd, zie Camps, ONB I, XXI. Bijgevolg is voor de datering van onderhavige oorkonde het gebruik van de kerststijl verondersteld. De terminus ante quem wordt bepaald door de vijfde indictie, die bij de indictio Bedana ingaat op 24 september 1232.]
Urkunde 3
Hilzondis, Gräfin van Strijen, läßt auf Anraten ihres Mannes Ansfried auf ihrem eigenen Gut Thorn eine Kirche errichten, in der sie und ihre Tochter Benedicta das klösterliche Leben führen werden. Sie schenkt dieser Kirche ihren eigenen Besitz im Lande Strijen, der einst von König Zwentibold geschenkt wurde, nämlich die Kirche von Strijen, den Geertruidenberg, die Villa Gilze mit Zubehör, die Villa Baarle mit dem von ihr gestifteten Remigius-Altar, die Burg Sprundelheim an der Merbatta und einen Wald, wie er zwischen den beiden Marken liegt.
<Hilzondis, gravin van Strijen, sticht op aanraden van haar echtgenoot Ansfried een kloosterkerk op haar eigen goed Thorn, waar zij en haar dochter Benedicta het kloosterleven zullen leiden, en schenkt aan het klooster geheel haar eigen goed in het land van Strijen, dat eertijds door koning Zwentibold was geschonken, bestaande uit de kerk van Strijen, Geertruidenberg, de villa Gilze met toebehoren, de villa Baarle met het door haar, Hilzondis, gestichte Remigiusaltaar, het slot Sprundelheim aan de Merbatta, en een bos zoals het ligt tussen de twee Marcas.>
Schijnorigineel
[<A>]. Schijnorigineel of ontwerp hiervoor niet voorhanden, of hebben mogelijk niet bestaan.
Afschrift
B. ca. 1640, Maastricht, HCL, toegangsnr. 01.187A, archief Vrije Rijksheerlijkheid Thorn, C (voorheen Brussel, ARA, Kerkelijke archieven van Brabant), voorl. inv. nr. 19231/37 = los stuk, in dorso: Fundatio in (sic) Thorn, eenvoudig afschrift, direct of indirect naar een verloren gegaan register, samengesteld door Michiel Piggen, griffier van de Raad en rekenkamer te Breda, opgesteld ca. 1545-ca. 1610, wellicht ca. 1565-1587.
Uitgave
a. Dillo-Van Synghel, ONB II, 16-29, nr. 892.
Tekstuitgave
In het Oorkondenboek van Noord-Brabant is van dit falsum niet één gereconstrueerde oorkonde uitgegeven, maar zijn de twee hoofdtradities in twee kolommen weergegeven. De vertaling is naar de oudste traditie in de linkerkolom, die de beste tekst vertegenwoordigt.

Urkunde 3
Friedrich I., Erzbischof von Köln, schenkt der Abtei Kloosterrade die Zehnten ihrer mit Weinbergen bepflanzten Urbarmachungen in Ahrweiler.
Frederik I, aartsbisschop van Keulen, schenkt de abdij Kloosterrade de tienden van haar met wijngaarden beplante ontginningen te Ahrweiler.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.D004, archief abdij Kloosterrade, inv. nr. 763.
Uitgave
a. Polak en Dijkhof, Oorkondenboek Kloosterrade, 12-14, nr. 3, naar A.
Datering en echtheid
Voor de datering en de eventuele onechtheid van deze oorkonde, zie de uitgave van Polak en Dijkhof.

Urkunde 4
Papst Gregor IX. schützt das Kloster Unserer-Lieben-Frau Sint-Gerlach in Houthem und die dort lebenden Nonnen und bestätigt das Kloster in allen seinen gegenwärtigen und zukünftigen Besitztümern.
Paus Gregorius IX neemt het Onze-Lieve-Vrouweklooster Sint-Gerlach (te Houthem) in bescherming en bevestigt het in alle huidige en toekomstige bezittingen.
Origineel
A. Maastricht, RHCL, toegangsnr. 14.D003, archief klooster Sint-Gerlach te Houthem, inv. nr. 3, reg. nr. 5. Gelinieerd. Beschadigd met tekstverlies.
Aantekeningen op de achterzijde: 1o door laatste kwart 14e-eeuwse hand: A j. – 2o door 15e-eeuwse hand: Bos. – 3° door 17e-eeuwse hand: Confirmatio possessionum bonorum et potestas a[***]. – 4° door 18e-eeuwse hand: Num. 68.
Bezegeling: geen sporen van de bezegeling door het wegsnijden aan de onderzijde van het perkament.
Afschrift
B. 1735, Maastricht, RHCL, toegangsnr. 14.D003, archief klooster Sint-Gerlach te Houthem, inv. nr. 1 (cartularium) = Privelegien ende register der obligatien en andere erffcontracten des adelijcken cloosters van St. Gerlach, p. 112-113, onder de rubriek: Bulla Gregorii, pape, exemptionis monasterii sancti Gerlaci et eiusdem bonorum, en in de marge: Num. 68, met opgave van één bezegelingsplaats, naar A.
Uitgaven
a. Franquinet, Beredeneerde inventaris St. Gerlach, IV, 7-8, nr. 5, naar A. – b. Habets, 'Houthem-Sint-Gerlach’, 219-220, nr. 14 (abusievelijk gedateerd 1376 januari 10), naar B.
Regesten
Haas, Inventaris Sint Gerlach, 69, reg. nr. 5. – Idem, Chronologische lijst, 41, reg. nr. 77.

Urkunde 4
Der römische König Heinrich II. verleiht der Abtei Thorn das Markt- und Zollrecht sowie die Gerichtsbarkeit in Thorn. Er ratifiziert auch die Übertragung der Kirchen von Bree, Hemert und Avezaath durch Bischof Notger an die Abtei.
Rooms-koning Hendrik II verleent aan de abdij van Thorn het marktrecht, het tolrecht en het rechtsgebied te Thorn en bevestigt de door bisschop Notger van Luik gedane schenking van de kerken van Bree, Hemert en Avezaath.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 01.187A, archief Vrije Rijksheerlijkheid Thorn, inv. nr. 4.
Uitgave
a. Muller en Bouman, OSU I, 154-155, nr. 163, naar A.

Urkunde 4
Adelbero II., Bischof von Lüttich, beurkundet, dass Rudolf de Turri, Ministeriale des Grafen Adolf van Saffenberg, mit Zustimmung seiner Frau Waldrade und seiner Söhne Paganus, Gevehard und Herman durch seinen Herrn, den Vormund der Abtei Kloosterrade, seinen Besitz in Hubach, auf dem ein Frauenkloster (Marienthal) errichtet wurde, der Abtei geschenkt hat, und regelt das Verhältnis zwischen der Abtei und dem Tochterkloster.
Adelbero II, bisschop van Luik, oorkondt dat Rudolf de Turri, ministeriaal van graaf Adolf van Saffenberg, met instemming van zijn echtgenote Waldrade en zijn zonen Paganus, Gevehard en Herman, via zijn heer, voogd van de abdij Kloosterrade, zijn bezit te Hubach, waarop een vrouwenklooster (Marienthal) is gebouwd, aan de abdij heeft geschonken, en regelt de verhouding tussen de abdij en het dochterklooster.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.D004, archief abdij Kloosterrade, inv. nr. 676.
Uitgave
a. Polak en Dijkhof, Oorkondenboek Kloosterrade, 15-19, nr. 5, naar A.
Echtheid
Voor de eventuele onechtheid van deze oorkonde, zie de uitgave van Polak en Dijkhof.

Urkunde 3
Der römische König Heinrich V. erneuert und bestätigt auf Vermittlung von Adelbert, seinem Kanzler und Propst der Sint-Servaaskirche in Maastricht und auf die Bitte der Kanoniker,die zuvor aufgeschriebenen Rechtsregeln sowie den Austausch von zwei Höfen in Maastricht, die der von seinem Vater, Kaiser Heinrich IV. um 1076 gemacht wurden.
Rooms-koning Hendrik V vernieuwt en bevestigt door tussenkomst van Adelbert, zijn kanselier en proost van de Sint-Servaaskerk te Maastricht, en op verzoek van de kanunniken de eerder op schrift gestelde rechtsregels alsmede de ruil van twee hoeven te Maastricht, ca. 1076 gedaan door zijn vader, keizer Hendrik IV.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002A, archief kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 43. Beschadigd met tekstverlies.
Bezegeling: één opgedrukt zegel, dat aangekondigd is, namelijk: S1 van rooms-koning Hendrik V, van witte was, beschadigd. Voor een beschrijving en afbeelding van S1, zie Venner, ‘Zegels’, nr. 42.
Afschriften
[B]. 1218 juni 10, niet voorhanden, maar bekend uit C, vidimus door Otto van Everstein, proost van het Sint-Servaaskapittel te Maastricht, naar A. – C. 1268 september 22, Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002A, archief kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 48, vidimus door rooms-koning Richard van Cornwall, naar A. – D. eind 13e eeuw, Ibidem, idem, inv. nr. 10 (cartularium) = [Liber privilegiorum], fol. 13v-14r (= nieuwe fol. 30v-31r), nr. 25, naar A. – E. 15e eeuw, Ibidem, toegangsnr. 14.B001, archief kapittel van Onze Lieve Vrouw te Maastricht, 1096-1796, inv. nr. 31 (cartularium), fol. 181r-182r, onder de rubriek: Item tenores omnium et singulorum exhiborum sequuntur per ordinem in hunc modum et sunt tales, en onder caput: Item tenores litterarum imperialium felicis recordationis domini Heynrici, Romanorum regis quinti, sigillo quondam confundo et leso in quo ymago imperatoris in dextera ceptrum regale, in sinistra vero pommum imperiale cum cruce superposita gestantur, sana et integra habebantur in margine inferiori ipsarum litterarum affixo sigillatarum et bullatarum atque signo quodam quadrato lineationibus et pluribus caracteribus composito dulsis etiam subtus caracteribus expressis signatarum sequuntur et sunt tales, naar A. – F. 1640, Ibidem, toegangsnr. 14.B002A, archief kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 1741 (cartularium) = Liber sive regestum originis ecclesie Sancti Seruatii Traiec[tensis] illiusque privilegiorum, donationum ac iurium ex originalibus et libro chartarum manu Ioannis Choris, receptoris capituli, descriptorum, p. 14-16, onder de rubriek: 10, Privilegium Henrici imperatoris pro immunitate officiatorum, naar A. – G. vóór 1768, Ibidem, toegangsnr. 22.001A, Handschriftencollectie (voormalig) Gemeentearchief Maastricht, 14de-20ste eeuw, inv. nr. 199a (cartularium) = Diplomata Trajectensia de anno 800 ad 1399, p. 109-111, onder de rubriek: Diploma Henrici quinti, Romanorum regis, quo declarat prepositam, decanum et capitulum omnes habere iurisdictiones, seclusis omnibus presentibus iudicibus, tam in eorum domibus claustris viis quam in templo et atriis, et quo modo hi eorum iurisdictiones exercere debeant, datum indictione secunda anni 1108 (verbeterd uit 1109), gewaarmerkt afschrift door G.J. Lenarts, stadssecretaris van Maastricht, naar A. – H. vóór 1768, Ibidem, idem, p. 245-247, onder de rubriek: Otto, prepositus Aquensis, declarat se vidisse integras et non cancellatas litteras Henrici quarti, Romanorum regis, quibus dat ministris ecclesie Sancti Servatii exemptionem et immunitatem, videlicet coco, pistori, bracedario et campanariis, in octavis Pentecostes 1218, naar [B].
Uitgaven
a. Böhmer, Acta imperii selecta, 69-71, nr. 75 (zie ook daar voor oudere edities), naar A. – b. Waitz, Urkunden zur Deutschen Verfassungsgeschichte, 18-25, nr. 8, naar a.– c. Van de Kieft, ‘Recueil’, 427-429, nr. 17 (onvolledig), naar A. – d. Thiel, Die Urkunden Heinrichs V. und der Königin Mathilde, nr. 283, naar b. – e. Hackeng, Het middeleeuwse grondbezit, 310-311, nr. 96b (onvolledig), naar d.
Regesten
Zie uitgave a, alsmede DiBe ID 6930.
Lokalisering
Ten aanzien van de lokalisering van de twee hoeven te Maastricht, zie Hackeng, Het middeleeuwse grondbezit, 210-211, alsmede 719, kaart 31.
Echtheid en ontstaan
Böhmer, Acta imperii selecta, 70-71, diskwalificeert onderhavige oorkonde op basis van een aantal uiterlijke kenmerken, zonder het stuk expliciet een falsum te noemen. Opvallend is volgens hem dat de tekst rondom de van boven naar onder lopende vouwen is geschreven, zoals bij de oorkonden van Sint-Servaas d.d. 21 september 1062 en d.d. 1087 (zie Collectie Sint-Servaas, nrs. 1 en 2). Ook wijst hij op de lege ruimte na ‘Data’ en ‘Actum’, waarna de dagtekening en de plaatsnaam ontbreken, en op het ontbrekende ‘Amen’.
Niermeyer, Onderzoekingen, 172-179, noemt deze oorkonde in navolging van Böhmer een schijnorigineel. Hij wijst o.m. op het ongebruikelijke formaat van het perkament dat ongeveer anderhalf maal zo breed als hoog is, de vreemde positie van de signum- en recognitieregel ten opzichte van elkaar, de uitsparing van de drie laatste regels van de context ten behoeve van het zegel dat uiterst rechts in de hoek is aangebracht, en de onevenredig opengelaten ruimte na ‘Datum’ en ‘Actum’, waar de bijbehorende gegevens ontbreken.
Niermeyer, o.c., 200 en 223, stelt dat onderhavige oorkonde is geschreven door degene die ook de in zijn ogen vervalste oorkonde uit 1062 vervaardigde. Paleografisch onderzoek heeft echter uitgewezen dat van gelijkhandigheid geen sprake is (zie ook hiervoor nr. 1). Tevens stelt hij dat deze schrijfhand ook de twee pauselijke falsa voor het aartsbisdom Hamburg uit 885 en 912/913 mundeerde (voor een editie, zie Curschmann, Die älteren Papsturkunden, 29-30, nr. 8 en 36-37, nr. 13; specifiek ten aanzien van de schrijfgroep waartoe deze falsa behoren, zie Curschmann, o.c., 124-126) en dat deze schrijfhand enige kenmerken bezit die teruggaan op een door Hand L geschreven oorkonde van de bisschop van Luik (voor Hand L, zie Niermeyer, o.c., 188). Met de identificatie door Niermeyer is evenwel voorzichtigheid geboden, zoals ook blijkt uit zijn observaties ten aanzien van de door Hand O geschreven bisschopsoorkonde uit 1151 voor Kloosterrade (zie Polak en Dijkhof, Oorkondenboek Kloosterrade, 61). Wel terecht is zijn signalering van de opmerkelijke opmaakkenmerken met rondom de van boven naar onder lopende vouwen geschreven tekst in zowel de onderhavige oorkonde uit 1109 als in de twee pauselijke falsa voor Hamburg.
Op basis van paleografisch onderzoek aan de hand van een afbeelding van deze pauselijke oorkonden kan voorlopig worden geconcludeerd dat de scriptor van onderhavige oorkonde hoogstwaarschijnlijk dezelfde is als die van de twee pauselijke falsa. Nader onderzoek te Hannover ten behoeve van de handidentificatie door middel van metingen van hellingshoeken, schrijfhoeken etc. is evenwel gewenst.
Wat het zegel betreft concludeert Niermeyer onder verwijzing naar Posse, Siegel Kaiser 1, Tafel 19, 1, dat dit niet overeenstemt met het echte koningszegel van Hendrik V. Het zegel aan onderhavige oorkonde heeft namelijk op de troon aan weerszijden de rolronde uiteinden van een kussen, mogelijk eindigend in twee dierenkoppen. Deze elementen, die wel op de twee keizerszegels van Hendrik V staan, ontbreken echter op het echte koningszegel. Op basis van dit afwijkend zegelbeeld concludeert Niermeyer dat het zegel aan onderhavige oorkonde onecht is en vermoedelijk naar een keizerszegel van Hendrik V is nagebootst. Zijn bevindingen zijn door de huidige fragmentarische staat van de bezegeling niet meer te verifiëren.
Ten aanzien van het dictaat signaleert Niermeyer, o.c., 180-181, het volgende: 1. een sterke dictaatverwantschap met een oorkonde van Hendrik V voor Luik d.d. 23 december 1107 (= Stumpf-Brentano, o.c., nr. 3021; voor een editie, zie Waitz, Urkunden zur Deutschen Verfassungsgeschichte, 18-25, nr. 7); 2. de ontlening van de passage over de interventie van de proost van het Sint-Servaaskapittel aan een in afschrift overgeleverde oorkonde uit ca. 1109 van Hendrik V voor het Sint-Servaaskapitttel (= Stumpf-Brentano, o.c. nr. 3215; voor een editie, zie Thiel, Die Urkunden Heinrichs V. und der Königin Mathilde, nr. 41); 3. een afwijkende corroboratio en de ontbrekende getuigenlijst in vergelijking met de oorkonde van Hendrik V d.d. 23 december 1107, maar overeenkomst in de corroboratio met de bewoordingen die in de kanselarij van Hendrik IV gebruikelijk waren, meer bepaald in een oorkonde van Hendrik IV voor het bisdom Halberstadt d.d. 1063 augustus 20 (= Stumpf-Brentano, o.c., nr. 2628; voor een editie, zie Böhmer, Acta imperii selecta, 59, nr. 61) en de in zijn ogen vervalste oorkonde d.d. 1062 (zie Collectie Sint-Servaas, nr. 1).
De oorkonde d.d. 1107 december 23 is zonder enige twijfel als vooroorkonde gebruikt voor de redactio van onderhavige oorkonde. De ontlening van de passage over de interventie van de proost is echter niet specifiek voor de oorkonde uit ca. 1109, maar komt ook al voor in een oorkonde van Hendrik V d.d. 1106 februari 14 (voor een editie, zie Böhmer, Acta imperii selecta, 67-68, nr. 72), waar de woordkeuze ‘interventu’ zelfs nauwer aansluit dan in de oorkonde uit 1107 met ‘peticione’. In de corroboratio wordt teruggegrepen op de in de dispositio vermelde ruil van de twee hoeven, die ca. 1076 is verricht door Hendrik IV. Deze corroboratio wijkt inderdaad af van die in de oorkonden van Hendrik V en vertoont sterke overeenkomst met de bewoordingen in de oorkonden van Hendrik IV, in het bijzonder met de oorkonde uit 1062.
Niermeyer concludeert dat het falsum uit 1109 ‘zich onmiddellijk afhankelijk toont’ van de oorkonde uit 1107 voor Luik, die is uitgebreid en gewijzigd. Hierbij heeft de oorkonde d.d. 23 december 1107, die slechts via afschriften in een geïnterpoleerde versie is overgeleverd (met name in de artikelen 3 en 5), als basis gediend voor de onderhavige oorkonde uit 1109, zie Niermeyer, o.c., 162-165. In zijn slotconclusie poneert hij de stelling dat het falsum uit 1109 tot een groep Maastrichtse falsa behoort die zijn ontstaan ná 1146 en vermoedelijk omstreeks 1160.
Van de Kieft, ‘Recueil’, 427-429, neemt ten aanzien van onderhavige oorkonde de visie van Niermeyer over. Volgens Hausmann, Reichskanzlei, 17, noot 4, is de oorkonde uit 1109 een falsum uit de latere twaalfde eeuw. Het stuk is volgens hem ook niet geredigeerd en/of geschreven door één van de notarii van Hendrik V (het ontbreekt immers in de lijst van Hausman, o.c., 64-67, met de notarii die onder Adelbert van Saarbrücken, kanselier van rooms-koning Hendrik V, verantwoordelijk waren voor het schrift, dictaat of beide).
Deeters, Servatiusstift, 56 en 61-62, dateert het ontstaan van onderhavige oorkonde in de vroege twaalfde eeuw en volgt Niermeyer inzake de dictaatontleningen aan de hoger genoemde oorkonde voor Luik d.d. 23 december 1107. Zijns inziens zijn er inhoudelijk geen aanknopingspunten in de oorkonde van 1109 waaruit een datering voor de vervalsing kan worden opgemaakt. Hoewel hij de oorkonde beschouwt als een formele vervalsing, stemt de inhoud volgens hem overeen met een bestaande rechtstoestand.
Hackeng, Het middeleeuwse grondbezit, 310, neemt onderhavige oorkonde op als een falsum onder verwijzing naar Niermeyer, Van de Kieft en Böhmer. Onder verwijzing naar Deeters dateert hij het ontstaan in de twaalfde eeuw, uiterlijk in 1204.
Ons inziens is onderhavige oorkonde niet geredigeerd en/of geschreven in de kanselarij van Hendrik V, maar is dit een destinatarisuitvaardiging door het Sint-Servaaskapittel te Maastricht op basis van de oorkonde van rooms-koning Hendrik V d.d. 1107 december 23 voor de kanunniken te Luik. De afwijkende corroboratio ten opzichte van de Vorlage in onderhavige oorkonde, die juist opmerkelijke gelijkenis vertoont met die in de destinatarisoorkonde van het Sint-Servaaskapittel uit 1062, wijst ook naar een ontstaansmilieu binnen het kapittel. Een aantal uiterlijke kenmerken in onderhavige oorkonde is bevreemdend, maar niet doorslaggevend om deze oorkonde tot een falsum te bestempelen. De bijzondere positie van de signumregel, halverwege het perkament, kan mogelijk aan de destinataris worden toegeschreven. Ook in de oorkonde van Hendrik IV d.d. 1087 (zie Collectie Sint-Servaas, nr. 2), die eveneens een destinatarisuitvaardiging is, staat de signumregel halverwege de schrijfregel. Dat het zegel vervalst zou zijn, zoals Niermeyer veronderstelt, is niet te verifiëren vanwege de slechte materiële toestand. De slotregel in de datatio van onderhavige oorkonde ‘Data, actum feliciter in nomine Domini’, is exact gelijkluidend aan de slotregel in de vooroorkonde uit 1107, met dien verstande dat na ‘Data’ en ‘actum’ ruimte is opengelaten voor het toevoegen van de precieze dagtekening en de plaats van uitvaardiging. Blijkbaar is dit om onverklaarbare redenen over het hoofd gezien bij de recognoscering, signering en bezegeling. Tegen de inhoud van onderhavige oorkonde zijn geen bedenkingen geuit of kunnen geen bezwaren worden ingebracht. De zeer specifiek gedateerde ruil van twee hoeven door Hendrik IV lijkt bovendien zeer aannemelijk. Mogelijk is deze ruil niet beoorkond door Hendrik IV en heeft het Sint-Servaaskapittel de bevestiging van de rechtsregels door zijn opvolger, rooms-koning Hendrik V, aangegrepen om deze ruil schriftelijk vast te leggen.
Samenhang en tekstuitgave
In onderhavige oorkonde zijn tekstdelen ontleend aan de oorkonde van rooms-koning Hendrik V voor Luik d.d. 1107 december 23. Voor de tekst van deze oorkonde, zie Waitz, Urkunden zur Deutschen Verfassungsgeschichte, 18-25, nr. 7. De tekstdelen die aan deze vooroorkonde zijn ontleend, staan in een kleiner lettertype. Voor de tekstdelen die aan deze vooroorkonde zijn ontleend en afgedrukt zijn in een kleiner lettertype, zie Van Synghel, Oorkonden Sint-Servaaskapittel, 44-45. De passage onder paragraaf 4 is overgenomen in de bevestigingsoorkonde van keizer Frederik II, d.d. 1215 juli 28, zie Collectie Sint-Servaaskapittel, nr. 10. Voor het vidimus van rooms-koning Richard van Cornwall d.d. 1268 september 22, zie Collectie Sint-Servaaskapittel, nr. 28. De lacunes in A zijn aangevuld naar C.



Urkunde 4
Der römische König Lothar III. bestätigt den Tausch der Brüder des Sint-Servaaskapitels in Maastricht von ihrem Allodium in Monsheim gegen die Kirche von Güls mit der Abtei Hersfeld.
Rooms-koning Lotharius III bevestigt de ruil door de broeders van het Sint-Servaaskapittel te Maastricht van hun allodium te Monsheim tegen de kerk van Güls met de abdij van Hersfeld.
Origineel
[A]. niet voorhanden.
Afschriften
B. eind 12e/eerste kwart 13e eeuw, Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002A, archief kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 336, naar [A]. – C. eind 13e eeuw, Ibidem, idem, inv. nr. 10 (cartularium) = [Liber privilegiorum], fol. 6r-6v (= nieuwe fol. 23r-23v), nr. 10, naar [A]. – D. 1640, Ibidem, idem, inv. nr. 1741 (cartularium) = Liber sive regestum originis ecclesie Sancti Seruatii Traiec[tensis] illiusque privilegiorum, donationum ac iurium ex originalibus et libro chartarum manu Ioannis Choris, receptoris capituli, descriptorum, p. 17, onder de rubriek: 12, Confirmat Lotharius est permutationem factam cum bonis de Gielsa, naar [A].
Uitgaven
a. Ottenthal en Hirsch, Die Urkunden Lothars III. und der Kaiserin Richenza, 10-11, nr. 9, naar B. – b. Hackeng, Het middeleeuwse grondbezit, 287, nr. 57b (onvolledig), naar B. – c. DiBe ID 5422, naar a.
Regesten
Zie DiBe ID 5422.
Datering
Volgens Nuyens, Inventaris Sint-Servaas, 90, nr. 336, dateert afschrift B uit de dertiende eeuw, terwijl Ottenthal en Hirsch uitgaan van een scriptio in de tweede helft van de twaalfde eeuw. Op basis van de paleografische verwantschap met een ongedateerde oorkonde van de abt van Kloosterrade, door Polak en Dijkhof, Oorkondenboek Kloosterrade, 114-116, nr. 52, gedateerd tussen 1201 en 1211, en met een oorkonde van deken en het kapittel van Onze-Lieve-Vrouw te Maastricht d.d. 26 maart 1225 (zie Maastricht, HCL, toegangsnummer 14.B001, archief Kapittel van Onze Lieve Vrouw te Maastricht, 1096-1796, inv. nr. 1011) dateren we dit afschrift eind twaalfde/eerste kwart dertiende eeuw.
Ontstaan en tekstuitgave
Volgens Ottenthal en Hirsch is de tekst van onderhavige oorkonde niet in de koninklijke kanselarij geredigeerd. De tekst is uitgegeven op basis van B, met de varianten van C in het notenapparaat.

Urkunde 5
Hendrik, Verwalter der Klöster Sankt-Marien in Heinsberg und Sint-Gerlach in Houthem, erklärt, dass Mathilde, Magister von Sint-Gerlach, einen jährlichen Zins von vier Schilling aus früheren Schenkungen von zwei Häusern in Aachen und einem Malter(etwa 150 l) Roggen in Daniken für die Krankenstation von Sint-Gerlach vorgesehen hat. Er gibt eine Liste des Viehbestands und genehmigt die Zuweisung von Mathilde an die Krankenstation.
Hendrik, proost van de kloosters (van Sint-Marie) te Heinsberg en Sint-Gerlach (te Houthem), verklaart dat Mathilde, magistra van Sint-Gerlach, een jaarrente van vier schelling uit twee huizen te Aken en een malder rogge te Daniken bestemd heeft voor het ziekenverblijf van Sint-Gerlach, geeft een lijst van de veestapel en keurt de toewijzing goed.
Origineel
A. Brussel, ARA, Diverse charters (Chartes diverses de la deuxième section), doos 1, ad datum 1236 september 2 (nr. 16594).
Aantekeningen op de achterzijde: 1° door 16e-eeuwse hand: Van den seickhuis. – 2° door 17e-eeuwse hand: No XXIIII.
Bezegeling: twee uithangend bevestigde, dubbel doorgestoken zegels, die aangekondigd zijn, namelijk: S2 van het klooster van Sint-Marie te Heinsberg, van witte was, beschadigd. – S3 van het klooster Sint-Gerlach te Houthem, van witte was, beschadigd; en één bevestigingsplaats voor een zegel dat niet aangekondigd is (LS1). Gezien de positionering is de eerste zegelsnede links abusievelijk aangebracht op die plaats. Voor een beschrijving en afbeelding van S3, zie Venner, ‘Zegels klooster Sint-Gerlach’, 151-153.
Afschrift
Niet voorhanden.
Uitgave
a. Ramackers, ‘Niederrheinische Urkunden’, 77-78, nr. 8, naar A.
Regest
Haas, Inventaris Sint Gerlach, 69, reg. nr. 6 (gedateerd 1236).

Nummer 5
Anselm, freier Mann, überträgt in Anwesenheit mehrerer Zeugen freiwillig seine Tochter Mechteld und drei Morgen aus seinem eigenen Besitz in Oe an den Altar Unserer Lieben Frau in Thorn. Mechteld soll die Erträge dieses Landes erhalten, solange sie lebt. Wer gegen diese freiwillige Übertragung verstößt, dem droht die Exkommunikation.
Anselm, vrij man, draagt zijn dochter Mechteld alsmede drie bunder allodiaal goed te Oe over aan het altaar van Onze-Lieve-Vrouw te Thorn door de hand van Gerard, graaf van Gelre, op voorwaarde dat Mechteld hiervan levenslang de inkomsten zal genieten.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 01.187A, archief Vrije Rijksheerlijkheid Thorn, inv. nr. 5. Licht beschadigd.
Aantekening op de achterzijde: 1o door 13e-eeuwse hand: De censu capitali 1102. – 2o door 16e-eeuwse hand: De tribus bonariis terre sitis in loco de O. – 3o door 17e-eeuwse hand: doorgestreepte letter en C.
Bezegeling: één ingehangen zegel, dat niet aangekondigd is, namelijk: S1 van een niet-geïdentificeerde persoon of instelling, van witte was, beschadigd. Voor de problematische identificatie en afbeelding van S1, zie Venner, ‘Zegels Thorn’, 16-19.
Uitgaven
a. Franquinet, Beredeneerde inventaris Thorn, 10-11, nr. 5, naar A. – b. Habets, Archieven Thorn, 8, nr. 5, naar a.
Regest
Haas, Chronologische lijst, 21, nr. 8.
Echtheid en ontstaan
De echtheid van onderhavige oorkonde is door Venner en Kersken in twijfel getrokken. Venner, ‘Zegels Thorn’, 16-19, kon het onaangekondigde zegel niet aan een instelling of persoon toewijzen. Op grond van de afbeelding in de vorm van een troonzegel en de ovale vorm trekt hij de authenticiteit ervan in twijfel. Hij oppert de mogelijkheid dat de oorkonde aanvankelijk niet zou zijn bezegeld en dat in de laatste decennia van de twaalfde eeuw een vals zegel is aangebracht. Hoewel hij hiermee suggereert dat de oorkonde echt is, stelt hij er zich toch vragen bij. Maar afgezien van zijn verwijzing naar tekstontleningen aan pauselijke oorkonden én de opmerkelijke rol van de graaf van Gelre bij de overdracht, stelt hij dat het onderzoek naar de echtheid verder buiten zijn bijdrage valt.
Op basis van onderhavige oorkonde concludeerde Schiffer, Grafen von Geldern, 64, dat de graaf van Gelre al in 1002 over de voogdij van Thorn beschikte, hoewel Venner signaleert dat de eerste concrete vermelding als Thornse voogd pas dateert uit 1244. In deze voogdijkwestie wijst Kersken, Zwischen Glaube, 180, er nog op dat het optreden van de graaf als tussenpersoon geen directe functionele betrekking tot de abdij van Thorn inhoudt. Ook twijfelt hij aan de kwalificatie van getuige Geldolf als ondervoogd van de bisschop van Luik, zoals door Linssen, Bijdrage, 8, werd vermoed. De eerste zekere meldingen over een Thornse voogdij dateren uit 1230/1231 wanneer de abdij twee oorkonden uitvaardigt, één voor de hertog van Limburg over de voogdij van Übach en één voor hun voogd, de hertog van Brabant (Kersken, 182-183).
Kersken sluit zich aan bij de argumentatie van Venner inzake de authenticiteit van het zegel en de daaruit voortvloeiende twijfel aan de echtheid van de oorkonde. Hoewel hij geen allesomvattend paleografisch-diplomatisch onderzoek heeft verricht, brengt Kersken een aantal bevindingen naar voren die zijn twijfels versterken. Hij wijst daarbij op het schrift in een ‘ungelenker diplomatischer Minuskel’ en de geoblongeerde invocatio in ‘ungelenker littera elongata’ die niet in overeenstemming zouden zijn met de bescheiden aanleiding tot de uitvaardiging van deze oorkonde. Op basis van vergelijkend onderzoek naar ductus, schrift, gebruikte afkortingen en ligaturen komt hij tot de voorzichtige conclusie dat de oorkonde geschreven zou kunnen zijn door een vermoedelijk ongeoefende twaalfde-eeuwse hand.
Opvallende inwendige kenmerken zijn volgens hem de naar pauselijk voorbeeld geconcipieerde tweedelige sanctioformule, die men niet verwacht in een ‘Privaturkunde’ (hier in casu een oorkonde uitgevaardigd door een privaat persoon ten behoeve van een abdij). Ook de getuigenlijst leidt bij hem tot de nodige vraagtekens. Enkel bij de adellijke heren van Horn en Kessenich is familieverwantschap vast te stellen, maar het betreft hier wel telkens de oudste vermelding van deze families in oorkonden die tientallen jaren vóór de volgende liggen (respectievelijk in 1138 en 1155). Bovendien acht hij het vroege gebruik van plaatsvernoemingen in het licht van hun politieke betekenis ongeloofwaardig. Op grond van deze bezwaren zegt Kersken de verdenkingen tegen onderhavige oorkonde uit 1102 bij gebrek aan andere oorkonden niet verder hard te kunnen maken. Maar toch neigt hij naar de conclusie dat deze oorkonde pas later als vervalsing is ontstaan en van een vervalst zegel is voorzien. Hij hint op de mogelijkheid om een verbinding te leggen met een ongedateerde Thornse oorkonde (zie Collectie Thorn, nr. 7), die Habets volgens hem op paleografische gronden eind twaalfde eeuw rangschikte. Habets heeft deze datering in zijn editie echter niet beargumenteerd of de oorkonde concreet eind twaalfde eeuw gedateerd. Zijn editie is gebaseerd op Franquinet die deze oorkonde ‘XIIde eeuw’ dateert. Op basis van paleografisch onderzoek hebben we deze oorkonde eind twaalfde/begin dertiende eeuw gedateerd (zie Collectie Thorn, nr. 7).
Samenvattend kunnen we stellen dat de bezwaren en vermoedens van Venner en Kersken, die zowel de uitwendige als inwendige kenmerken betreffen, niet hebben geleid tot een eenduidige valsverklaring van onderhavige oorkonde. We kunnen te maken hebben met een echte oorkonde, geschreven in 1102, waar men op een later tijdstip het zegel van een tot op heden niet-geïdentificeerde zegelaar heeft aangebracht, zoals Venner suggereerde. Een niet onlogische gedachte wanneer men in ogenschouw neemt dat de zegelaankondiging in de tekst ontbreekt. Er zou ook sprake kunnen zijn van een materiële vervalsing: daarbij zou de rechtshandeling die begin twaalfde eeuw plaatsvond, pas later op schrift zijn gesteld. Dit impliceert dat de inhoud van de oorkonde echt is, maar de vorm vals. Of de abdij van Thorn kan een falsum hebben vervaardigd, een oorkonde die zowel naar inhoud als naar vorm vals is.
Ten aanzien van het schrift kan het volgende worden vastgesteld. Er is inderdaad sprake van een instabiele schrijfhand (dit is vooral merkbaar bij de onder de schrijflijn gaande stokken van de r en f; bij de letter p: soms een schreef onderaan de stok rechts omhoog, soms niet). Bovendien staat er een aantal storende schrijffouten in de oorkondetekst: viginis i.p.v. virginis, Gehardus i.p.v. Gerhardus en Heinco i.p.v. Heinrico. Opmerkelijk is het gebruik van de versiering in de vorm van een enkelvoudige lus aan de bovenschachten van de letters b, d, f, h, l en s, alsmede een lus als afkortingsteken, die reminiscenties oproepen aan het traliewerk/de lussenstructuur in de oorkonden van het prinsbisdom Luik.
Blijkens Stiennon, L'écriture diplomatique, 59, 62-63, 75, is het met lussen geornamenteerde type schrift, dat niet beperkt bleef tot het bisdom Luik, ontleend aan de Duitse keizerlijke oorkonden. In Luikse oorkonden zijn de lussen in de jaren zestig van de elfde eeuw nog embryonair en wordt de ontwikkeling naar een exuberante vorm in gang gezet in het laatste kwart van de elfde eeuw. In het Maas-Rijngebied is sprake van een stabilisatie in een bescheiden vorm in de twaalfde eeuw. Opmerkelijk is dat Stiennon de oorkonden van Thorn niet in zijn studie betrok, ook al onderzocht hij andere (Nederlands-)Limburgse archieffondsen.
Kerkelijke instellingen in de Maasregio zijn al vroeg vertrouwd met oorkonden met lussenstructuren: Thorn ontving een dergelijke koningsoorkonde in 1007, de kapittels van Onze-Lieve-Vrouw en Sint-Servaas te Maastricht bezitten konings- en bisschopsoorkonden uit de elfde eeuw en de abdij Kloosterrade een oorkonde van de aartsbisschop van Keulen uit 1126-1127.
Het onderzoek naar een schrifttraditie binnen de abdij van Thorn in de elfde en twaalfde eeuw wordt nagenoeg onmogelijk gemaakt door het ontbreken van originele stukken uit die periode. We beschikken slechts over één in de tiende eeuw vervalste koningsoorkonde uit 950 (zie Collectie Thorn, nr. 1), één zwaar beschadigde koningsoorkonde uit 985 (zie Collectie Thorn, nr. 2), één koningsoorkonde uit 1007 (zie Collectie Thorn, nr. 4), één oorkonde van de abdis van Thorn uit 1172 (zie Collectie Thorn, nr. 6) en één ongedateerde oorkonde van Reinwidis van Übach (zie Collectie Thorn, nr. 7). Het daaropvolgende origineel dateert pas uit kort voor 13 juli 1234 (zie Collectie Thorn, nr. 8).
Met slechts één enkele oorkonde in het chartarium, uitgevaardigd door de abdis van Thorn, kunnen geen uitspraken worden gedaan over de specifieke karaktertrekken en evolutie van het schrift binnen de Thornse oorkonden. Maar uitgerekend deze ene oorkonde uit 1172 bevat wel de kenmerken van het typische carolinaschrift met de lussenstructuur én de us-afkorting in de vorm van een kurkentrekker. Vergelijken we deze met de onderhavige Thornse oorkonde die gedateerd is in 1102, dan valt het volgende op: de versieringen zijn sober, de in 1172 kenmerkende relatief lange bovenschachten en staarten ontbreken, de uiteinden van de letters p en q buigen naar rechts, wat eerder een kenmerk van boekschrift is. Dit schrift is verwant aan oorkonden uit 1178 (abdij Neufmoustier, Stiennon, L'écriture diplomatique, 94) en een oorkonde uit 1121-1128 (kapittel van Sint-Paul te Luik, Stiennon, L'écriture diplomatique, figuur 161) die echter volgens Stiennon niet voor het midden van de twaalfde eeuw kan worden geplaatst vanwege het sterk gotisch karakter.
De grote ondermarge in onderhavige oorkonde, met het zegel aan de rechterzijde van het perkament, is typerend voor Duitse konings- en keizersoorkonden. De abdij van Thorn bezit een oorkonde van rooms-koning Hendrik II uit 1007 (zie hiervoor nr. 4) met deze lay-out en een opgedrukt zegel aan de rechterzijde. Deze opmaak is zeker tot het midden van de twaalfde eeuw gebruikelijk, met een inkeping aan de rechterzijde van het perkament voor het in te hangen zegel, zoals blijkt uit een oorkonde van de bisschop van Luik d.d. 28 augustus 1140 voor de abdij Kloosterrade (zie Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.D004, archief abdij Kloosterrade, inv. nr. 676). Ook de abdis van Thorn zelf vaardigt in 1172 een oorkonde uit met deze opmaak.
Ten aanzien van het zegel constateerde Venner dat een ovaal troonzegel opmerkelijk te noemen is voor 1102. Hij signaleerde een exceptioneel vroeg ovaal troonzegel uit 1090 van de bisschop van Noyon-Doornik, maar de aartsbisschoppen van Keulen en Trier introduceerden het troonzegel pas in respectievelijk 1105 en 1115, de bisschoppen van Luik eerst in 1123. Hieraan kan nog worden toegevoegd dat in het bisdom Luik ovale troonzegels bij bijvoorbeeld de abten van Sint-Truiden pas geattesteerd zijn vanaf 1158 en 1164 (zie Brussel, ARA, Verzameling Zegelafgietsels, nrs. 963 en 958). Een ovaal troonzegel in een oorkonde van een particulier voor de abdij van Thorn in 1102 lijkt dan ook een zeer vroeg exemplaar.
Wat de inwendige kenmerken betreft: de algemene dictaatstructuur (invocatio/notificatio, dispositio, sanctio, corroboratio en datatio) en de dictaatformules sluiten aan bij die van twaalfde-eeuwse oorkonden. Wel kunnen hierbij nog twee opmerkingen worden gemaakt. Ten eerste de markante sanctio in een oorkonde die uitgevaardigd is door een particulier en waarvan Venner aangaf dat die zou zijn ontleend aan pauselijke oorkonden. Ten aanzien van deze sanctio kan worden vermeld dat gelijkaardige sanctiones eind elfde/twaalfde eeuw volop circuleren in de oorkonden van de bisschoppen van Luik ten behoeve van Limburgse geestelijke instellingen of in oorkonden waar deze bij betrokken zijn. De sanctioformule uit de oorkonde uit 1102 hebben we onder meer aangetroffen in twee oorkonden van Otbert, bisschop van Luik, bestemd voor het Onze-Lieve-Vrouwekapittel te Maastricht en voor het Onze-Lieve-Vrouwekapittel te Dinant in 1096 (zie DiBe ID 88 en DiBe ID 2594) en in oorkonden van Hendrik, bisschop van Luik, ten behoeve van de abdijen van Heylissem, Flône, Heylissem en betreffende de Sint-Amorkerk te Maastricht, respectievelijk in 1147, 1154, 1154 en 1157 (zie Camps, ONB I, nr. 50, en Polak en Dijkhof, Oorkondenboek Kloosterrade, nrs. 23, 24 en 28). In oorkonden, uitgevaardigd door de abten van Sint-Truiden, worden dergelijke sanctieformules pas vanaf het midden van de twaalfde eeuw gebruikt (zie Van Synghel, DONB, nr. 1148.09.23(na 1147.12.24), 1167.09.23(na 1166.12.24), 1175.12.24(na 1174.12.24) en 1186.12.24(na 1185.12.24)). Voor zover de overlevering ons toestaat te constateren, heeft Thorn in de elfde en twaalfde eeuw geen bisschoppelijke oorkonden uit Luik ontvangen. Wel is het opvallend dat de ongedateerde oorkonde van Reinwidis (zie Collectie Thorn, nr. 7, op paleografische gronden nu gedateerd eind 12e/begin 13e eeuw) eenzelfde anathema-sanctio bevat.
Een tweede opmerking betreft de datatio: hier ontbreekt zowel het regeringsjaar van keizer Hendrik als het episcopaatsjaar van Otbert, maar dit is niet exceptioneel.
Het feit dat het in onderhavige oorkonde uit 1102 om de oudste vermelding gaat van de adellijke heren van Horn en Kessenich, die tientallen jaren vóór de volgende liggen, is geen argument om deze oorkonde vals te verklaren.
Voorgaande beschouwingen leiden tot de volgende conclusie: de oorkonde uit 1102 van Anselm, vrij man, voor de abdij van Thorn kan worden beschouwd als het product van een ongeoefende schrijfhand die een embryonale vorm van de lussenstructuur gebruikt. Deze lussenstructuur verschijnt jaren later, in ieder geval in 1172, in een mooi uitgebalanceerde versie in een oorkonde van de abdis van Thorn. Het onderzoek naar de uitwendige en inwendige kenmerken heeft geen harde argumenten aan het licht gebracht die de vermoedens van Venner en Kersken ten aanzien van de onechtheid zouden kunnen onderbouwen. Juist het embryonaal karakter en de ongeoefende schrijfhand wijzen eerder in de richting van een vroege optekening in het begin van de twaalfde eeuw. De problematiek van het zegel blijft echter wel overeind. Het lijkt niet ondenkbaar dat het zegel, waarvan de zegelaar tot nog toe niet geïdentificeerd is, later aan deze oorkonde is bevestigd. Dit is echter geen reden om onderhavige oorkonde als een falsum te bestempelen.

Urkunde 7
Arnold I., Erzbischof von Köln, beurkundet, dass Rudolf de Turri, Ministeriale des Grafen Adolf van Saffenberg, mit Zustimmung seiner Ehefrau Waldrade und seiner Söhne Paganus, Gevehard und Herman durch seinen Herrn, den Vormund der Abtei Kloosterrade, seinen Besitz in Hubach, auf dem ein Frauenkloster (Marienthal) errichtet wurde, der Abtei geschenkt hat, und regelt das Verhältnis zwischen der Abtei und dem Tochterkloster.
Arnold I, aartsbisschop van Keulen, oorkondt dat Rudolf de Turri, ministeriaal van graaf Adolf van Saffenberg, met instemming van zijn echtgenote Waldrade en zijn zonen Paganus, Gevehard en Herman, via zijn heer, voogd van de abdij Kloosterrade, zijn bezit te Hubach, waarop een vrouwenklooster (Marienthal) is gebouwd, aan de abdij heeft geschonken, en regelt de verhouding tussen de abdij en het dochterklooster.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.D004, archief abdij Kloosterrade, inv. nr. 675.
Uitgave
a. Polak en Dijkhof, Oorkondenboek Kloosterrade, 19-22, nr. 6, naar A.
Echtheid
Voor de eventuele onechtheid van deze oorkonde, zie de uitgave van Polak en Dijkhof.

Nummer 5
Der römische König Konrad III. schenkt die Maasbrücke in Maastricht dem Maastrichter Sint-Servaaskapitel.
Rooms-koning Koenraad III schenkt de Maasbrug te Maastricht aan het Sint-Servaaskapittel te Maastricht.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002A, archief kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 435.
Bezegeling: één opgedrukt zegel, dat aangekondigd is, namelijk: S1 van rooms-koning Koenraad III, van witte was, beschadigd. Voor een beschrijving en afbeelding van S1, zie Venner, ‘Zegels’, nr. 43.
Afschriften
B. 25 maart 1282, Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002A, archief kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 438, insertie in een oorkonde van rooms-koning Rudolf I, naar A. – C. eind 13e eeuw, Ibidem, idem, inv. nr. 10 (cartularium) = [Liber privilegiorum], fol. 8v-9v (= nieuwe fol. 25v-26v), nr. 15, naar A. – D. eind 13e eeuw, Ibidem, idem, inv. nr. 10 (cartularium) = [Liber privilegiorum], fol. 21r-22r (= nieuwe fol. 38r-39r), nr. 43, naar B. – E. 14e eeuw, Ibidem, toegangsnr. 14.B002H, archief Broederschap der kapelanen van Sint-Servaas te Maastricht, 1139-1797, inv. nr. 6, afschrift naar A. – F. 1640, Ibidem, idem, inv. nr. 1741 (cartularium) = Liber sive regestum originis ecclesie Sancti Seruatii Traiec[tensis] illiusque privilegiorum, donationum ac iurium ex originalibus et libro chartarum manu Ioannis Choris, receptoris capituli, descriptorum, p. 20-21, onder de rubriek: 15, Donatio pontis Mose Conrardi secundi, naar A. – [G]. niet voorhanden, maar bekend uit H, cartularium van het Sint-Servaaskapittel te Maastricht = Liber A, fol. 2v. – H. vóór 1768, Ibidem, toegangsnr. 22.001A, Handschriftencollectie (voormalig) Gemeentearchief Maastricht, 14de-20ste eeuw, inv. nr. 199a (cartularium) = Diplomata Trajectensia de anno 800 ad 1399, p. 147-148, onder de rubriek: Conrardus, Romanorum rex, concedit canonicis Sancti Servatii omnia iura et emolumenta in pontem supra Mosam quam nostri iuris indubitanter esse constat, 10ma calendas julii, anno 1139, gewaarmerkt afschrift door G.J. Lenarts, stadssecretaris van Maastricht, naar A.
Uitgaven
a. Hausmann, Die Urkunden Konrads III. und seines Sohnes Heinrich, 49-50, nr. 31, naar A. – b. Hackeng, Het middeleeuwse grondbezit, 291, nr. 64 (onvolledig), naar A. – c. DiBe ID 6101, naar a.
Regesten
Zie DiBe ID 6101.
Ontstaan en samenhang
Blijkens Hausmann, Die Urkunden Konrads III. und seines Sohnes Heinrich, 49, is deze oorkonde naar het voorbeeld van een pauselijke oorkonde geredigeerd door Arnoud, kanselier van rooms-koning Koenraad III, en gemundeerd door Arnoud A, één van de in de kanselarij werkzame notarii.
Onderhavige schenking is bevestigd door paus Innocentius II d.d. 1139 december 18, zie Collectie Sint-Servaaskapittel, nr. 6. Op 17 september 1274 vaardigde rooms-koning Rudolf I een oorkonde uit inzake het onderhoud van de Maasbrug, zie Collectie Sint-Servaaskapittel, nr. 39. Op 25 maart 1282 bevestigt en hernieuwt rooms-koning Rudolf I de schenking door rooms-koning Koenraad, zie Collectie Sint-Servaaskapittel, nr. 46. Voor de aflaatverlening door vier aartsbisschoppen en vijftien bisschoppen ten behoeve van de bouw van de Maasbrug d.d. 1284 januari 29 en de goedkeuring door Jan IV (van Vlaanderen), bisschop van Luik, d.d. 1287 mei 8, zie Collectie Sint-Servaaskapittel, nrs. 51 en 57.

Nummer 6
Odilia, Äbtissin von Thorn, gibt bekannt, daß Godfried van Heinsberg die Magd Aleid, die zur Kirche von Geilenkirchen gehörte, mit Zustimmung des Pfarrers von Geilenkirchen als Ministeriale in die Kirche von Thorn versetzt hat. In Anwesenheit mehrerer Zeugen und Berater legte Aleid den Eid auf die Kirche von Thorn ab und gelobte der Äbtissin Treue. Sollte Aleid Kinder zur Welt bringen, wird ihr letzter Sohn ihr Erbe antreten. Wenn sie keinen Sohn hat, wird dies die letzte Tochter sein. Alle anderen Kinder werden zwischen der Kirche von Thorn und Godfried van Heinsberg aufgeteilt.
Odilia, abdis van Thorn, verklaart dat Godfried, heer van Heinsberg, het dienstmeisje Aleid, toebehorend aan de kerk van Geilenkirchen, met instemming van Gozewijn, pastoor aldaar, als ministeriaal aan de kerk van Thorn heeft overgedragen en dat haar kinderen tussen Godfried en de kerk zullen worden verdeeld.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 01.187A, archief Vrije Rijksheerlijkheid Thorn, inv. nr. 6. Gelinieerd, licht beschadigd.
Aantekeningen op de achterzijde: 1o door 13e-eeuwse hand: De censu capitali. – 2o door 16e-eeuwse hand: 1172. – 3o door 17e-eeuwse hand: V, k.
Bezegeling: één op de oorkonde bevestigd zegel, dat aangekondigd is, namelijk: S1 van de abdij van Thorn, van witte was. Voor een beschrijving en afbeelding van S1, zie Venner, ‘Zegels Thorn’, 31-33.
Uitgaven
a. Franquinet, Beredeneerde inventaris Thorn, 8-10, nr. 4, naar A (gedateerd 1172). – b. Habets, Archieven Thorn, 9-10, nr. 6 (gedateerd 1172), naar a.
Regest
Haas, Chronologische lijst, 29, nr. 35.
Datering
Het gebruik van de kerststijl in het bisdom Luik is verondersteld, zie Camps, ONB I, XX, en Dillo en Van Synghel, ONB II, XVII. De terminus ante quem wordt bepaald door het einde van de opgegeven vijfde indictie.

Nummer 6
Beatrix, Herrin von Valkenburg, bestätigt, dass Gerard Buc vor ihr, ihren Bediensteten, allen Einwohnern von Valkenburg und ihren Getreuen erklärt hat, dass sein Vater, Herr Emmo van Klimmen, dem Kloster Sint-Gerlach ein Haus mit Land in Voheim geschenkt hat. Das Haus war Teil seiner freien Besitztümer und wurde ordnungsgemäß auf ewig an das Kloster übertragen.
Beatrix, vrouwe van Valkenburg, oorkondt dat Gerard Buc ten overstaan van haar, haar ministerialen, alle inwoners van Valkenburg en haar getrouwen heeft verklaard dat zijn vader heer Emmo van Klimmen, uit zijn allodiaal bezit een huis met grond te Voheim aan het klooster Sint-Gerlach geschonken heeft en dat dit op de juiste wijze in eeuwig bezit is overgedragen.
Origineel
A. Maastricht, RHCL, toegangsnr. 14.D003, archief klooster Sint-Gerlach te Houthem, inv. nr. 95, reg. nr. 2.
Bezegeling: één uithangend bevestigd zegel, dat aangekondigd is, namelijk: S1 van Beatrix, vrouwe van Valkenburg, van lichtbruine was, beschadigd. Voor een beschrijving en afbeelding van S1, zie Venner, ‘Zegels klooster Sint-Gerlach’, 156-157.
Afschrift
Niet voorhanden.
Uitgave
a. Franquinet, Beredeneerde inventaris St. Gerlach, IV, 3-4, nr. 2, naar A.
Regesten
Haas, Inventaris Sint Gerlach, 67-68, reg. nr. 2 (gedateerd tussen 1228 en 1237). – Idem, Chronologische lijst, 38, reg. nr. 67 (gedateerd 1228-1237).
Datering
Deze oorkonde kan slechts bij benadering gedateerd worden. In onderhavige oorkonde treedt Beatrix op als vrouwe van Valkenburg na de dood van Dirk I, heer van Valkenburg, namens hun zoon Dirk, ‘adhuc puero’. Terminus post quem is het overlijden van Dirk I op 4 november 1227. De terminus ante quem is het jaar 1237, wanneer Dirk II voor het eerst optreedt als heer van Valkenburg (zie Venner, ‘Het eerste ridderzegel’, 57, en Corsten, ‘Die Herren’, 178-181).
Tekstuitgave
Het onderscheid tussen c en t is niet goed zichtbaar.

Urkunde 5
Arnold I., Erzbischof von Köln, bestätigt der Abtei Kloosterrade den Erwerb einer Reihe von namentlich genannten Gütern.
Arnold I, aartsbisschop van Keulen, bevestigt de verwerving door de abdij Kloosterrade van een aantal nader omschreven bezittingen.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.D004, archief abdij Kloosterrade, inv. nr. 677. Enig tekstverlies door slijtage, vooral aan de linkerzijde.
Uitgave
a. Polak en Dijkhof, Oorkondenboek Kloosterrade, 25-28, nr. 8, naar A.
Echtheid
Voor de eventuele onechtheid van deze oorkonde, zie de uitgave van Polak en Dijkhof.
Teksteditie
Voor de aanvulling van beschadigde tekstpassages, zie de uitgave van Polak en Dijkhof.

Nummer 6
Papst Innozenz II. bestätigt die Schenkung der Maasbrücke in Maastricht durch den römischen König Konrad III. an das Maastrichter Sint-Servaaskapittel
Paus Innocentius II bevestigt de schenking van de Maasbrug te Maastricht door koning Koenraad III aan het Sint-Servaaskapittel te Maastricht.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002A, archief kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 436. Gelinieerd. Licht beschadigd met tekstverlies.
Aantekeningen op de achterzijde: 1o door 13e-eeuwse hand: Confirmatio privilegii pontis (aangevuld door latere hand) per Innocentium II. – 2o door 15e-eeuwse hand: R XXXVII. – 3o door 17e-eeuwse hand: Excopiatum nu. 12 – 4o door 17e-eeuwse hand: In capsula pontificum. – 5o door 18e-eeuwse hand: 41 Cap. Ia.
Bezegeling: één uithangend bevestigd zegel, dat aangekondigd is, namelijk: S1 van paus Innocentius II. Voor een beschrijving van S1, zie Venner, ‘Zegels’, nr. 1.
Afschrift
B. eerste helft 17e eeuw (vóór 1648), Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002A, archief van het kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 11 (cartularium) = Cartularium ecclesiae collegialis Sancti Servatii Traiecti ad Mosam, tomus primus, pontificalia et episcopalia, fol. 13r-14r, onder caput: Pontificalia, en onder de rubriek: Innocentius 2 confirmat donationem pontis cum illius reficiendi obligatione et reliqui fructus inter prepositum et fratres divisione ac administrationis paritate, gewaarmerkt afschrift door Hendrik Lenssens, kapittelsecretaris en openbaar notaris, geadmitteerd door de Raad van Brabant, naar A.
Uitgaven
a. Schaepkens, ‘Archives’, 171-172, naar B. – b. Willemsen, ‘Inventaire’, 164-165, nr. 4, naar A. – c. Hackeng, Het middeleeuwse grondbezit, 292, nr. 64b (onvolledig), naar A.
Regesten
Wauters, Table chronologique II, 212. – Jaffé, Regesta Pontificum Romanorum, 892, nr. 8064. – Doppler, ‘Verzameling’, 243-244, nr. 43. – Haas, Chronologische lijst, 23-24, nr. 17. – Nuyens, Inventaris Sint-Servaas, 100, nr. 436. – DiBe ID 8241.
Samenhang
Voor de schenking van de Maasbrug door rooms-koning Koenraad III, zie Collectie Sint-Servaas, nr. 5. Op 17 september 1274 vaardigde rooms-koning Rudolf I een oorkonde uit inzake het onderhoud van de Maasbrug, zie Collectie Sint-Servaaskapittel, nr. 39. Voor de aflaatverlening door vier aartsbisschoppen en vijftien bisschoppen ten behoeve van de bouw van de Maasbrug d.d. 1284 januari 29 en de goedkeuring door Jan IV (van Vlaanderen), bisschop van Luik, d.d. 1287 mei 8, zie Collectie Sint-Servaaskapittel, nrs. 51 en 57.

Nummer 7
Reinwidis van Übach verkündet, daß sie von ihren Eltern in der Vergangenheit dem Altar Unserer Lieben Frau in Thorn unter folgendem Recht gestiftet wurde: ihre Söhne werden jedes Jahr am 11. November einen bestimmten Geldbetrag an diesen Altar überweisen, ihre Töchter werden einen Betrag über einen männlichen Verwandten ihrer Wahl bezahlen; sie werden auch für die Erlaubnis bezahlen, ohne die Last oder Einmischung eines Vormunds zu heiraten; bei ihrem Tod werden sie einen sehr guten Vierbeiner aus ihrem eigenen Besitz zur Verfügung stellen. Wenn ein eigener Vierbeiner nicht möglich ist, werden sie ein sehr gutes getragenes Kleidungsstück geben. Allen, die gegen diese Urkunde verstoßen, droht die Exkommunikation.
Reinwidis van Übach verklaart dat zij en haar nakomelingen cijns- en keurmedeplichtig zijn aan de abdij van Thorn.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 01.187A, archief Vrije Rijksheerlijkheid Thorn, inv. nr. 7.
Aantekening op de achterzijde: 1o door 16e-eeuwse hand: Littera certa (?) de Vbach Regewidis de curmede et ut sue posteri nubere possent. – 2o door 17e-eeuwse hand: J doorgestreept, V. – 2o door 18e-eeuwse hand: Littera Regewidis quod posteri eius nubere possent.
Bezegeling: één bevestigingsplaats, vermoedelijk voor het aangekondigde zegel van de abdij van Thorn (LS1).
Uitgaven
a. Franquinet, Beredeneerde inventaris Thorn, 11, nr. 6 (gedateerd 12e eeuw), naar A. – b. Habets, Archieven Thorn, 10, nr. 7 (gedateerd 12e eeuw), naar a.
Regest
Haas, Chronologische lijst, 33, nr. 50.
Datering
De onderhavige oorkonde is niet gedateerd. Franquinet en in navolging daarvan Habets hebben deze oorkonde zonder verdere argumentatie gedateerd in de twaalfde eeuw. Op paleografische gronden kan deze nader gedateerd worden eind twaalfde/begin dertiende eeuw. Het document vertoont een informeel karakter door het gebruik van een klein stuk perkament dat scheef uitgesneden is, de slordige lay-out en onregelmatige regelafstand. Tevens zijn woorden geëxpungeerd en bovengeschreven. De oorkonde is niet geschreven in een diplomatische minuskel zoals die volop in de twaalfde eeuw voorkomt, maar bevat een aantal kenmerken van het gotisch schrift (schraveringen, schuine d) met een enigszins geposeerd karakter. Dit laatste uit zich ook in het gebruik van majuskels in de woorden Marie en Martini.
Vergelijking van dit oorkondeschrift met de Limburgse oorkonden tot en met ca. 1240 heeft aangetoond dat dit type schrift niet eerder voorkomt dan rond de eeuwwisseling van de twaalfde naar de dertiende eeuw. Sterk verwant schrift is aangetroffen in een oorkonde van de abt van Kloosterrade uit de periode 1201 december 25-1211 april 30 (Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.D004, archief abdij Kloosterrade, inv. nr. 846) en in een oorkonde van Lotharius, graaf van Hochstaden, inzake tienden te Noorbeek en ’s-Gravenvoeren uit 1204 (Ibidem, toegangsnr. 14.D022, archief Jezuïeten Maastricht, inv. nr. 55). Een datering eind twaalfde/begin dertiende eeuw ligt dan ook voor de hand.
Nummer 7
Jan, Verwalter, und der Konvent des Sankt-Marien-Klosters in Heinsberg teilen dem Verwalter und dem Konvent von Sint-Gerlach in Houthem mit, dass sie einander von alters her in Frömmigkeit und Glauben verbunden sind und dass sie unter anderem deshalb den Brüdern und Schwestern ihrer Gemeinschaft und auch den Geistlichen und den Laien, die gebührenden Gedenkgottesdienste erweisen werden. Sie werden davon absehen, wenn beide Klöster dies für bedenklich halten oder schriftlich festgelegt haben, dass es zu gefährlich wäre.
Jan, proost, en convent van het klooster (van Sint-Marie) te Heinsberg maken bekend aan magister en convent van Sint-Gerlach (te Houthem) dat zij van oudsher verbonden zijn en de gebruikelijke herdenkingsdiensten zullen doen voor de broeders en zusters, zowel geestelijken als leken, van hun gemeenschap, behalve wanneer beiden ingestemd en schriftelijk vastgelegd hebben dat dit te bezwarend en gevaarlijk is.
Origineel
[A]. Niet voorhanden.
Afschriften
[B]. vóór 1735, niet voorhanden, maar bekend uit de rubriek in C. – C. 1735, Maastricht, RHCL, toegangsnr. 14.D003, archief klooster Sint-Gerlach te Houthem, inv. nr. 1 (cartularium) = Privelegien ende register der obligatien en andere erffcontracten des adelijcken cloosters van St. Gerlach, p. 357, onder de rubriek: Copia literarum amplissimi domini Ioannis, prepositi de Heinsbergh, en in de marge: Num. 217, zonder opgave van bezegelingsplaatsen, naar [B].
Uitgave
Niet eerder uitgegeven.
Datering
Aangenomen is dat de bisschoppen van Luik omstreeks 1230 overgegaan zijn van kerststijl naar paasstijl en dat de religieuze instellingen in het bisdom dit enige tijd later hebben gevolgd, zie Camps, ONB I, XXI. Bijgevolg is voor de datering van onderhavige oorkonde het gebruik van de paasstijl verondersteld.

Urkunde 8
<Hendrik II, bisschop van Luik, bevestigt de verkoop door Reinbert van Mülfort van zijn goed te Curlo en te Hetzenrath, aan de abdij Kloosterrade voor 166 mark, waarover Gerard van Wassenberg pretendeerde leenrecht te hebben, maar waarvan hij samen met zijn echtgenote Elisabeth en zijn zoon Gerard in ruil voor vijftien mark en de voogdij afstand heeft gedaan ten gunste van de abdij.>
<Hendrik II, bisschop van Luik, bevestigt de verkoop door Reinbert van Mülfort van zijn goed te Curlo en te Hetzenrath, aan de abdij Kloosterrade voor 166 mark, waarover Gerard van Wassenberg pretendeerde leenrecht te hebben, maar waarvan hij samen met zijn echtgenote Elisabeth en zijn zoon Gerard in ruil voor vijftien mark en de voogdij afstand heeft gedaan ten gunste van de abdij.>
Schijnbaar origineel
<A>. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.D004, archief abdij Kloosterrade, inv. nr. 782.
Uitgave
a. Polak en Dijkhof, Oorkondenboek Kloosterrade, 43-46, nr. 14, naar A.
Echtheid
Deze oorkonde is zonder twijfel onecht en vier of vijf eeuwen later ontstaan, zie de uitgave van Polak en Dijkhof.
Teksteditie
Het veelvuldige gebruik van de superieure o op u of v is niet overgenomen.

Nummer 7
Siegfried, Dekan, und die Kanoniker des Sint-Servaaskapitels in Maastricht setzen Marsilius, Abt von Saint-Gillis auf dem Publémont bei Lüttich, in den Besitz von neun "bunder beim Dorf Aaz und drei "Höfe in Aaz, so dass die Abtei diese in erblichem Besitz hat, solange der Abt nicht gegen die festgelegten Bedingungen verstößt.
Siegfried, deken, en de kanunniken van het Sint-Servaaskapittel te Maastricht stellen Marsilius, abt van Sint-Gillis op de Publémont te Luik, in het bezit van negen bunder bij het dorp Aaz en drie hoeven te Aaz, zodat de abdij deze in erfelijk bezit heeft zolang de abt de vastgestelde voorwaarden niet verbreekt.
Origineel
[A]. Niet voorhanden.
Afschrift
B. gelijktijdig, Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002A, archief kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1707, inv. nr. 306, zwaar beschadigd, naar [A].
Uitgaven
a. Habets, ‘Codex diplomaticus’, 31-33, nr. 37 (gedateerd 1173), naar B. – b. Flament, ‘Het Rijksarchief’, 434-435 (gedateerd 1173), naar B. – c. Hackeng, Het middeleeuwse grondbezit, 300-301, nr. 78 (onvolledig) (gedateerd 1173), naar B.
Regesten
Doppler, ‘Verzameling’, 250-251, nr. 51 (gedateerd 1173). – Haas, Chronologische lijst, 29-30, nr. 36 (gedateerd 1173). – Nuyens, Inventaris Sint-Servaas, 86, nr. 306 (gedateerd 1173). – DiBe ID 10985 (gedateerd 1173).
Datering
Het gebruik van de kerststijl in het bisdom Luik is verondersteld. De terminus ante quem wordt nader bepaald door het einde van de opgegeven zesde indictie, die loopt tot 23 september 1173.
Ontstaan
Het perkament van onderhavige oorkonde is zwaar beschadigd en de drie laatste regels zijn geschreven rondom een grote ronde uitsparing. In deze uitsparing zijn met een kwartslamp sporen van een andere tekst waargenomen, wat wijst op het hergebruik van het perkament. Hoogstwaarschijnlijk heeft het Sint-Servaaskapittel vrijwel gelijktijdig een afschrift vervaardigd ten behoeve van de eigen pachtadministratie. Flament, ‘Het Rijksarchief’, 434, beschouwt het onder B genoemde document als het origineel, meer bepaald als een renversaal van de overeenkomst met de Sint-Gillisabdij op de Publémont te Luik. In dat geval had dit op naam van de Luikse abdij moeten staan. Hij signaleert ook een afgevallen zegel, maar er zijn geen sporen van was op het perkament aangetroffen. Weliswaar is een deel van de oorkondetekst rondom de uitsparing geschreven, wat zou kunnen wijzen op het aanbrengen van een opgedrukt zegel, maar er is geen snede voorhanden of een stukje perkament om er het zegel aan te bevestigen. Dit maakt het onwaarschijnlijk dat deze oorkonde ooit bezegeld is geweest. In de oorkondetekst is ook geen bezegeling aangekondigd. Een eigentijds afschrift door het Sint-Servaaskapittel ligt dan ook voor de hand.
Tekstuitgave
De lacunes in B zijn aangevuld naar de uitgave door Flament, die een betere editie is dan Habets.


Nummer 8
Dirk II., Herr von Valkenburg,hat dem Verwalter und dem Kloster Sint-Gerlach in Houthem seinen Wald Vorbusde, der zu seinem Grundbesitz in Houthem gehörte, verkauft, und schenkte dem Kloster einen Teil des Kaufpreises.
Dirk II, heer van Valkenburg, heeft aan proost en klooster van Sint-Gerlach (te Houthem) zijn bos Vorbusde, gelegen in het allodium te Houthem, verkocht en een deel van de koopsom aan het klooster geschonken.
Origineel
A. Maastricht, RHCL, toegangsnr. 14.D003, archief klooster Sint-Gerlach te Houthem, inv. nr. 40, reg. nr. 7.
Aantekeningen op achterzijde: 1° door 13e-eeuwse hand: Littera de silva monasterii. – 2° door laatste kwart 14e-eeuwse hand: A j. – 3° door 17e-eeuwse hand: 1241. – 4° door 18e-eeuwse hand: Num. 62.
Bezegeling: twee uithangend bevestigde zegels, die aangekondigd zijn, namelijk: S2 van Dirk II, heer van Valkenburg, van groene was, beschadigd, met CS2, beschadigd. – S4 van Gozewijn Dukere, van lichtbruine was, beschadigd; en twee bevestigingsplaatsen voor de aangekondigde zegels van Alard van Haasdal, ridder, en Adam van Borgharen, ridder, (LS1) en (LS3). Voor een beschrijving en afbeelding van S2, CS2 en S4, zie Venner, ‘Zegels klooster Sint-Gerlach’, respectievelijk 157 en 160.
Afschriften
[B]. vóór 1506, authentiek afschrift, niet voorhanden, maar bekend uit [C], naar A. – [C]. 1506, niet voorhanden, maar bekend uit F, register van het klooster van Sint-Gerlach te Houthem, waarin abusievelijk de datum 13 maart 1241 vermeld staat, naar [B]. – [D]. vóór 6 mei 1594, niet voorhanden, maar bekend uit [E], authentiek afschrift door het klooster van Sint-Gerlach te Houthem ten behoeve van de Raad van Brabant, waarschijnlijk naar [B]. – [E]. 6 mei 1594, niet voorhanden, maar bekend uit F, oorkonde van Filips II, koning van Spanje, waarin de onderstaande oorkonde is geïnsereerd , naar [D]. – F. 1735, Maastricht, RHCL, toegangsnr. 14.D003, archief klooster Sint-Gerlach te Houthem, inv. nr. 1 (cartularium) = Privelegien ende register der obligatien en andere erffcontracten des adelijcken cloosters van St. Gerlach, p. 100-104, onder de rubriek: Confirmatio donationis piscature et venationis de anno 1594, en in de marge: Num. 62, naar [E].
Uitgave
a. Franquinet, Beredeneerde inventaris St. Gerlach, IV, 9-10, nr. 6 (gedateerd 1241 maart), naar A.
Regesten
Haas, Inventaris Sint-Gerlach, 69-70, reg. nr. 7 (gedateerd 1241 maart). – Idem, Chronologische lijst, 43, reg. nr. 84 (gedateerd 1241 maart).
Datering
Het gebruik van paasstijl in het bisdom Luik is verondersteld, zie Camps, ONB I, XXI, en Dillo en Van Synghel, ONB II, XVII. Aangezien de maand maart in het paasjaar 1241 loopt van 1 tot en met 30 maart en 31 maart in 1242 valt, is zowel de datering 1-30 maart 1241 mogelijk als 31 maart 1242.
Tekstuitgave
Het onderscheid tussen c en t is niet goed zichtbaar.

Nummer 8
Hildegonde, Äbtissin, und der Konvent der Abtei Thorn haben mit Zustimmung ihrer Mitkanoniker und Ministerialen aus Furcht vor Wuchern folgende Vereinbarung getroffen, die acht Jahre lang gelten soll, um ihre großen Schulden zu tilgen, die durch Brände, Stürme und Raubüberfälle entstanden sind. Zur Tilgung der Schulden werden die Einkünfte der Höfe von Baarle und Gilze mit den Zehnten, aber ohne die Nebengebäude, sowie die Zehnten von Hemert und Avezaath, beiseite gelegt. Zur Verteilung an die Nonnen werden zugewiesen: die Höfe von Thorn (mit Ausnahme des kleinen Zehnten von Thorn), Neer und Eisden, die Cijns (Abgaben) und die Verwaltung von Oeteren, die Felder von Übach mit dem Zehnten, die Güter von Bergeijk und die Insel gegenüber Wessem; die Lehnsrechte und das Recht auf die tote Hand der Höfe von Neer und Eisden. Der Äbtissin wird zugewiesen: der kleine Zehnte von Thorn (ohne die Zehnten der dazugehörigen Güter), die dazugehörigen Güter und die Lehnsrechte und das Recht auf die tote Hand der Höfe von Baarle und Gilze, der Hof von Oeteren ohne die Cijns und die Verwaltung, der Hof von Grathem.
Hildegonde, abdis, en het convent van de abdij van Thorn bestemmen voor een periode van acht jaar de inkomsten van een aantal goederen, waaronder de hoven met tienden te Baarle en Gilze en de tienden van Hemert en van Avezaath, ter delging van de schulden en zij verdelen het beheer van de goederen.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 01.187A, archief Vrije Rijksheerlijkheid Thorn, inv. nr. 13.
Uitgave
a. Dillo en Van Synghel, ONB II, 217-219, nr. 973, naar A.

Urkunde 8
Hendrik II., Bischof von Lüttich, bestätigt die Schenkung der Kirche von Spaubeek mit dem gesamten Zehnten und der Dos und zwei Höfen von zwölf "bunder" (Hektar) an die Abtei Kloosterrade durch Adelheid, die Ehefrau von Reinier van Beek.
Hendrik II, bisschop van Luik, bevestigt de schenking door Adelheid, echtgenote van Reinier van Beek, van de kerk te Spaubeek met de gehele tiend en de dos en twee hoeven van twaalf bunder aan de abdij Kloosterrade.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.D004, archief abdij Kloosterrade, inv. nr. 817.
Uitgave
a. Polak en Dijkhof, Oorkondenboek Kloosterrade, 47-49, nr. 16, naar A.
Datering en echtheid
Voor de datering en de eventuele onechtheid van deze oorkonde, zie de uitgave van Polak en Dijkhof.

Nummer 8
Beurkundet wird die Einigung in einem Streit zwischen den Kanonikern des Sint-Servaaskapitels in Maastricht und der Abtei Siegburg über den Zehnten in Güls.
Beoorkond wordt de overeenkomst in een geschil tussen de kanunniken van het Sint-Servaaskapittel te Maastricht en de abdij van Siegburg inzake de tiend te Güls.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002A, archief van het kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 338.
Aantekeningen op de achterzijde: 1o door 14e-eeuwse hand: Item de Gulse, daaraan toegevoegd door andere hand: et Sybergense, XXXIII. – 2o door 16e-eeuwse hand: P XVI / N I II. – 3o door 18e-eeuwse hand: Contractus inter abbatem Siburgensem et capitulum Traiectense de quinque caratis vini / B10 / 1189.
Bezegeling: één uithangend bevestigd zegel, dat niet aangekondigd is, namelijk: S1 van de abdij van Siegburg, van witte was, beschadigd. Voor een beschrijving en afbeelding van S1, zie Venner, ‘Zegels’, nr. 39.
Afschriften
B. eind 13e eeuw, Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002A, archief van het kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 10 (cartularium) = [Liber privilegiorum], fol. 16r-16v (= nieuwe fol. 33r-33v), nr. 33, naar A. – [C]. niet voorhanden, maar bekend uit D, cartularium van het Sint-Servaaskapittel te Maastricht = Liber A, fol. 70. – D. vóór 1768, Ibidem, toegangsnr. 22.001A, Handschriftencollectie (voormalig) Gemeentearchief Maastricht, 14de-20ste eeuw, inv. nr. 199a (cartularium) = Diplomata Trajectensia de anno 800 ad 1399, p. 210, onder de rubriek: Transactie tusschen het capittel van St. Servaes ende de moniken van het clooster Cibryen, waerbij voorg. clooster cedeert haere tyndens soe van lant, weyden, wyngaerdens als van de beesten, gehoorende onder de parochie van Gulsen waertegens het capittel jaarlycs sal geven vyff caratteren wijn van haar gewasch, niet van den besten, nocht niet van den slechsten, de 7 indictie 1189, afschrift door G.J. Lenarts, stadssecretaris van Maastricht, mogelijk naar [C].
Uitgave
a. Hackeng, Het middeleeuwse grondbezit, 304, nr. 87 (onvolledig) (gedateerd 1189), naar A.
Regesten
De Borman, ‘Notice’, 25 (gedateerd 1189). – Doppler, ‘Verzameling’, 254-255, nr. 58 (gedateerd 1189). – Haas, Chronologische lijst, 32, nr. 44 (gedateerd 1189). – Nuyens, Inventaris Sint-Servaas, 90, nr. 338 (gedateerd 1189). – DiBe ID 6187 (gedateerd 1189).
Datering
Het gebruik van de kerststijl in zowel het bisdom Luik als het aartsbisdom Keulen is verondersteld, zie Camps, ONB I, XX, Dillo en Van Synghel, ONB II, XVII, en Polak en Dijkhof, Oorkondenboek Kloosterrade, XVI. De terminus ante quem wordt bepaald door het einde van de opgegeven zevende indictie, die loopt tot 23 september.
Ontstaan en samenhang
Van deze oorkonde is op naam van de abdij van Siegburg en de kanunniken van het Sint-Servaaskapittel te Maastricht een renversaal vervaardigd met dezelfde datering. Deze oorkonde is in origineel overgeleverd en wordt bewaard in het Landesarchiv te Duisburg, NRW Abteilung Rheinland, AA 0504 /Siegburg, Urkunden, nr. 63. Voor een uitgave van dit renversaal, zie Beyer, Eltester en Goerz, Urkundenbuch, 132, nr. 95 (gedateerd 1189) en Wisplinghoff, Urkunden Siegburg, 168-169, nr. 77. Volgens Wisplinghoff zijn beide originelen door eenzelfde hand geschreven. Voor de erkenning door de abt van Siegburg van het recht op de tiend van Güls d.d. 1263 november 4, zie Collectie Sint-Servaaskapittel, nr. 23.

Nummer 9
Hendrik IV., Herzog van Limburg und Graf van Berg, teilt mit, daß die Äbtissin und der Konvent der Abtei Thorn ein Gehöft in Drinhausen an Jan, Kleriker von Körrenzig und Kanoniker von Lüttich, übertragen haben. Jan hat dieses Gehöft bezahlt, so daß er, solange er lebt, frei darüber verfügen kann. Nach seinem Tod werden seine Güter frei an Thorn zufallen.
Hendrik IV, hertog van Limburg en graaf van Berg, maakt bekend dat abdis en convent van Thorn aan Jan, geestelijke van Körrenzig en kanunnik van Luik, voor de duur van zijn leven een hoeve te Drinhausen hebben overgedragen.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 01.187A, archief Vrije Rijksheerlijkheid Thorn, inv. nr. 14.
Aantekeningen op de achterzijde: 1o door 13e-eeuwse hand: De curte de Drinhusen. – 2o door 16e-eeuwse hand: Donatio, 1235. – 3o door 17e-eeuwse hand: J, V.
Bezegeling: één afhangend bevestigd zegel, dat aangekondigd is, namelijk: S1 van Hendrik IV, hertog van Limburg en graaf van Berg, van witte was, beschadigd; met beschadigd tegenzegel CS1. Voor een beschrijving en afbeelding van S1 en CS1, zie Venner, ‘Zegels Thorn’, 38-39.
Afschrift
B. eerste helft 15e eeuw, Maastricht, HCL, toegangsnr. 01.187B, archief Vrije Rijksheerlijkheid Thorn, inv. nr. 1628 (voorheen cartularium nr. 1) = Cartularium abbatiae imperialis Thorensis, 966-1600, p. 97 (oude fol. 53r), onder de rubriek: E, De censu in Bergheyke, naar A.
Uitgaven
a. Franquinet, Beredeneerde inventaris Thorn, 13-14, nr. 8 (gedateerd 1235 december), naar B. – b. Habets, Archieven Thorn, 13-14, nr. 14 (gedateerd 1235 december), naar A.
Regest
Haas, Chronologische lijst, 43, nr. 83 (gedateerd 1235 december).
Datering
Aangenomen is dat de bisschoppen van Luik omstreeks 1230 overgegaan zijn van kerst- naar paasstijl en dat de religieuze instellingen in het bisdom Luik dit pas enige tijd later hebben gevolgd, zie Camps, ONB I, XXI. Bijgevolg is voor de datering van onderhavige oorkonde het gebruik van de kerststijl verondersteld. Het is niet voor de hand liggend dat deze oorkonde tot stand is gekomen in de omgeving van de oorkonder, de hertog van Limburg, aangezien Polak en Dijkhof, Oorkondenboek Kloosterrade, XVI-XVII, stelden dat er geen bewijs is voor een hertogelijke kanselarij in deze periode. Voor de oorkonden uit de periode tussen 1200-1230 hebben zij het gebruik van kerststijl in de hertogelijke oorkonden aangenomen. Indien onderhavige oorkonde toch in het milieu van de hertog van Limburg zou zijn ontstaan én gedateerd zijn naar de paasstijl, dan dateert deze oorkonde uit de periode 1-31 december 1235.

Nummer 9
Die Schöffen (Ratsherren) von Maastricht verkünden die Einigung im Streit um die Güter des Ritters Godfrey von Heer, zwischen dem Verwalter und dem gesamten Konvent von Sint-Gerlach in Houthem einerseits und Wolter van Mesch, Bürger von Maastricht, Jutta und Mathilde, Enkelinnen von Godfrey von Heer, und ihrem Vormund Leonius andererseits. In Anwesenheit der Ratsherren von Maastricht, des Bürgermeisters und der Ratsherren von Heer sowie von Verwandten und Freunden von Jutta und Mathilde vereinbarten die Parteien, dass der Verwalter und der Konvent von Sint-Gerlach von den strittigen Gütern fünf "bunder" (= etwa 4 ha) Ackerland, das zum Hof van Heer gehörte, als Erbbesitz erhalten sollen. Wolter van Mesch, Vormund Leonius, und Mathilde, die Mutter von Jutta und Mathilde, verzichten zu Gunsten des Verwalters und des Klosters auf die genannten fünf "bunder" Land. Der Verwalter und der Konvent verzichteten ihrerseits zu Gunsten von Wolter, Jutta und Mathilde auf alle anderen Güter von Godfrey von Heer, sowohl innerhalb als auch außerhalb von Maastricht.
Schepenen van Maastricht oorkonden inzake het geschil over goederen van Godfried van Heer, ridder, tussen proost en convent van Sint-Gerlach (te Houthem) enerzijds en Wolter van Mesch, burger van Maastricht, Jutta en Mathilde, dochters van Adam, zoon van Godfried van Heer, en hun voogd Leonius anderzijds dat ten overstaan van hen, meier en schepenen van Heer en verwanten en vrienden van Jutta en Mathilde overeengekomen is dat proost en convent van Sint-Gerlach uit de betwiste goederen vijf bunder akkerland, afhangend van de hof van Heer, naar erfelijk recht zullen hebben. Wolter, Leonius en Mathilde, moeder van Jutta en Mathilde, hebben ten behoeve van proost en convent afstand gedaan van genoemde vijf bunder en proost en convent hebben op hun beurt ten behoeve van Wolter, Jutta en Mathilde ook afstand gedaan van alle overige goederen van Godfried van Heer, zowel binnen als buiten Maastricht.
Origineel
A. Maastricht, RHCL, toegangsnr. 14.D003, archief klooster Sint-Gerlach te Houthem, inv. nr. 34, reg. nr. 8. Gelinieerd.
Aantekeningen op de achterzijde: 1o door 13e-eeuwse hand: Littera de Heer. – 2o door laatste kwart 14e-eeuwse hand: X. – 3o door 17e-eeuwse hand: 1253. – 4o door 18e-eeuwse hand: Litere Godefridi de 5 bonnariis in Here, num. 75.
Bezegeling: vier uithangend bevestigde, dubbel doorgestoken zegels, die aangekondigd zijn, namelijk: S1 van Godfried Dives, schepen van Maastricht, van witte was, beschadigd. – S2 van Manegold, schepen van Maastricht, van witte was, beschadigd. – S3 van Godfried, zoon van vrouwe Osa, schepen van Maastricht, van witte was, beschadigd. – S4 van Boudewijn de Molendino, schepen van Maastricht, van witte was, beschadigd. Voor een beschrijving van S1, S2, S3 en S4, zie Venner, ‘Zegels klooster Sint-Gerlach’, 160-162.
Afschrift
B. 1735, Maastricht, RHCL, toegangsnr. 14.D003, archief klooster Sint-Gerlach te Houthem, inv. nr. 1 (cartularium) = Privelegien ende register der obligatien en andere erffcontracten des adelijcken cloosters van St. Gerlach, p. 121-122, onder de rubriek: Litere Godefridi de 5 bonnariis terre arabilis de Here hereditarie possidendis, en in de marge: Num. 75, met opgave van vier bezegelingsplaatsen, naar A.
Uitgaven
a. Franquinet, Beredeneerde inventaris St. Gerlach, IV, 10-12, nr. 7 (gedateerd april 1253), naar A. – b. Nève, De dertiende-eeuwse schepenoorkonden, 3-4, nr. 1253.04.00 (met vertaling), (gedateerd april 1253), naar A.
Regesten
Haas, Inventaris Sint Gerlach, 70, reg. nr. 8. (gedateerd april 1253). – Idem, Chronologische lijst, 48, reg. nr. 101 (gedateerd april 1253).
Datering
Het gebruik van paasstijl in het bisdom Luik is verondersteld, zie Camps, ONB I, XXI, en Dillo en Van Synghel, ONB II, XVII. Aangezien het paasjaar 1253 loopt van 18 maart 1253 tot 10 april 1254, is zowel de datering 18-30 april 1253 mogelijk als 1-9 april 1254.
Ontstaan
De schrijfhand van onderhavige oorkonde vertoont gelijkenis met die in de oorkonde van Dirk II, heer van Valkenburg, d.d. 1254.07.05, én met de hand die vier jaar later twee oorkonden mundeerde voor het klooster Sint-Gerlach, zie infra nrs. 10, 13 en 14. Deze originelen hebben ook eenzelfde opmaak: de scriptor heeft de oorkondetekst niet op de aangebrachte liniёring geschreven, maar ruim boven deze lijnen.

Urkunde 9
Arnold I., Erzbischof von Köln, bestätigt der Abtei Kloosterrade den Besitz von Gütern in Bornheim, die Jan von Bornheim übertragen hat, in Ameln, von Gütern, die er von Abt Folmer von Lonnig und anderen gekauft hat, und von Gütern in Niedermerz, die Werner Rufus von Niedermerz geschenkt hat.
Arnold I, aartsbisschop van Keulen, bevestigt de abdij Kloosterrade in het bezit van goederen te Bornheim, overgedragen door Jan van Bornheim, te Ameln, van goederen gekocht van abt Folmer van Lonnig en van anderen, en van goederen te Niedermerz geschonken door Werner Rufus van Niedermerz.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.D004, archief abdij Kloosterrade, inv. nr. 778.
Uitgave
a. Polak en Dijkhof, Oorkondenboek Kloosterrade, 49-51, nr. 17, naar A.
Datering en echtheid
Voor de datering en de eventuele onechtheid van deze oorkonde, zie de uitgave van Polak en Dijkhof.

Nummer 9
Wilhelm, Archidiakon von Trier, erklärt, dass Willem, Vogt von Chiny, das Patronatsrecht der Kirche von Jamoigne an die Abtei von Orval übertragen hat und dass Blihard, Kanoniker von Reims und Pfarrer von Jamoigne, Bruder des Vogts von Chiny, seine Rechte an die Abtei übertragen hat.
Willem, aartsdiaken van Trier, verklaart dat Willem, voogd van Chiny, het patronaatsrecht van de kerk van Jamoigne heeft geschonken aan de abdij van Orval en dat Blihard, kanunnik van Reims en pastoor van Jamoigne, broer van de voogd van Chiny, zijn rechten heeft overgedragen aan de abdij.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002A, archief kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 1791. Gelinieerd.
Aantekeningen op de achterzijde: 1o door 14e-eeuwse hand XVII. – 2o door 17e-eeuwse hand: Pro patronatu et investitura ecclesie de Jamoigne. – 3o door 18e-eeuwse hand: Jamoigne 1193.
Bezegeling: één uithangend bevestigd zegel, dat aangekondigd is, namelijk: S1 van Willem aartsdiaken van Trier, van rode was, gaaf. Voor een beschrijving en afbeelding van S1, zie Venner, ‘Zegels’, nr. 17.
Afschrift
Niet voorhanden.
Uitgaven
a. Goffinet, Cartulaire, 110-111, nr. LXXI (onvolledig) (gedateerd 1193), naar een afschrift in een cartularium van de abdij van Orval. – b. DiBe ID 2465 (gedateerd 1193), naar a.
Regesten
Wauters, Table chronologique VII, 386 (gedateerd 1193). – Tandel, ‘Les communes Luxembourgoises’, 437, nr. 8 (gedateerd 1193). – Haas, Chronologische lijst, 32, nr. 46 (gedateerd 1193). – Nuyens, Inventaris Sint-Servaas, 186, nr. 1791 (gedateerd 1193).
Datering
Het gebruik van de in het aartsbisdom Trier gehanteerde boodschapstijl is verondersteld, zie Strubbe en Voet, Chronologie, 54.
Tekstuitgave
Het onderscheid tussen c en t is niet goed zichtbaar.

Urkunde 10
Dirk II., Herr von Valkenburg, schenkt dem Verwalter und dem Konvent des Klosters Sint-Gerlach in Houthem neun "bunder" (= 7,2 ha) Land in Hatersbruc und vier "bunder" (= 3,2 ha) seines freien Grundbesitzes in Houthem sowie eine "cijns" (Zins oder Steuer) von fünfzehn Lütticher Schilling. Das Kloster war ihm diese Zahlung aufgrund einer früheren Schenkung von vier Mark schuldig. Dirk legt auch fest, dass das Kloster verpflichtet ist, von diesen Spenden jedes Jahr eine Mark für den Gedenkgottesdienst am Todestag seiner Frau Berta zu verwenden und drei Mark für die immerwährende Feier einer täglichen Messe für die Verstorbenen.
Dirk II, heer van Valkenburg, schenkt aan proost en convent van het klooster Sint-Gerlach negen bunder land te Hatersbruc, vier in zijn allodium te Houthem en een cijns van vijftien schelling Luiks die het klooster hem verschuldigd was wegens een eerdere schenking van vier mark. Hij bepaalt tevens dat het klooster gehouden is daaruit jaarlijks een mark te bestemmen voor de pitantie bij het jaargetijde van zijn echtgenote Berta en drie mark voor het eeuwigdurend opdragen van een dagelijkse mis voor de overledenen.
Origineel
A. Maastricht, RHCL, toegangsnr. 14.D003, archief klooster Sint-Gerlach te Houthem, inv. nr. 152, reg. nr. 9. Gelinieerd.
Aantekeningen op de achterzijde: 1° door laatste kwart 14e-eeuwse hand: Littera de IX bonuaria terre et de IIII bonuaria etcetera. – 2° door laatste kwart 14e-eeuwse hand: L j. – 3° door 17e-eeuwse hand: 1254. – 4° door 18e-eeuwse hand: Num. 70.
Bezegeling: drie uithangend bevestigde, dubbel doorgestoken zegels, die aangekondigd zijn, namelijk: S1 van Dirk II, heer van Valkenburg, van bruine was, beschadigd, met CS1, beschadigd. – S2 van Engelbert (van Valkenburg), aartsdiaken van Luik, van groene was, beschadigd. – S3 van Alard van Haasdal, ridder, van bruine was, gaaf; en twee bevestigingen, vermoedelijk voor de aangekondigde zegels van Gozewijn Dukere, ridder, en Adam van Borgharen, ridder, (SD4 en SD5). Voor een beschrijving en afbeelding van S1, S2 en S3, zie Venner, ‘Zegels klooster Sint-Gerlach’, respectievelijk 158, 150-151 en 160.
Afschrift
B. 1736, Maastricht, RHCL, toegangsnr. 14.D003, archief klooster Sint-Gerlach te Houthem, inv. nr. 1 (cartularium) = Privelegien ende register der obligatien en andere erffcontracten des adelijcken cloosters van St. Gerlach, p. 115-116, onder de rubriek: Littere Theodorici, domini de Valckenburgh, de novem bonnariis terre et quatuor (verbeterd uit andere letters) iacentibus in Hatersbruc et in Holtheijm, en in de marge: Num. 70, met opgave van vijf bezegelingsplaatsen, naar A.
Uitgave
a. Franquinet, Beredeneerde inventaris St. Gerlach, IV, 12-13, nr. 8, naar A.
Regesten
Haas, Inventaris Sint Gerlach, 70-71, reg. nr. 9. – Idem, Chronologische lijst, 48, reg. nr. 102.
Ontstaan
De schrijfhand van onderhavige oorkonde vertoont gelijkenis met die in een schepenoorkonde van Maastricht uit 1254 inzake een geschil waarbij proost en convent van Sint-Gerlach betrokken zijn, alsmede met de hand die vier jaar later twee oorkonden mundeerde voor het klooster Sint-Gerlach, zie infra nrs. 9, 13 en 14. Deze originelen hebben ook een identieke karakteristieke opmaak: de scriptor heeft de oorkondetekst niet op de aangebrachte liniёring geschreven, maar ruim boven deze lijnen.
Tekstuitgave
Het onderscheid tussen c en t is niet goed zichtbaar.
Urkunde 10
Hildegonde, Äbtissin, und das Kapitel Unserer Lieben Frau von Thorn übertragen einstimmig den Zehnten von Hemert und die Einkünfte von Avezaath in ewiger Pacht an Abt und Konvent der Sint-Paulus Abtei in Utrecht gegen eine jährliche Pacht, die am 1. Mai in der Kirche von Thorn zu entrichten ist. Außerdem erhält der Abt von der Äbtissin von Thorn die Kirche von Hemert mit dem Zehnten, ihren eigenen Gütern und den anderen Einkünften, die jetzt der Pfarrei gehören.
Hildegonde, abdis, en het Onze-Lieve-Vrouwekapittel van Thorn geven aan abt en convent van de Sint-Paulusabdij te Utrecht de tiend van Hemert en de inkomsten te Avezaath tegen een jaarlijkse eeuwigdurende pacht van zes mark Keuls en bepalen dat de abt van de Sint-Paulusabdij de inkomsten van het personaat zal bezitten na het overlijden van de pastoor van Hemert.
Origineel
[A]. Niet voorhanden, maar bekend uit B.
Afschrift
B. 1269 maart 25, Maastricht, HCL, toegangsnr. 01.187A, archief Vrije Rijksheerlijkheid Thorn, inv. nr. 16, vidimus door Amelis, domdeken, en Steven, deken van de Sint-Pieterskerk te Utrecht, naar [A].
Uitgave
a. Heeringa, OSU II, 312-313, nr. 909, naar B.
Samenhang
Voor het vidimus van de domdeken en de deken van de Sint-Pieterskerk te Utrecht d.d. 1269 maart 25, zie Collectie Thorn, nr. 29.

Urkunde 10
<Hendrik II, bisschop van Luik, bevestigt de overbrenging van de kloosterzusters vanuit de abdij Kloosterrade en vanuit Scharn naar Sinnich, de dotatie van een nieuw vrouwenconvent aldaar met goederen die evenwel eigendom van de abdij blijven, alsmede de onderhorigheid van dat convent aan de abdij.>
<Hendrik II, bisschop van Luik, bevestigt de overbrenging van de kloosterzusters vanuit de abdij Kloosterrade en vanuit Scharn naar Sinnich, de dotatie van een nieuw vrouwenconvent aldaar met goederen die evenwel eigendom van de abdij blijven, alsmede de onderhorigheid van dat convent aan de abdij.>
Schijnbaar origineel
<A>. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.D004, archief abdij Kloosterrade, inv. nr. 1700.
Uitgave
a. Polak en Dijkhof, Oorkondenboek Kloosterrade, 56-60, nr. 20, naar A.
Echtheid
Deze oorkonde is zonder twijfel onecht en vier of vijf eeuwen later ontstaan, zie de uitgave van Polak en Dijkhof.
Teksteditie
Het veelvuldige gebruik van de superieure o op u of v is niet overgenomen.

Urkunde 10
Kaiser Friedrich II. nimmt die Sint-Servaaskirche in Maastricht unter seinen Schutz und bestätigt alle von seinen Vorgängern gewährten Privilegien.
Keizer Frederik II neemt de Sint-Servaaskerk te Maastricht onder zijn bescherming en bevestigt alle door zijn voorgangers verleende privileges.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002A, archief kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 47. Beschadigd zonder tekstverlies.
Bezegeling: één uithangend bevestigd zegel, dat aangekondigd is, namelijk: S1 van keizer Frederik II, van bruine was, gaaf. Voor een beschrijving en afbeelding van het zegel, zie Venner, ‘Zegels’, nr. 44.
Afschriften
B. 1273 november 1, Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002A, archief kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 54, insertie in een oorkonde van rooms-koning Rudolf I, naar A. – C. eind 13e eeuw, Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002A, archief kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 10 (cartularium) = [Liber privilegiorum], fol. 10r-11r (= nieuwe fol. 27r-28r), nr. 18, naar B.
Uitgaven
a. Koch, Die Urkunden Friedrichs II., 284-286, nr. 313, naar A. – b. Hackeng, Het middeleeuwse grondbezit, 309-310, nr. 96a (onvolledig), naar A. – DiBe ID 15320, naar a.
Regesten
Zie Koch, Die Urkunden Friedrichs II., 285, en DiBe ID 15320.
Ontstaan en samenhang
In onderhavige oorkonde zijn tekstdelen ontleend aan de oorkonde uit 1109 van Hendrik V, zie Collectie Sint-Servaas, nr. 3. Voor de tekstdelen die aan deze vooroorkonde zijn ontleend en afgedrukt zijn in een kleiner lettertype, zie Van Synghel, Oorkonden Sint-Servaaskapittel, 76. Tevens is dit de vooroorkonde van de oorkonde van rooms-koning Hendrik VII d.d. 1222 mei 9, zie Collectie Sint-Servaaskapittel, nr. 12. Onderhavige oorkonde is ook geïnsereerd in de oorkonde van rooms-koning Rudolf I d.d. 1273 november 1, zie Collectie Sint-Servaaskapittel, nr. 36. Blijkens Koch, Die Urkunden Friedrichs II., 285, is de scribent van onderhavige oorkonde niet bekend, maar kan het dictaat worden toegeschreven aan een anonieme scribent uit de keizerlijke kanselarij, Anonymus J.
Urkunde 11
Wolter, Oberer der Minderbrüder in Maastricht, stellt eine Urkunde über ein Vermächtnis des Ritters Gerard von Scherwier an den Ritter Adam von Nuth aus, in der es um die Zahlung von 30 Mark aus unrechtmäßig erworbenem Besitz geht.
Wolter, gardiaan (van de minderbroeders) te Maastricht, vaardigt een oorkonde uit inzake de onrechtmatig verworven goederen van Gerard van Scherwier, ridder, naar aanleiding van diens schenking van 30 mark die Adam van Nuth, ridder, hem verschuldigd was. (Deperditum)
Origineel
Niet voorhanden.
Afschrift
Niet voorhanden.
Vermelding
Deze oorkonde is bekend uit de dispositio van een oorkonde van Gerard van Scherwier, ridder, zie infra nr. 12, alwaar onderhavige oorkonde wordt vermeld: sub tali forma quod si bona mea iniuste acquisita, que plenius invenientur in litera quam Wolterus, gardianus Traiectensis, super ordinationem mee legationis conscripsit de triginta marcis quas Adam, miles, de Nutte debet mihi, persolvi enim poterunt de proventibus fructuum terre prenominate, persolvuntur de anno in annum quoadusque secundum tenorem dicte litere competenter fuerint persoluta.
Uitgave
Niet eerder uitgegeven.

Urkunde 11
Hildegonde, Äbtissin, und der Konvent der Abtei Thorn haben aus Furcht vor untragbaren Zinsen einstimmig beschlossen, die Geldsumme, die sie jährlich Anfang Oktober von den Pächtern der Höfe von Baarle und Gilze erhalten, an Godfried, Herr von Breda, zu verkaufen. Sollte Godfrey den Erlös nicht zum vereinbarten Zeitpunkt erhalten, wird er ihre Pfänder entgegennehmen und die Entschädigung nach dem Urteil der Schöffen einfordern. Robert, Bischof von Lüttich, und Heinrich, Herzog van Lotharingen und Brabant, genehmigen diesen Verkauf mit einer Urkunde.
Hildegonde, abdis, en het convent van de abdij van Thorn verkopen met toestemming van de bisschop van Luik en de hertog van Brabant aan Godfried IV, heer van Breda, vijf mark Keuls uit de cijns die de grondgebruikers van de hoven te Baarle en Gilze jaarlijks aan de abdij verschuldigd zijn.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 01.187B, archief Vrije Rijksheerlijkheid Thorn, voorl. inv. nr. 2218.
Uitgave
a. Dillo en Van Synghel, ONB II, 262-264, nr. 995, naar A.

Urkunde 11
Heinrich II., Bischof von Lüttich, bestätigt die Schenkung der Kirche von Lommersum mit der gesamten dos, familia und den Zehnten durch die Nachkommen von Jutta, der Ehefrau des Herzogs Walram II. van Limburg, an die Abtei Kloosterrade, die Jutta bei ihrem Eintritt in die Abtei übertragen hatte.
Hendrik II, bisschop van Luik, bevestigt de schenking van de kerk te Lommersum met de gehele dos, de familia en de tienden door de nakomelingen van Jutta, echtgenote van hertog Walram II van Limburg, aan de abdij Kloosterrade, welke kerk bij haar intrede door Jutta aan de abdij was overgedragen.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.D004, archief abdij Kloosterrade, inv. nr. 802, 1.
Uitgave
a. Polak en Dijkhof, Oorkondenboek Kloosterrade, 60-63, nr. 21, naar A.
Datering en echtheid
Voor de datering en de eventuele onechtheid van deze oorkonde, zie de uitgave van Polak en Dijkhof.

Urkunde 11
Otto (van Everstein), Propst des Aachener Liebfrauenkapitels und des Sint-Servaaakapitels in Maastricht, schenkt dem Sint-Servaaskapitel das Patronatsrecht über die Sint-Janskirche in Maastricht.
Otto (van Everstein), proost van (het Onze-Lieve-Vrouwekapittel te) Aken en het Sint-Servaaskapittel te Maastricht, schenkt het patronaatsrecht van de Sint-Janskerk te Maastricht aan het Sint-Servaaskapittel.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002A, archief kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 816.
Aantekeningen op de achterzijde: 1o door 13e-eeuwse hand: De ecclesia Sancti Iohannis. – 2o door 16e-eeuwse hand: 1218 / g II. – 3o door 17e-eeuwse hand: [***] dedit [***]. – 4o door 17e-eeuwse hand: In capsula fab[rice] excopiata numero 7. – 5o door 18e-eeuwse hand: 1218 mense iulio. – 6o door 18e-eeuwse hand: 16.
Bezegeling: één uithangend bevestigd zegel, dat aangekondigd is, namelijk: S1 van Otto, proost van het Onze-Lieve-Vrouwekapittel te Aken en van het Sint-Servaaskapittel te Maastricht, van bruine was, beschadigd. Voor een beschrijving en afbeelding van S1, zie Venner, ‘Zegels’, nr. 30.
Afschriften
B. eind 13e eeuw, Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002A, archief van het kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 10 (cartularium) = [Liber privilegiorum], fol. 16v (= nieuwe fol. 33v), nr. 24, naar A. – C. 1640, Ibidem, idem, inv. nr. 1741 (cartularium) = Liber sive regestum originis ecclesie Sancti Seruatii Traiec[tensis] illiusque privilegiorum, donationum ac iurium ex originalibus et libro chartarum manu Ioannis Choris, receptoris capituli, descriptorum, p. 27, onder de rubriek: 21, Otto, prepositus, declarat ecclesiam Sancti Ioannis spectare ad capitulum, naar A. – D. 17e eeuw, Ibidem, idem, inv. nr. 13 (cartularium) = [Liber privilegiorum et bonorum], fol. 95r, onder de rubriek: Otto, prepositus, cedit ius patronatus ecclesie de Sancti Iohannis Baptiste anno 1218, vide folio 93, mogelijk naar A. – [E]. niet voorhanden, maar bekend uit F, cartularium van het Sint-Servaaskapittel te Maastricht = Liber A, fol. 68v. – F. vóór 1768, Ibidem, toegangsnr. 22.001A, Handschriftencollectie (voormalig) Gemeentearchief Maastricht, 14de-20ste eeuw, inv. nr. 199a (cartularium) = Diplomata Trajectensia de anno 800 ad 1664, p. 236, onder de rubriek: Otto, prepositus Sancti Servatii confert capitulo libere et absolute ius patronatus ecclesie Sancti Ioannis Baptiste in Traiecto, 8 juli 1210, naar [E]. – G. vóór 1768, Ibidem, idem, fol. 248, onder de rubriek: Otto, prepositus Sancti Servatii declarat ecclesiam Sancti Ioannis spectare ad capitulum Sancti Servatii, mense iulii 1218.
Uitgave
a. Teichmann, ˈAachen’, 106, nr. 1, naar A.
Regesten
Willemsen, ‘Inventaire’, 167, nr. 6. – De Borman, ‘Notice’, 28. – Habets, ‘Codex diplomaticus’, 37, nr. 52. – Wauters, Table chronologique III, 681. – Doppler, ‘Verzameling’, 263, nr. 76. – Haas, Chronologische lijst, 35, nr. 57. – Nuyens, Inventaris Sint-Servaas, 149, nr. 816. – DiBe ID 15962.
Samenhang
Blijkens een ongedateerde oorkonde vond de schenking van het patronaatsrecht door Otto van Everstein plaats met toestemming van rooms-koning Frederik, die dit in een koninklijke oorkonde d.d. 26 december 1218 bevestigde (zie Doppler, ‘Verzameling’, 263-264, nr. 77 (gedateerd vóór 26 december 1218), en Idem, ‘Verzameling’, 264, nr. 78). In een eveneens ongedateerde oorkonde bevestigt Engelbert van Berg, aartsbisschop van Keulen, deze overdracht door keizer Frederik II, zie Collectie Sint-Servaaskapittel, nr. 13. Voor de oorkonde d.d. 9 mei 1222 van rooms-koning Hendrik VII, waarin hij het Sint-Servaaskapittel onder zijn bescherming neemt, alle privileges bevestigt en de schenking van het patronaatsrecht door Otto van Everstein bekrachtigt, zie Collectie Sint-Servaaskapittel, nr. 12.
Urkunde 12
Ritter Gerard van Scherwier, schenkt dem Kloster Sint-Gerlach in Houthem ein halbes Gehöft mit Ackerland aus seinem freien Grundbesitz zwischen Swier und Laar. Diese Schenkung erfolgt unter der Bedingung, dass damit eine Schuld von 30 Mark getilgt wird. Der Konvent Sint-Gerlach wird nach der Rückzahlung ungestört die Hälfte des Hofes besitzen, unter der Bedingung, dass der Konvent für immer und ewig am Jahrestag seines Todes den Gedenkgottesdienst für seine Frau Agnes und seine Eltern abhalten wird, Messen lesen und eine Weinbewirtung zahlen wird.
Gerard van Scherwier, ridder, schenkt aan het klooster Sint-Gerlach (te Houthem) een halve hoeve akkerland uit zijn allodium tussen Swier en Laar op voorwaarde dat daaruit een schuld van 30 mark wordt afgelost en dat het klooster eeuwigdurend zijn jaargetijde en dat van zijn echtgenote Agnes en zijn ouders zal houden, de missen zal opdragen en een pitantie zal uitkeren.
Origineel
[A]. Niet voorhanden, blijkens B bezegeld met twee zegels.
Afschrift
B. 1735, Maastricht, RHCL, toegangsnr. 14.D003, archief klooster Sint-Gerlach te Houthem, inv. nr. 1 (cartularium) = Privelegien ende register der obligatien en andere erffcontracten des adelijcken cloosters van St. Gerlach, p. 188-189, nr. 126, onder de rubriek: Anniversarium Gerardi de Scherwire, en in de marge: Num. 126, met opgave van twee bezegelingsplaatsen, naar [A].
Uitgave
Niet eerder uitgegeven.
Samenhang
In onderhavige oorkonde wordt melding gemaakt van een oorkonde van Wolter, gardiaan van de minderbroeders te Maastricht, inzake de ten onrechte verworven goederen door Gerard van Scherwier, ridder: si bona mea iniuste acquisita, que plenius invenientur in litera quam Wolterus, gardianus Traiectensis, super ordinationem mee legationis conscripsit. Voor dit deperditum, zie infra nr. 11.

Urkunde 12
Hildegonde, Äbtissin, und der Konvent der Abtei Thorn vereinbaren eine gegenseitige Aufteilung der Güter und Einkünfte in Thorn, Bocholt, Baexem, Cobbenhese, Neer, Avezaath, Hemert, Eisden, Bergeijk, Übach, Wessem, Leveroy, Dasselre, Beersel, Rode, Ell, Haler, Oeteren, Gilze, Baarle und Grathem.
Hildegonde, abdis, en het convent van de abdij van Thorn maken een onderlinge verdeling van de goederen en inkomsten te Thorn, Bocholt, Baexem, Cobbenhese, Neer, Avezaath, Hemert, Eisden, Bergeijk, Übach, Wessem, Leveroy, Dasselre, Beersel, Rode, Ell, Haler, Oeteren, Gilze, Baarle en Grathem.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 01.187A, archief Vrije Rijksheerlijkheid Thorn, inv. nr. 20.
Uitgave
a. Dillo en Van Synghel, ONB II, 264-266, nr. 996, naar A.

Urkunde 12
Friedrich II., Erzbischof von Köln, bestätigt die Schenkung der Kirche zu Lommersum mit der gesamten dos, familia und dem Zehnten durch die Nachkommen Juttas, der Gemahlin des Herzogs Walram II. von Limburg, an die Abtei Kloosterrade, die Jutta bei ihrem Eintritt in die Abtei der Abtei übertragen hatte; im Anschluss an Erzbischof Arnold I. bestätigt er der Abtei auch den Besitz mehrerer namentlich genannter Güter.
Frederik II, aartsbisschop van Keulen, bevestigt de schenking van de kerk te Lommersum met de gehele dos, de familia en de tienden door de nakomelingen van Jutta, echtgenote van hertog Walram II van Limburg aan de abdij Kloosterrade, welke kerk bij haar intrede door Jutta aan de abdij was overgedragen; in navolging van aartsbisschop Arnold I bevestigt hij de abdij tevens in het bezit van verscheidene met name genoemde goederen.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.D004, archief abdij Kloosterrade, inv. nr. 802, 2.
Uitgave
a. Polak en Dijkhof, Oorkondenboek Kloosterrade, 73-76, nr. 29, naar A.
Datering en echtheid
Voor de datering en de eventuele onechtheid van deze oorkonde, zie de uitgave van Polak en Dijkhof.
Tekstuitgave
Enkele woorden in de datumregel zijn onder het opgedrukte zegel terechtgekomen. Voor de aanvulling, zie de uitgave van Polak en Dijkhof.

Urkunde 12
Der römische König Heinrich VII. nimmt die Sint-Servaaskirche in Maastricht unter seinen Schutz, bestätigt die von seinen Vorgängern gewährten Privilegien sowie die Schenkung des Patronatsrechts der Sint-Janskirche in Maastricht an das Sint-Servaaskapitel durch (Otto), Propst (des Onze-Liev-Vrouwkapitels in) Aachen und das Sint-Servaakapitel in Maastricht.
Rooms-koning Hendrik VII neemt de Sint-Servaaskerk te Maastricht onder zijn bescherming, bevestigt de door zijn voorgangers verleende privileges alsmede de schenking van het patronaatsrecht van de Sint-Janskerk te Maastricht aan het Sint-Servaaskapittel door (Otto), proost van (het Onze-Lieve-Vrouwekapittel te) Aken en het Sint-Servaaskapittel te Maastricht.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002A, archief kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 17. Gelinieerd. Beschadigd met tekstverlies.
Aantekeningen op de achterzijde: 1o door 13e-eeuwse hand: Henrici VII regis. – 2o door 14e-eeuwse hand: Carta de officatis ecclesie. – 3o door 14e-eeuwse hand: XII doorgestreept. – 4o door 16e-eeuwse hand: Anno 1222. – 5o door 16e-eeuwse hand: R. M I n. – 6o door 17e-eeuwse hand: In capsula imperialium. – 7o door 17e-eeuwse hand: 25 E I (verbeterd uit 25 d I). – 8o door 18e-eeuwse hand: De confirmatione privilegiorum etc., immunitate officiatorum ab exactione iure forensi et civili, a teloneo in omni distructu imperii et cessione per dictum prepositum capitulo factus ad usus eorum super parochia sancti Iohannis.
Bezegeling: één uithangend bevestigd zegel, dat aangekondigd is, namelijk: S1 van rooms-koning Hendrik VII, beschadigd, van witte was. Voor een beschrijving en afbeelding van S1, zie Venner, ‘Zegels’, nr. 46.
Afschriften
B. eind 13e eeuw, Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002A, archief van het kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 10 (cartularium) = [Liber privilegiorum], fol. 7r-7v (nieuwe fol. 24r-24v), nr. 12, naar A. – C. 1640, Ibidem, idem, inv. nr. 1741 (cartularium) = Liber sive regestum originis ecclesie Sancti Seruatii Traiec[tensis] illiusque privilegiorum, donationum ac iurium ex originalibus et libro chartarum manu Ioannis Choris, receptoris capituli, descriptorum, p. 74-75, onder de rubriek: Henricus septimus, imperator, confirmat privilegia ecclesie et maxime quoad libertatem supportatam ab omni exactione, naar A. – D. 17e eeuw, Ibidem, idem, inv. nr. 12 (cartularium) = Cartularium ecclesie collegialis Sancti Servati (aldus) Trajecti ad Mosam, tomus secundus, Documenta imperialia et ducalia, fol. 25v-27r, onder caput: Imperialia, en onder de rubriek: Confirmatio privilegiorum, libertatum etc., specialiter quod officales et ministri ecclesie ab omni iure civili et forensi et omni exactione sint liberi, etiamsi sint mercatores; item libertas thelonii, later, ca. 1757, gewaarmerkt door Membrede, kapittelsecretaris en openbaar notaris, naar A. – [E]. niet voorhanden, maar bekend uit F, cartularium van het Sint-Servaaskapittel te Maastricht = Liber A, fol. 204. – F. vóór 1768, Ibidem, toegangsnr. 22.001A, Handschriftencollectie (voormalig) Gemeentearchief Maastricht, 14de-20ste eeuw, inv. nr. 199a (cartularium) = Diplomata Trajectensia de anno 800 ad 1664, p. 272-273, onder de rubriek: Hendricus septimus, Romanorum rex, confirmat privilegia Sancti Servatii tam exemptionum talliarum quam accysiarum eorum qui in claustris morantur, hac 7 idus maii 1222, gewaarmerkt afschrift door G.J. Lenarts, stadssecretaris van Maastricht, naar A.
Uitgaven
a. Huillard-Bréholles, Historia diplomatica II-2, 738-740, naar een afschrift in een cartularium van het Sint-Servaaskapittel te Maastricht (berustend te Parijs, Bibliothèque Nationale, Fonds Latin). – b. De Borman, ‘Notice’, 31-33, naar B. – c. Sloet, OGZ I, 471, nr. 467 (onvolledig), naar A. – d. DiBe ID 16799, naar a.
Regesten
Verkooren, Inventaire des chartes et cartulaires, 53. – Wauters, Table chronologique III, 687. – Böhmer enFicker, Regesta imperii V-2, 703, nr. 3877. – Knipping, Die Regesten derErzbischöfe von Köln III, 63, nr. 356. – Doppler, ‘Verzameling’, 270-271, nr.94. – Heeringa, OSU II, 152, nr. 702. – Haas,Chronologische lijst, 36, nr. 59. – Böhmer en Zinsmaier, Regesta imperiiV-4, 244. – Nuyens,Inventaris Sint-Servaas, 49, nr. 17.
Samenhang en tekstuitgave
De tekst van onderhavige oorkonde is ontleend aan de oorkonde van keizer Frederik II d.d. 1215 juli 28, zie Collectie Sint-Servaas, nr. 10. Voor de tekstdelen die aan deze vooroorkonde zijn ontleend en afgedrukt zijn in een kleiner lettertype, zie Van Synghel, Oorkonden Sint-Servaaskapittel, 84. Waar één of meer woorden niet zijn overgenomen in de naoorkonde, is een asterisk gebruikt.
Voor de schenkingsoorkonde van Otto, proost van het Onze-Lieve-Vrouwekapittel te Aken en het Sint-Servaaskapittel te Maastricht, d.d. 1218 juli, zie Collectie Sint-Servaas, nr. 11, en de samenhang aldaar. Voor de bevestiging door rooms-koning Rudolf I, d.d. 1273 november 1, met insertie van onderhavige oorkonde, zie Collectie Sint-Servaaskapittel, nr. 36. De lacune in A is aangevuld naar B. Het onderscheid tussen c en t is moeilijk zichtbaar.

Urkunde 13
Jan,Verwalter, und der Konvent des Klosters Sint-Gerlach in Houthem geben bekannt, dass der Konvent die für das Refektorium (Speisesaal) bestimmten Güter und die Einnahmen aus den Bewirtungen, die der Verwalter jährlich bei den Gedenkgottesdiensten am Jahrestag eines Todes aus dem zum Kloster gehörenden Bauernhof gewährt, dem Verwalter zugunsten des gesamten Konvents schenkt. Der Verwalter überträgt seinerseits die Güter in Heek unter Klimmen an das Kloster.
Jan, proost, en convent van het klooster Sint-Gerlach (te Houthem) maken bekend dat het convent de goederen die voor de refter bestemd zijn en de inkomsten van de pitanties die de proost jaarlijks bij de jaargetijden toekent uit de uithof van het convent, aan de proost schenkt ten bate van het hele convent, waarbij de proost op zijn beurt de goederen te Heek onder Klimmen aan het convent toewijst.
Origineel
A. Maastricht, RHCL, toegangsnr. 14.D003, archief klooster Sint-Gerlach te Houthem, inv. nr. 52, reg. nr. 10. Gelinieerd.
Aantekeningen op de achterzijde: 1o door 17e-eeuwse hand: De Heick, 1257. – 2o door 18e-eeuwse hand: Num. 79, 1257.
Bezegeling: twee bevestigingsplaatsen waarvan slechts twee snedes in de pliek zichtbaar zijn, vermoedelijk voor de aangekondigde zegels van de oorkonders (LS1 en LS2).
Afschrift
B. 1735, Maastricht, RHCL, toegangsnr. 14.D003, archief klooster Sint-Gerlach te Houthem, inv. nr. 1 (cartularium) = Privelegien ende register der obligatien en andere erffcontracten des adelijcken cloosters van St. Gerlach, p. 125-126, onder de rubriek: Divisio redituum inter prepositum et conventum ecclesie sancti Gerlaci, en in de marge: Num. 79, met opgave van twee bezegelingsplaatsen, naar A.
Uitgave
a. Franquinet, Beredeneerde inventaris St. Gerlach, IV, 13-14, nr. 9 (gedateerd 1257 februari), naar A.
Regesten
Haas, Inventaris Sint Gerlach, 71, reg. nr. 10 (gedateerd 1257 februari). – Idem, Chronologische lijst, 50-51, reg. nr. 109 (gedateerd 1257 februari).
Datering
Het gebruik van paasstijl in het bisdom Luik is verondersteld, zie Camps, ONB I, XXI, en Dillo en Van Synghel, ONB II, XVII.
Ontstaan
Deze oorkonde is geschreven door dezelfde hand die een paar maanden later de oorkonde van Adam van Amby mundeerde ten behoeve van het klooster Sint-Gerlach, zie infra nr. 14. Deze hand is ook sterk verwant aan de schrijfhand die in 1254 een oorkonde voor de heer van Valkenburg schreef en een schepenoorkonde van Maastricht inzake een geschil waarbij proost en convent van Sint-Gerlach betrokken zijn, 9, 10, 13 en 14. Deze originelen hebben ook eenzelfde karakteristieke opmaak: de scriptor heeft de oorkondetekst niet op de aangebrachte liniёring geschreven, maar ruim boven deze lijnen.
Tekstuitgave
Het onderscheid tussen c en t is niet goed zichtbaar.

Urkunde 13
Elisabeth, eine körperlich und geistig gesunde Nonne der Abtei Thorn, vermacht der Abtei Thorn, unter Vorbehalt ihres Nießbrauchs, alle ihre Güter, Einkünfte und Besitztümer in Wessem, Thorn, Ittervoort, Grathem und Heeze, die sie rechtmäßig durch Kauf erworben hat und die unter der Kirche von Thorn ressortieren. Von den Erträgen geht ein jährlicher Betrag an den Bediener des Katharinenaltars in der Krypta der Kirche von Thorn. Die übrigen Einnahmen sind für Äbtissin, Konvent und Kanoniker bestimmt, mit der Verpflichtung, an Elisabeths Todestag einen Betrag an die Armen zu verteilen. Außerdem dürfen Äbtissin, Konvent und Kanoniker eine Summe, die aus dem Kauf eines an Horn angrenzenden Grundstücks stammt, zu gleichen Teilen unter sich verteilen.
Elisabeth, kloosterzuster van Thorn, legateert onder voorbehoud van haar vruchtgebruik aan de kerk van Thorn en het altaar van Onze-Lieve-Vrouw al haar goederen, leengoederen en de inkomsten uit de cijnzen, gekocht te Wessem, Thorn, Heeze en op de molens van Ittervoort en Grathem. Hiervan is jaarlijks acht pond Leuvens bestemd voor de priester van het altaar van Sint-Catharina in de kerk van Thorn; het resterende deel is toegewezen aan abdis, convent en kanunniken met de verplichting om op haar jaargetijde twaalf penning Luiks uit te keren aan de armen. Tevens laat Elisabeth na haar dood zes mark Luiks na die Hildegonde en haar man Cono haar verschuldigd zijn voor de koop van een stuk land in het grondgebied naast Horn, gelijkelijk te verdelen onder abdis, convent en kanunniken.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 01.187A, archief Vrije Rijksheerlijkheid Thorn, inv. nr. 23.
Uitgave
a. Camps, ONB I, 324-325, nr. 245, naar A.
Samenhang
Onderhavige oorkonde is de vooroorkonde van de oorkonde van N. de Maceriis, kanunnik van het Sint-Janskapittel te Luik en officiaal van Luik, d.d. 1252.04.08 (zie Collectie Thorn, nr. 14). Deze oorkonden vertonen geen schriftverwantschap.

Urkunde 13
Alexander, Propst des Sint-Lambertuskapitels in Lüttich und Archidiakon, teilt den Kanonikern dieses Kapitels, die in Visé residieren, mit, dass Erpo, Abt von Kloosterrade, das Land, für das Udo van Visé und seine Erben die Akzise an die Kirche Sint- Peter in Warsage zu entrichten hatten, von Hendrik van Dongelberg, Pfarrer dieser Kirche, gegen Zahlung der jährlichen Steuerabgabe bei jeder Ernennung eines neuen Abtes erworben hat.
Alexander, proost van het kapittel van St.-Lambert te Luik en aartsdiaken, bericht de kanunniken van dat kapittel, verblijvend te Visé, dat Erpo, abt van Kloosterrade, het land waarvoor Udo van Visé en zijn erfgenamen cijnsplichtig waren aan de St.-Pieterskerk te Warsage, verworven heeft van Hendrik van Dongelberg, pastoor van die kerk, tegen betaling van het bedrag van de jaarcijns bij elke verheffing van een nieuwe abt.
Originelen
A1. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.D004, archief abdij Kloosterrade, inv. nr. 823, chirograaf, gezien de vindplaats bestemd voor de abdij.
[A2]. Niet voorhanden, chirograaf, bestemd voor de wederpartij.
Uitgave
a. Polak en Dijkhof, Oorkondenboek Kloosterrade, 80-81, nr. 33, naar A.
Datering en echtheid
Voor de datering en de eventuele onechtheid van deze oorkonde, zie de uitgave van Polak en Dijkhof.

Urkunde 13
Engelbert (van Berg), Erzbischof von Köln, teilt mit, dass sein Verwandter Otto, Propst des Sint-Servaaskapitels in Maastricht, mit Erlaubnis Kaiser Friedrichs II. die Sint-Janskirche in Maastricht den Brüdern der Sint-Servaaskirche geschenkt hat, und billigt diese Schenkung mit Zustimmung von Hugo, Bischof von Lüttich.
Engelbert (van Berg), aartsbisschop van Keulen, maakt bekend dat zijn bloedverwant Otto, proost van het Sint-Servaaskapittel te Maastricht, met toestemming van keizer Frederik II de Sint-Janskerk te Maastricht aan de broeders van de Sint-Servaaskerk heeft geschonken en keurt deze schenking goed met instemming van Hugo, bisschop van Luik.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002A, archief kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 817.
Aantekeningen op de achterzijde: 1o door 15e-eeuwse hand: De ecclesia Sancti Iohannis Baptiste, en door latere hand toegevoegd: approbatio archiepiscopi Coloniensis / XXII. – 2o door 16e-eeuwse hand: R. M II. – 3o door 17e-eeuwse hand: In capsula episcoporum. – 4o door 17e-eeuwse hand: Approbatio nu. Io.
Bezegeling: één bevestigingsplaats voor het aangekondigde zegel van Engelbert van Berg, aartsbisschop van Keulen, dat niet voorhanden is (SD1).
Afschriften
B. eind 13e eeuw, Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002A, archief van het kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 10 (cartularium) = [Liber privilegiorum], fol. 17 (nieuwe fol. 34r), nr. 26, naar A. – C. 1640, Ibidem, idem, inv. nr. 1741 (cartularium) = Liber sive regestum originis ecclesie Sancti Seruatii Traiec[tensis] illiusque privilegiorum, donationum ac iurium ex originalibus et libro chartarum manu Ioannis Choris, receptoris capituli, descriptorum, p. 28, onder de rubriek: Confirmat idem archiepiscopus Coloniensis, naar A.
Uitgaven
a. De Borman, ‘Notice’, 29 (zonder datum), naar B. – b. DiBe ID 16082, naar a.
Regesten
Habets, 'Codex diplomaticus', 37, nr. 53. – Wauters, Table chronologique III, 682 (gedateerd rond 1218). – Knipping, Die Regesten der Erzbischöfe von Köln III, 84, nr. 523 (gedateerd 1221-1225). – Doppler, ‘Verzameling’, 267, nr. 86. – Haas, Chronologische lijst, 35-36, nr. 58 (gedateerd z.d. (1220-1225)). – Nuyens, Inventaris Sint-Servaas, 150, nr. 817.
Samenhang
Zie Collectie Sint-Servaas, nr. 11.
Datering
De terminus post quem van deze ongedateerde oorkonde is de keizerskroning van Frederik op 22 november 1220 (Grotefend, Taschenbuch, 113). De terminus ante quem is de overlijdensdatum van aartsbisschop Engelbert van Berg, die op 7 november 1225 werd vermoord.

Urkunde 14
N. de Maceriis, Kanoniker des Johanniskapitals in Lüttich und Offizial von Lüttich, teilt mit, daß Elisabeth, Nonne der Abtei Thorn, in seiner Gegenwart ihr Testament gemacht hat, in dem sie, unter Vorbehalt ihres Nießbrauchs, alle ihre Güter, Einkünfte und Besitztümer der Abtei Thorn geschenkt und deren Verteilung zwischen Äbtissin, Konvent und Kanonikern festgelegt hat.
N. de Maceriis, kanunnik van het Sint-Janskapittel te Luik en officiaal van Luik, maakt bekend dat Elisabeth, kloosterzuster van Thorn, al haar goederen, leengoederen en de inkomsten uit de cijnzen, gekocht te Wessem, Thorn, Heeze en op de molens van Ittervoort en Grathem, gelegateerd heeft aan de kerk van Thorn en het altaar van Onze-Lieve-Vrouw. Hiervan is jaarlijks acht pond Leuvens bestemd voor de priester van het altaar van Sint-Catharina in de kerk van Thorn; het resterende deel is toegewezen aan abdis, convent en kanunniken om op haar jaargetijde twaalf penning Luiks uit te keren aan de armen. Tevens laat Elisabeth onder voorbehoud van haar vruchtgebruik na haar dood zes mark Luiks na die Hildegonde en haar man Cono haar verschuldigd zijn voor de koop van een stuk land in het grondgebied naast Horn, gelijkelijk te verdelen onder abdis, convent en kanunniken.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 01.187A, archief Vrije Rijksheerlijkheid Thorn, inv. nr. 24.
Aantekeningen op de voorzijde: 1o door 13e-eeuwse hand: M CC LIIo. – Aantekening op de achterzijde: 1o door 13e/14e-eeuwse hand: De altari sancte Katherine. – 2o door 16e-eeuwse hand: In Thoren, in cripta, 1252. – 3 o door 17e-eeuwse hand: F.
Bezegeling: één uithangend bevestigd zegel dat aangekondigd is, namelijk: S1 van het officialaat van Luik, van groene was, zwaar beschadigd.
Uitgave
Niet eerder uitgegeven.
Regesten
Franquinet, Beredeneerde inventaris Thorn, 18-19, nr. 11. – Habets, Archieven Thorn, 19-20, nr. 24. – Haas, Chronologische lijst, 47, nr. 97.
Ontstaan en samenhang
Deze oorkonde is gebaseerd op de oorkonde van Elisabeth, kloosterzuster van Thorn, d.d. 7 april 1252 (zie Collectie Thorn, nr. 13). Voor de tekstdelen in onderhavige naoorkonde die aan de vooroorkonde zijn ontleend en afgedrukt zijn in een kleiner lettertype, zie Van Synghel, Oorkonden Thorn, 54. Deze oorkonden vertonen geen schriftverwantschap.

Urkunde 14
Adam van Amby, Ritter, überträgt mit Zustimmung seiner Kinder Jan, Waltelm, Agnes und Catharina ein Gehöft mit Ackerland im Gebiet von Borgharen an den Verwalter und Konvent des Klosters Sint-Gerlach in Houthem. Ritter Adam legt auch fest, dass seine Nachkommen, die diesen Hof nach der Übertragung weiter nutzen und dafür "cijns" (Steuer) zahlen sollen, einen jährlichen Erbzins von zwei Mark Kölnisch schulden. Diesen müssen sie bei der Gedenkfeier am Jahrestag seines Todes zahlen. Wenn seine Nachkommen diese Schulden nicht leisten, können der Verwalter und der Konvent das Ackerland in Besitz nehmen, bis sie für den entstandenen Schaden entschädigt worden sind. Dies wird von Dirk II., dem Herrn von Valkenburg, zu Gunsten des Verwalters und des Klosters kontrolliert.
Adam van Amby, ridder, draagt met instemming van zijn kinderen Jan, Waltelm, Agnes en Catharina een hoeve akkerland over in het grondgebied van Borgharen aan proost en convent van het klooster Sint-Gerlach (te Houthem), en bepaalt dat zijn nakomelingen die deze hoeve na zijn dood naar cijnsrecht houden, belast zijn met de uitkering van een jaarlijkse erfrente van twee mark Keuls bij zijn jaargetijde. Indien zij in gebreke blijven, zullen proost en convent zich in het bezit mogen stellen van het land en in het bezit worden gehandhaafd door Dirk II, heer van Valkenburg.
Origineel
A. Maastricht, RHCL, toegangsnr. 14.D003, archief klooster Sint-Gerlach te Houthem, inv. nr. 153, reg. nr. 11. Gelinieerd.
Aantekeningen op de achterzijde: 1° door 13e-eeuwse hand: Bona de Haren. – 2° door laatste kwart 14e-eeuwse hand: M. – 3° door mogelijk 16e-eeuwse hand: [***] sancti Gerlaci, 1258.
Bezegeling: twee dubbel doorgestoken, uithangend bevestigde zegels, die aangekondigd zijn, namelijk: S2 van Engelbert (van Valkenburg), aartsdiaken van Luik, van witte was, beschadigd. – S3 van Alard van Haasdal, ridder, van witte was, beschadigd; en twee bevestigingsplaatsen, vermoedelijk voor de aangekondigde zegels van Dirk II, heer van Valkenburg, en Adam van Borgharen, ridder, (LS1 en LS4). Voor een beschrijving en afbeelding van S2 en S3, zie Venner, ‘Zegels klooster Sint-Gerlach’, respectievelijk 150-151 en 160.
Afschrift
B. 1735, Maastricht, RHCL, toegangsnr. 14.D003, archief klooster Sint-Gerlach te Houthem, inv. nr. 1 (cartularium) = Privelegien ende register der obligatien en andere erffcontracten des adelijcken cloosters van St. Gerlach, p. 128-129, onder de rubriek: Donatio Ade de Ambiie, militis, de uno manso terre arabilis in territorio de Haren, en in de marge: Num. 82, met opgave van vier bezegelingsplaatsen, naar A.
Uitgave
a. Franquinet, Beredeneerde inventaris St. Gerlach, IV, 14-16, nr. 10, naar A.
Regesten
Haas, Inventaris Sint Gerlach, 71, reg. nr. 11. – Idem, Chronologische lijst, 51, reg. nr. 112.
Datering
Het gebruik van paasstijl in het bisdom Luik is verondersteld, zie Camps, ONB I, XXI, en Dillo en Van Synghel, ONB II, XVII.
Ontstaan
Deze oorkonde is geschreven door de dezelfde hand die een paar maanden eerder de oorkonde van proost en convent van het klooster Sint-Gerlach mundeerde, zie infra nr. 13. Deze hand is ook sterk verwant aan de schrijfhand die in 1254 een oorkonde voor de heer van Valkenburg schreef en een schepenoorkonde van Maastricht inzake een geschil waarbij proost en convent van Sint-Gerlach betrokken zijn, zie infra nrs. 9, 10,13 en 14. Deze originelen hebben ook eenzelfde identieke karakteristieke opmaak: de scriptor heeft de oorkondetekst niet op de aangebrachte liniёring geschreven, maar ruim boven deze lijnen.
Tekstuitgave
Het onderscheid tussen c en t is niet goed zichtbaar.

Urkunde 14
Erpo, Abt von Kloosterrade, verkündet die Vereinbarung, dass Reimar, Dekan des Kapitels von Wissel, für 80 Mark einen Hof in Linzenich und das Lehen Gunthers zugunsten der Abtei Kloosterrade kauft, unter der Bedingung, dass die Abtei ihm zu Lebzeiten zweimal jährlich vier Mark zahlt und ihn nach seinem Tod in die Gebetsbruderschaft aufnimmt und sein Jahrgedächtnis feiert.
Erpo, abt van Kloosterrade, beoorkondt de regeling waarbij Reimar, deken van het kapittel van Wissel, ten behoeve van de abdij Kloosterrade voor tachtig mark een hoeve te Linzenich en het leengoed van Gunther heeft gekocht, op voorwaarde dat de abdij hem bij zijn leven tweemaal per jaar vier mark zal betalen en hem na zijn overlijden zal opnemen in de gebedsbroederschap en jaarlijks zijn memorie zal vieren.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.D004, archief abdij Kloosterrade, inv. nr. 822.
Uitgave
a. Polak en Dijkhof, Oorkondenboek Kloosterrade, 87-89, nr. 37, naar A.
Datering en echtheid
Voor de datering en de eventuele onechtheid van deze oorkonde, zie de uitgave van Polak en Dijkhof.

Urkunde 14
Schulzen, Schöffen und Bürger von Maastricht versprechen, die Privilegien, Freiheiten und Rechte des Sint-Servaaskapitrls in Maasticht zu respektieren.
Schouten, schepenen en burgers van Maastricht beloven de privileges, vrijheden en rechten van het Sint-Servaaskapittel te Maastricht te eerbiedigen.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002A, archief kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 75. Linksonder bevat de pliek twee inkepingen ten behoeve van het getransfigeerde vidimus d.d. 25 september 1455, vermeld in afschrift E.
Aantekeningen op de achterzijde: 1o door 14e-eeuwse hand: VIIa / f IIII / De compositione inter ecclesiam et cives Traiectenses / XXXI. – 2o door 16 e-eeuwse hand: R. M I n. – 3o door 16e-eeuwse hand: anno 1227 / g I 9 / M. – 4o door 17e-eeuwse hand: In capsula Traiectensis / In capsula Traiectensis. – 5o door 17e-eeuwse hand: Caps. 8 (uitgewist, verbeterd in 24). – 6o door 17e-eeuwse hand: Excopiatum nu. 10, compositionum.
Bezegeling: één uithangend bevestigd zegel, dat aangekondigd is, namelijk: S2 van de Brabantse stedelijke gemeenschap van Maastricht, van bruine was, zwaar beschadigd; en één bevestigingsplaats, vermoedelijk voor het aangekondigde zegel van de Luikse stedelijke gemeenschap van Maastricht (LS1). Voor een beschrijving en afbeelding van S2, zie Venner, ‘Zegels’, nr. 57.
Afschriften
B. eind 13e eeuw, Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002A, archief van het kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 10 (cartularium) = [Liber privilegiorum], fol. 16r (= nieuwe fol. 33r), nr. 31, naar A. – [C]. 25 september 1455, niet voorhanden, maar bekend uit een afschrift in Ibidem, idem, inv. nr. 13 (cartularium) = [Liber privilegiorum et bonorum], fol. 8v-10r en fol. 39r-40v, vidimus door Bartholomeus de Eijck, deken van het Sint-Catharinakapittel te Eindhoven, eertijds getransfigeerd door A, naar A. – D. 17e eeuw, Ibidem, idem, inv. nr. 13 (cartularium) = [Liber privilegiorum et bonorum], fol. 1r, onder de rubriek: Magistratus Traiectensis promittit servare privilegia et libertates ecclesie Sancti Servatii, anno 1227, mogelijk naar A. – [E]. niet voorhanden, maar bekend uit F, cartularium van het Sint-Servaaskapittel te Maastricht = Liber A, fol. 981. – F. vóór 1768, Ibidem, toegangsnr. 22.001A, Handschriftencollectie (voormalig) Gemeentearchief Maastricht, 14de-20ste eeuw, inv. nr. 199a (cartularium) = Diplomata Trajectensia de anno 800 ad 1664, p. 303, onder de rubriek: Schulteti, scabini etc. Traiectenses promittunt quod in perpetuum observabunt privilegia et libertates ecclesie Sancti Servatii concessas, 3 maii 1227, gewaarmerkt afschrift door G.J. Lenarts, stadssecretaris van Maastricht, naar B.
Uitgaven
a. Schaepkens, ‘Emblěmes’, 223, nr. 1, naar A. – b. Wauters, De l’origine, 101, naar een afschrift in het ARA te Brussel (Registre des chartes déposées en 1498 et 1500, fol. 145). – c. De Borman, ‘Notice’, 38-39, naar B. – d. Panhuysen, Studiën Maastricht, 136-137, nr. II, naar B. – e. Van de Kieft, ‘Recueil’, 456-457, nr. 35, naar B en naar 15e-eeuws afschrift in ARA Brussel. – f. DiBe, nr. 18121, naar e.
Regesten
Habets, 'Codex diplomaticus', 40, nr. 62. – Nelis, Diplôme suspect, 139, nr. 12. – Wauters, Table chronologique IV, 43. – Doppler, ‘Verzameling’, 275-276, nr. 105. – Haas, Chronologische lijst, 38, nr. 66. – Nuyens, Inventaris Sint-Servaas, 56, nr. 75.

Urkunde 15
Marcelis, Pfarrer der Sankt-Johanneskirche in Maastricht, gibt bekannt, dass Gerard von Amby und seine Frau Hildegonde dem Zisterzienserkloster von Val-Dieu und dem Prämonstratenserkloster Sint-Gerlach in Houthem die Hälfte von einem "bunder" (0,4 ha) Ackerland im Dorf Berg schenken. Dieses Ackerland hängt vom Hof Meerssen ab. Nach dem Tod der beiden Stifter erben beide Klöster dieses Ackerland.
Marcelis, plebaan van de Sint-Janskerk te Maastricht, oorkondt dat zijn parochianen Gerard van Amby en diens echtgenote Hildegonde een halve bunder akkerland nabij Berg, afhangend van de hof van Meerssen, schenken aan de abdij van Val-Dieu en het klooster Sint-Gerlach (te Houthem), die zij na het overlijden van de schenkers erfelijk zullen bezitten.
Origineel
A. Maastricht, RHCL, toegangsnr. 14.D003, archief klooster Sint-Gerlach te Houthem, inv. nr. 30, reg. nr. 12.
Aantekeningen op de achterzijde: 1o door 17e-eeuwse hand: 1257. – 2° door 18e-eeuwse hand: Num. 84.
Bezegeling: één afhangend bevestigd zegel, dat aangekondigd is, namelijk: S1 van Marcelis, plebaan van de Sint-Janskerk te Maastricht, van witte was, beschadigd. Voor een beschrijving en afbeelding van S1, zie Venner, ‘Zegels klooster Sint-Gerlach’, 151.
Afschrift
B. 1735, Maastricht, RHCL, toegangsnr. 14.D003, archief klooster Sint-Gerlach te Houthem, inv. nr. 1 (cartularium) = Privelegien ende register der obligatien en andere erffcontracten des adelijcken cloosters van St. Gerlach, p. 130, onder de rubriek: Testimonium Marsilii, plebani, de legato dimidii bonnarii terre arabilis in confinio ville de Bergh, en in de marge: Num. 84, met opgave van één bezegelingsplaats, naar A.
Uitgave
a. Franquinet, Beredeneerde inventaris St. Gerlach, IV, 16, nr. 11, naar A.
Regesten
Haas, Inventaris Sint Gerlach, 72, reg. nr. 12. – Idem, Chronologische lijst, 51-52, reg. nr. 113.

Urkunde 15
Hildegonde, Äbtissin von Thorn, bittet Meister Reinier, Scholaster in Tongeren und Prokurator in geistlichen Angelegenheiten von Hendrik III., Bischof von Lüttich, um das Patronatsrecht der Kirchen von Gilze, Baarle und Geertruidenberg, das sie (in einer Urkunde) den Kanonikern und Nonnen von Thorn übertragen hat, vom Bischof von Lüttich bestätigen zu lassen. Sie überträgt das Patronatsrecht wegen des außerordentlichen Mangels an Einkünften der Kanoniker und Nonnen. Die Äbtissin bittet den Bischof auch darum, daß die Töchter der genannten Kirchen Halbkirchen sind, daß die Kanoniker und Ordensschwestern in diesen Kirchen Pfarrer ernennen, die dort persönlich wohnen und Gottesdienste halten sollen, und daß die Pfarrer von Gilze, Mertersem, Ginneken, Etten, Baarle, Meerle und Geertruidenberg ein angemessenes, festgelegtes Einkommen erhalten.
Hildegonde, abdis van Thorn, verzoekt meester Reinier, scholaster in Tongeren en procurator in geestelijke zaken van Hendrik III, bisschop van Luik, te bewerkstelligen dat de bisschop haar schenking van het patronaatsrecht van de kerken van Gilze, Baarle en Geertruidenberg aan kanunniken en kloosterzusters van Thorn met de daarbij vastgestelde bepalingen goedkeurt.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 01.187B, archief Vrije Rijksheerlijkheid Thorn, voorl. inv. nr. 2219.
Uitgave
a. Dillo en Van Synghel, ONB II, 341-343, nr. 1039, naar A.

Urkunde 15
Gottfried III., Herzog von Lothringen, und seine Söhne Heinrich und Adelbert sowie Hendrik III. van Limburg schenken der Abtei Kloosterrade den Teil der Zehnten von Lommersum, den Kunisa, Tochter von Herman van Reifferscheid, von ihnen zu Lehen hatte und zugunsten der Abtei abtrat.
Godfried III, hertog van Lotharingen, en zijn zonen Hendrik en Adelbert schenken, samen met Hendrik III van Limburg, aan de abdij Kloosterrade het deel van de tienden te Lommersum, dat Kunisa, dochter van Herman van Reifferscheid van hen in leen hield en ten gunste van de abdij heeft afgestaan.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.D004, archief abdij Kloosterrade, inv. nr. 803, 1.
Uitgave
a. Polak en Dijkhof, Oorkondenboek Kloosterrade, 89-91, nr. 38, naar A,
Datering en echtheid
Voor de datering en de eventuele onechtheid van deze oorkonde, zie de uitgave van Polak en Dijkhof.

Urkunde 15
Kaiser Friedrich II. genehmigt die Verteilung der Gerichtshöfe durch Propst und Kapitel von Sint-Servaas in Maastricht und weist dem Propst die Gerichtshöfe von Mechelen und Tweebergen zu.
Keizer Frederik II keurt de verdeling van de banken door proost en kapittel van Sint-Servaas te Maastricht goed, waarbij de banken van Mechelen en Tweebergen aan de proost worden toegewezen.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002A, archief kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 926. Gelinieerd. Beschadigd met tekstverlies.
Aantekeningen op de achterzijde: 1o door 15e-eeuwse hand: S. v / De separatione prepositi et ecclesie (hierna aangevuld door latere hand) facta per Fredericum, Romanorum imperatorem. – 2o door 16e-eeuwse hand: Anno 1232 / 316. – 3o door 17e-eeuwse hand: 5 capsula secunda. – 4o door 17e-eeuwse hand: In capsula imperialium.
Bezegeling: één bevestiging voor het aangekondigde zegel van keizer Frederik II (SD1).
Afschriften
B. eind 13e eeuw, Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002A, archief van het kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 10 (cartularium) = [Liber privilegiorum], fol. 3v-4v (= nieuwe fol. 20v-21v), nr. 6, naar A. – C. 1640, Ibidem, idem, inv. nr. 1741 (cartularium) = Liber sive regestum originis ecclesie Sancti Seruatii Traiec[tensis] illiusque privilegiorum, donationum ac iurium ex originalibus et libro chartarum manu Ioannis Choris, receptoris capituli, descriptorum, p. 71-72, onder de rubriek: Confirmatio et licentia Frederici secundi faciendi divisionem inter bona prepositi et capituli, naar A. – D. 17e eeuw, Ibidem, idem, inv. nr. 12 (cartularium) = Cartularium ecclesie collegialis Sancti Servati (aldus) Trajecti ad Mosam, tomus secundus, Documenta imperialia et ducalia, fol. 33v-34v, onder caput: Imperialia, en onder de rubriek: Approbatio concordie seu divisionis dominiorum facte inter prepositum et capitulum; (door andere hand) presentem et aliam confirmationem fol. 45v, naar A. – E. 17e eeuw, Ibidem, idem, inv. nr. 13 (cartularium) = [Liber privilegiorum et bonorum], fol. 96r-96v, onder de rubriek: Confirmatio imperialis super divisione bonorum prepositure, anno 1232 etc., vide fol. 93v, mogelijk naar A. – [F]. 17e eeuw, niet voorhanden, maar bekend uit c, afschrift op papier, naar C. – G. vóór 1768, Ibidem, toegangsnr. 22.001A, Handschriftencollectie (voormalig) Gemeentearchief Maastricht, 14de-20ste eeuw, inv. nr. 199a (cartularium) = Diplomata Trajectensia de anno 800 ad 1664, p. 308, onder de rubriek: Confirmatio et licentia Frederici secundi facienda divisionem inter bona prepositi et capituli, anno 1232 secunda aprilis, gewaarmerkt afschrift door G.J. Lenarts, stadssecretaris van Maastricht, naar B. – [H]. 1784, niet voorhanden, maar bekend uit c, afschrift door J.H. Cruts, scholaster van het Sint-Servaaskapittel te Maastricht, naar D.
Uitgaven
a. Huillard-Bréholles, Historia diplomatica IV-1, 322-323, naar afschrift in een cartularium van het Sint-Servaaskapittel te Maastricht (berustend te Parijs, Bibliothèque Nationale, Fonds Latin). – b. Bocholtz-Asseburg, Asseburger Urkundenbuch, 109-110, nr. 157, naar A. – c. Willemsen, ‘Inventaire’, 167-170, nr. 7 (gedateerd 1232 april), naar [F] en [H]. – d. Hackeng, Het middeleeuwse grondbezit, 317, nr. 99b (onvolledig), naar a. – e. DiBe ID 19235, naar a. – f. Friedl e.a., Die Urkunden Friedrichs II. 1232-1236, 96-99, nr. 1495, naar A.
Regesten
Zie Friedl e.a., Die Urkunden Friedrichs II. 1232-1236, 96.
Ontstaan en samenhang
Volgens Zinsmaier, 'Die Reichskanzlei', 149, is onderhavige oorkonde een van de achttien oorkonden die in een korte periode van ca. anderhalf jaar zijn vervaardigd door één van de vijf ambtenaren die afwisselend in de keizerlijke kanselarij werkzaam waren. Friedl e.a., Die Urkunden Friedrichs II. 1232-1236, 97, identificeren de scriptor als notarius Johannes de Capua. De toewijzing van het dictaat is problematisch. De ontbrekende dagaanduiding in de datatio is een vaak voorkomend fenomeen in de oorkonden van Frederik II, zie Ficker, Beiträge, 364-365. De oorkonde uit 1232 van Otto, proost van het Onze-Lieve-Vrouwekapittel te Aken en van het Sint-Servaaskapittel te Maastricht, waarin de banken tussen de proosdij en het kapittel van Sint-Servaas worden verdeeld, berust te Parijs, Bibliothèque Nationale, Fonds Latin, Manuscrits nr. 9309. Zie verder Hackeng, Het middeleeuwse grondbezit, 41, 82-85 en 316, nr. 99a (onvolledige uitgave).
Tekstuitgave
Het onderscheid tussen c en t is niet goed zichtbaar.

Urkunde 16
Hendrik III., Bischof von Lüttich, genehmigt die Übertragung der Patronatsrechte an den Kirchen von Gilze, Baarle und Geertruidenberg durch Hildegonde, Äbtissin von Thorn, an Kanoniker und Nonnen der Abtei Thorn. Er bestätigt auch die in ihrer Schenkungsurkunde enthaltenen Bestimmungen über den Wohnsitz und die Einkünfte des zu bestellenden Pfarrers.
Hendrik III, bisschop van Luik, keurt de schenking van het patronaatsrecht van de kerken van Gilze, Baarle en Geertruidenberg door Hildegonde, abdis van Thorn, aan kanunniken en kloosterzusters van Thorn goed met de daarbij vastgestelde bepalingen.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 01.187B, archief Vrije Rijksheerlijkheid Thorn, voorl. inv. nr. 2220.
Uitgave
a. Dillo en Van Synghel, ONB II, 341-343, nr. 1040, naar A.
Samenhang
Voor de schenking van dit patronaatsrecht door Hildegonde, abdis van Thorn, zie Collectie Thorn, nr. 15.
Urkunde 16
Hendrik, Verwalter des Klosters Sint-Gerlach in Houthem, gibt die Entscheidung bekannt, die er auf die Bitte des Klosters, der Nonne Anna von Sint-Gerlach und einiger ihrer Freunde getroffen hat. Bei der Gedenkfeier zum Todestag des Ritters Gozewijn Dukere werden fünf Lütticher Schilling gezahlt für eine Bewirtung des Klosters zu Lasten der Güter in Weestenrode . Gozewijn hatte diese Güter Anna zu ihrem Unterhalt zugewiesen. Nach Annas Tod gehen diese Güter in den Besitz des Klosters über.
Hendrik, proost van het klooster Sint-Gerlach (te Houthem), bepaalt op verzoek van het convent, van Anna, non van Sint-Gerlach, en van enkele van haar vrienden dat bij het jaargetijde van Gozewijn Dukere, ridder, vijf schelling Luiks uitgekeerd wordt voor een pitantie van het convent uit de goederen te Weestenrode, die Gozewijn aan Anna had toegewezen voor haar onderhoud en die na haar dood aan het klooster zullen toevallen.
Origineel
[A]. Niet voorhanden, blijkens B bezegeld met twee zegels.
Afschrift
B. 1735, Maastricht, RHCL, toegangsnr. 14.D003, archief klooster Sint-Gerlach te Houthem, inv. nr. 1 (cartularium) = Privelegien ende register der obligatien en andere erffcontracten des adelijcken cloosters van St. Gerlach, p. 363, onder de rubriek: Litera de bonis in Westenroede iacentibus, en in de marge: Num. 220, met opgave van twee bezegelingsplaatsen, naar [A].
Uitgave
Niet eerder uitgegeven.

Urkunde 16
Filips I., Erzbischof von Köln, fordert seinen Neffen Goswijn auf, die Schenkung der Kirche von Spaubeek durch Adelheid, Ehefrau von Reinier van Beek, mit dem gesamten Zehnten und zwei großen Höfen (mit zwei "bunder" Land) an die Abtei Kloosterrade, über die es einen Streit gegeben hatte, als gültig zu betrachten und unter Vormundschaft zu stellen.
Filips I, aartsbisschop van Keulen, maant zijn neef Goswijn de schenking door Adelheid, echtgenote van Reinier van Beek, van de kerk van Spaubeek met de gehele tiend en twee hoeven van twaalf bunder aan de abdij Kloosterrade, waarover een geschil was ontstaan, onder voorbehoud van de voogdij, als geldig te beschouwen.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.D004, archief abdij Kloosterrade, inv. nr. 818.
Uitgave
a. Polak en Dijkhof, Oorkondenboek Kloosterrade, 95-97, nr. 41, naar A.
Datering en echtheid
Voor de datering en de eventuele onechtheid van deze oorkonde, zie de uitgave van Polak en Dijkhof.

Urkunde 16
Kaiser Friedrich II. erneuert und bestätigt auf Ersuchen von Jan, Kanoniker des Maastrichter Sint-Servaaskapitels, die von Kaiser Heinrich IV. im Jahr 1087 dem Maastrichter Sint-Servaaskapitel verliehene Urkunde.
Keizer Frederik II hernieuwt en bevestigt op verzoek van Jan, kanunnik van het Sint-Servaaskapittel te Maastricht, de door keizer Hendrik IV verleende oorkonde d.d. 1087 aan het Sint-Servaaskapittel te Maastricht.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002A, archief kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 39. Gelinieerd.
Aantekening op de achterzijde: 1o door 14e-eeuwse hand: Confirmatio Frederici de dato Mo CCo XXXIIo. – 2o door 14e-eeuwse hand: De exemptione serviciarum faciendum dominis episcopalibus, confirmato per (gedeeltelijk onder opgeplakt stukje papier) Fredericum et inseritur exemptio prius facte per (gedeeltelijk onder opgeplakt stukje papier) Henricum, imperatorem, que est de data anno Domini M LXXXVII / b / E XIIII. – 3o door 16e-eeuwse hand: 1232. – 4o door 17e-eeuwse hand: Capsula imperialium. – 5o door 18e-eeuwse hand: Exemptio I. en 4 (doorgestreept).
Bezegeling: één uithangend bevestigd zegel, dat aangekondigd is, namelijk: S1 van keizer Frederik II, van witte was, beschadigd. Voor een beschrijving en afbeelding van S1, zie Venner, ‘Zegels’, nr. 45.
Afschriften
B. 1273 oktober 15, Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002A, archief kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 40, vidimus door meester Boudewijn van Autre-Église, kanunnik van het domkapittel te Luik en officiaal van Luik, naar A. – C. 1282 april 9, Ibidem, Idem, inv. nr. 42, insertie in een oorkonde van rooms-koning Rudolf I, naar A. – D. eind 13e eeuw, Ibidem, idem, toegangsnr. 14.B002A, archief van het kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 10 (cartularium) = [Liber privilegiorum], fol. 1r-1v (= nieuwe fol. 18r-18v), nr. 1, naar A. – E. 17e eeuw, Ibidem, idem, inv. nr. 12 (cartularium) = Cartularium ecclesie collegialis Sancti Servati (aldus) Trajecti ad Mosam, tomus secundus, Documenta imperialia et ducalia, fol. 34v-36v, onder caput: Imperialia, en onder de rubriek: Capitulum Sancti Servatii soli pontifici et imperatoribus subest, dignitas cleri, sedes 20 episcoporum, naar A. – [F]. niet voorhanden, maar bekend uit G, cartularium van het Sint-Servaaskapittel te Maastricht = Liber A, fol. 198. – G. vóór 1768, Ibidem, toegangsnr. 22.001A, Handschriftencollectie (voormalig) Gemeentearchief Maastricht, 14de-20ste eeuw, inv. nr. 199a (cartularium) = Diplomata Trajectensia de anno 800 ad 1664, p. 8, onder de rubriek: Fredericus 2, imperator, confirmat privilegium Henrici quarti, Romanorum regis, capitulo Sancti Servatii, datum X indictio 1087, de eorum exemptione, in decembris, 7 indictione, mogelijk naar [F]. – H. vóór 1768, Ibidem, idem, p. 373, onder de rubriek: Fredericus, imperator, confirmat privilegium Henrici quarti, imperatoris, quo remittit ecclesie Sancti Servatii omne ius beneficialis servitii, anno 1252 6ta (later doorgestreept en gewijzigd in december 1232) decembris, mogelijk naar D. – [I]. 1784, niet voorhanden, maar bekend uit Willemsen, 'Inventaire', 167-170, nr. 7, afschrift door J.H. Cruts, scholaster van het Sint-Servaaskapittel te Maastricht, naar E.
Uitgaven
a. Hackeng, Het middeleeuwse grondbezit, 312, nr. 96e (onvolledig), naar A. – b. DiBe ID 19371, naar een achttiende-eeuwse uitgave. – c. Friedl e.a., Die Urkunden Friedrichs II. 1232-1236, 223-227, nr. 1543, naar A, zie verder aldaar.
Regesten
Zie Friedl e.a., Die Urkunden Friedrichs II. 1232-1236, 224.
Ontstaan en samenhang
Volgens Zinsmaier, 'Die Reichskanzlei', 149, is onderhavige oorkonde de laatste in een rij van achttien oorkonden die in een korte periode van ca. anderhalf jaar zijn vervaardigd door één van de vijf ambtenaren die afwisselend in de keizerlijke kanselarij werkzaam waren.
Friedl e.a., o.c., 224, identificeren de scriptor als notarius Johannes de Capua; het chrismon en de naam van de keizer zijn mogelijk door Johannes de Lauro of Albertus de Catania geschreven. De ontbrekende dagaanduiding in de datatio is een vaak voorkomend fenomeen in de oorkonden van Frederik II, zie Ficker, Beiträge, 364-365. Voor de geïnsereerde oorkonde van Hendrik IV d.d. 1087, zie Collectie Sint-Servaas, nr. 2. Voor een bevestiging en hernieuwing van onderhavige oorkonde door rooms-koning Rudolf I d.d. 1282 april 9, zie Collectie Sint-Servaaskapittel, nr. 49. In september 1233 zijn twee oorkonden uitgevaardigd waarin de onderhavige oorkonde wordt geauthentiseerd op verzoek van de kanunniken van het Sint-Servaaskapittel te Maastricht: één door deken en kapittel van Onze-Lieve-Vrouw te Aken en één door cantor en kanunniken van het Sint-Adelbertkapittel te Aken. Beide oorkonden zijn in afschrift overgeleverd in een cartularium van Sint-Servaas (berustend te Parijs, Bibliothèque Nationale, Fonds Latin, Manuscrits nr. 10180, fol. 243v). Voor het vidimus d.d. 1273 oktober 15 door meester Boudewijn van Autre-Église, kanunnik van het domkapittel te Luik en officiaal van Luik, zie Collectie Sint-Servaaskapittel, nr. 35.
Tekstuitgave
Het onderscheid tussen c en t is niet goed zichtbaar.

Urkunde 17
Walram von Monschau, Herr von Valkenburg, gibt bekannt, dass er Jan Ruffus, Bürger von Aachen und Schwiegersohn des Herrn Godfrey van Klimmen, zusammen mit seinen Miterben und mit Jans eigenen künftigen Erben von allen ihm und seinen Erben verpflichteten Abgaben auf den Hof Cardenbeek befreit hat. Dies unter der Bedingung, dass Jan Ruffus und seine Miterben sowie deren Erben jedes Jahr am 2. Februar 1 Pfund Wachs an Walram und seine Erben liefern werden.
Walram van Monschau, heer van Valkenburg, stelt Jan Ruffus, burger van Aken, schoonzoon van heer Godfried van Klimmen, zijn erfgenamen en de deelhebbers in de goederen van Godfried vrij van alle schatting op de hof te Cardenbeek, op voorwaarde dat Jan hem jaarlijks 1 pond was levert.
Origineel
A. Maastricht, RHCL, toegangsnr. 14.D003, archief klooster Sint-Gerlach te Houthem, inv. nr. 57, reg. nr. 13.
Aantekeningen op de achterzijde: 1o door 14e-eeuwse hand: Littera de curte in Cardenbeck quod sit libera ab exactione. – 2° door laatste kwart 14e-eeuwse hand: J j. – 3° door 17e-eeuwse hand: Vrijdom van Cartebeeck, 46. – 4° door 18e-eeuwse hand: Num. 93.
Bezegeling: één afhangend bevestigd zegel, dat aangekondigd is, namelijk: S1 van Walram van Monschau, heer van Valkenburg, van witte was, beschadigd. Voor een beschrijving en afbeelding van S1, zie Venner, ‘Zegels klooster Sint-Gerlach’, 158-159.
Afschrift
B. 1735, Maastricht, RHCL, toegangsnr. 14.D003, archief klooster Sint-Gerlach te Houthem, inv. nr. 1 (cartularium), p. 140-141, onder de rubriek: Litere domini Walrami de curte in Cartenbecke, quod sit libera ab omni exactione, en in de marge: Num. 93, met opgave van één bezegelingsplaats, naar A.
Uitgave
a. Franquinet, Beredeneerde inventaris St. Gerlach, IV, 17, nr. 12, naar A.
Regesten
Haas, Inventaris Sint Gerlach, 72, reg. nr. 13. – Idem, Chronologische lijst, 62, reg. nr. 149.
Tekstuitgave
Het onderscheid tussen c en t is niet goed zichtbaar.

Urkunde 17
Hildegonde, Äbtissin von Thorn, ratifiziert das Dekret von Hendrik III. Der Bischof beschloß dies nach einer Visitation durch Meister Reinier, Scholaster in Tongeren und sein Provisor in geistlichen Angelegenheiten, der feststellte, daß die Kanoniker und Nonnen von Thorn nicht ausreichend von ihren Präbenden (Pfründen) leben und ihren Verpflichtungen nachkommen konnten. Der zu ernennende Kleriker muß die Priesterweihe empfangen oder schon bekommen haben, freiwillig auf ein anderes Benefizium (Einkommen) verzichten und innerhalb eines Jahres nach seiner Ernennung in Baarle wohnen. Er wird mit einem angemessenen Benefizium ausgestattet; die übrigen Früchte der Kirche von Baarle werden von den Chorherren und Nonnen von Thorn zur Erhöhung ihrer Präbenden (Pfründe) verwendet.
Hildegonde, abdis van Thorn, bekrachtigt de bepaling door Hendrik III, bisschop van Luik, d.d. 1262 oktober 13, aangaande de installatie van de pastoor van Baarle en de vaststelling van diens inkomsten.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 01.187A, archief Vrije Rijksheerlijkheid Thorn, inv. nr. 28.
Uitgave
a. Dillo en Van Synghel, ONB II, 341-343, nr. 1044, naar A.
Datering
De datering van onderhavige oorkonde lijkt in tegenspraak met die van de bekrachtigde oorkonde, die pas op 13 oktober 1262 is uitgevaardigd ((zie Collectie Thorn, nr. 19). Aangezien de abdis in de corroboratio expliciet naar deze oorkonde van de bisschop verwijst die klaarblijkelijk op 10 oktober 1262 al is geschreven, kan de tegenstrijdigheid in de data niet worden verklaard uit een tijdsverschil tussen de actio en conscriptio. Waarschijnlijk refereert de abdis aan het te Thorn klaargemaakte mundum voor de bisschop, dat pas drie dagen later in de bisschoppelijke kanselarij is gevalideerd en gedateerd.
Ontstaan en samenhang
Deze oorkonde van abdis en convent van de abdij van Thorn uit 1262 is door dezelfde hand geschreven als de oorkonden die uitgevaardigd zijn door de abdis van Thorn in 1262 en 1265, en door andere oorkonders ten behoeve van de abdij, namelijk door Dirk van Heeswijk in 1267, door abt en convent van de Sint-Paulusabdij te Utrecht in 1269 (twee originelen), door de priester van Oeteren in 1270, door Michael, kanunnik van het Onze-Lieve-Vrouwekapittel te Maastricht en Godfried Bec van Übach in 1272, door een aantal ridders in 1272 en door abdis, convent en de heer van Horn in 1273, zie Collectie Thorn, nrs. 18, 23, 26, 28, 34, 37, 38 en 39. Bijgevolg kan deze scriptor gelokaliseerd worden in de abdij van Thorn.
Voor de extra bepalingen inzake de inkomsten van de kerk van Baarle, zie de oorkonde van Engelbert van Isenburg, aartsdiaken van Luik, d.d. 1270 mei 15 (Collectie Thorn, nr. 35).

Urkunde 17
Philipp I., Erzbischof von Köln, bestätigt dem Kloster Marienthal den Besitz der genannten Güter, darunter den von der Abtei Kloosterrade geschenkten Hof Nentrode, vorbehaltlich von neun Waldanteilen, die zu Ahrweiler gehörten; drei dieser Anteile sind später an Marienthal übertragen worden.
Filips I, aartsbisschop van Keulen, bevestigt het klooster Marienthal in het bezit van met name genoemde goederen, waaronder de hof Nentrode die de abdij Kloosterrade, onder voorbehoud van negen aandelen in het bos, dat tot Ahrweiler behoort, geschonken heeft; drie van deze aandelen waren later aan Marienthal overgedragen.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.D004, archief abdij Kloosterrade, inv. nr. 1649 (voorheen Rolduc, oorkonden, nr. 8). Vooral rechtsboven enig tekstverlies door slijtage.
Uitgave
a. Polak en Dijkhof, Oorkondenboek Kloosterrade, 97-101, nr. 42, naar A.
Datering en echtheid
Voor de datering en de eventuele onechtheid van deze oorkonde, zie de uitgave van Polak en Dijkhof.
Tekstuitgave
Door slijtage zijn enkele letters onleesbaar geworden. Voor de aanvulling, zie de uitgave van Polak en Dijkhof.

Urkunde 17
Der römische König Heinrich VII. befiehlt dem Schulzen von Aachen, die Schulzen und Bürger der Diözese Lüttich zu zwingen, dem Bischof nicht mehr zu gehorchen, nachdem er den Bischof von Lüttich mehrfach aufgefordert hatte, das Sint-Servaaskapitel in Maastricht nicht mehr zu belästigen und dem Kapitel die Unkosten von hundert Mark zu erstatten.
Rooms-koning Hendrik VII gelast de schout van Aken om de schouten en burgers van het bisdom Luik te dwingen de bisschop niet meer te gehoorzamen, na meerdere aanmaningen aan de bisschop van Luik om het Sint-Servaaskapittel te Maastricht niet meer lastig te vallen en de onkosten van honderd mark aan het kapittel te vergoeden.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002A, archief kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 53.
Aantekeningen op de achterzijde: 1o door 14e-eeuwse hand: Mandatum regis / M VIII. – 2o door 14e-eeuwse hand: [Litte]ra quod episcopus Leodiensis aliquid agatur contra nos. – 3o door 16e-eeuwse hand: Q 2. – 4o door 17e-eeuwse hand: 39. – 5o door 17e-eeuwse hand: M VIII 3. – 6o door 17e-eeuwse hand: In capsula imperialium. – 7o door 18e-eeuwse hand: 44 doorgestreept.
De bezegeling is niet aangekondigd en er is ook geen spoor van een bezegeling, in tegenstelling tot de vermelding van een afgevallen zegel door Zinsmaier.
Afschrift
B. 17e eeuw, Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002A, archief kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 12 (cartularium) = Cartularium ecclesie collegialis Sancti Servati (aldus) Trajecti ad Mosam, tomus secundus, Documenta imperialia et ducalia, fol. 15r-v, met caput: Mandatum Henrici, imperatoris, ad scholtetum Aquensem ut compellat scholtetos et cives diocesis Leodiensis non solvere episcopo Leodiensi donec etc., mogelijk naar A.
Uitgaven
a. Zinsmaier, ‘Acht ungedrukte Königsurkunden’, 64, nr. 7, naar A. – b. DiBe ID 28119, naar a.
Regesten
Doppler, ‘Verzameling’, 284-285, nr. 125. – Böhmer en Zinsmaier, Regesta imperii V-4, 83, nr. 571. – Haas, Chronologische lijst, 42-43, nr. 82. – Nuyens, Inventaris Sint-Servaas, 53, nr. 53.
Datering
Onderhavige oorkonde valt in het zevende indictiejaar tijdens de regering van rooms-koning Hendrik VII en kan worden gedateerd in 1234. Dit wordt bevestigd door de koninklijke oorkonde die dezelfde dag is uitgevaardigd, zie onder Ontstaan en samenhang.
Ontstaan en samenhang
Volgens Zinsmaier, ‘Acht ungedrukte Königsurkunden’, 643, is onderhavige oorkonde geredigeerd en geschreven in de koninklijke kanselarij. Voor een uitgave van de in de dispositio genoemde oorkonde van rooms-koning Hendrik VII d.d. 20 september 1234 aan schout en burgers van Luik, Maastricht, Sint-Truiden, Hoei, Tongeren en Dinant, zie DiBe ID 19834.

Urkunde 18
Walram, Herr von Valkenburg und Monschau, überlässt dem Kloster Sint-Gerlach in Houthem für ewig und immer den Besitz des Durchgangsweges durch das Dorf. Dies zum Wohle seiner eigenen Seele und um die Armut der Nonnen zu bekämpfen. Dieser Weg muss für alle Gläubigen frei zugänglich bleiben, damit sie den Schwestern Almosen geben können.
Walram, heer van Valkenburg en Monschau, schenkt aan het klooster Sint-Gerlach (te Houthem) de weg door het dorp Sint-Gerlach.
Origineel
A. Maastricht, RHCL, toegangsnr. 14.D003, archief klooster Sint-Gerlach te Houthem, inv. nr. 41, reg. nr. 14.
Aantekeningen op de achterzijde: 1° door 13e-eeuwse hand: Dominus Walramus contulit stratam publicam nostre ecclesie in vera elemosina. – 2° door laatste kwart 14e-eeuwse hand: E j. – 3o door 17e-eeuwse hand: 1270. – 4o door 18e-eeuwse hand: Num. 72.
Bezegeling: één dubbel doorgestoken, uithangend bevestigd zegel, dat aangekondigd is, namelijk: S1 van Walram, heer van Valkenburg en Monschau, van groene was, beschadigd. Voor een beschrijving en afbeelding van S1, zie Venner, ‘Zegels klooster Sint-Gerlach’, 158-159.
Afschrift
B. 1735, Maastricht, RHCL, toegangsnr. 14.D003, archief klooster Sint-Gerlach te Houthem, inv. nr. 1 (cartularium) = Privelegien ende register der obligatien en andere erffcontracten des adelijcken cloosters van St. Gerlach, p. 118-119, onder de rubriek: Litere domini Walrami de Valckenburgh de platea, en in de marge: Num. 72, met opgave van één bezegelingsplaats, naar A.
Uitgave
a. Franquinet, Beredeneerde inventaris St. Gerlach, IV, 17-18, nr. 13. naar A.
Regesten
Haas, Inventaris Sint Gerlach, 72, reg. nr. 14. – Idem, Chronologische lijst, 63, reg. nr. 153.
Tekstuitgave
Het onderscheid tussen c en t is niet goed zichtbaar.
Vertaling
Volgens Franquinet, Beredeneerde inventaris St. Gerlach, IV, 19-20, nr. 14, is van onderhavige oorkonde een gelijktijdige vertaling in het Middelnederlands opgemaakt. Deze vertaling op perkament wordt thans nog bij het origineel bewaard. Paleografisch onderzoek wijst echter uit dat de vertaling geen dertiende-eeuws schrift is, maar een latere uitvaardiging. Deze vertaling is niet gekopieerd in het achttiende-eeuws cartularium en draagt in dorso het nummer 79, dat correspondeert met de Latijnse tekst van onderhavige oorkonde.

Urkunde 18
Hildegonde, Äbtissin von Thorn, kündigt an, daß Meister Reinier, Scholaster in Tongeren und Provisor in geistlichen Angelegenheiten von Hendrik III, Bischof von Lüttich, das Kloster besucht hat. Er stellte fest, daß der Zehnte von Gilze, den sich die Adligen von Breda viele Jahre lang unrechtmäßig angeeignet hatten, freiwillig an die Abtei zurückgegeben worden ist. Der Bischof erklärte den Zehnten als Recht und Eigentum der Abtei und legte fest, daß die Präbenden von Kanonikern und Nonnen auf ewig gleich sein werden und daß die Äbtissin mit deren Zustimmung einen Pfarrer in der Kirche von Gilze und Kapläne in den Nebenkirchen einsetzen wird. Der Bischof von Lüttich wird diesem Pfarrer auch eine entsprechende Pfründe erteilen. Diese Anordnung des Bischofs von Lüttich wird von der Äbtissin von Thorn ratifiziert.
Hildegonde, abdis van Thorn, bekrachtigt de bepaling door Hendrik III, bisschop van Luik, d.d. 1262 oktober 13, aangaande de teruggave van de tiend van Gilze, de installatie van de pastoor aldaar en de vaststelling van diens inkomsten.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 01.187B, archief Vrije Rijksheerlijkheid Thorn, voorl. inv. nr. 2221.
Uitgave
a. Dillo en Van Synghel, ONB II, 355-357, nr. 1045, naar A.
Datering
De datering van onderhavige oorkonde lijkt in tegenspraak met die van de ̶ verloren gegane ̶ bekrachtigde oorkonde, die pas op 13 oktober 1262 is uitgevaardigd (zie Collectie Thorn, nr. 19). Aangezien de abdis in de corroboratio expliciet naar deze oorkonde van de bisschop verwijst die klaarblijkelijk op 10 oktober 1262 al is geschreven, kan de tegenstrijdigheid in de data niet worden verklaard uit een tijdsverschil tussen de actio en conscriptio. Waarschijnlijk refereert de abdis aan het te Thorn klaargemaakte mundum voor de bisschop, dat pas drie dagen later in de bisschoppelijke kanselarij is gevalideerd en gedateerd.
Ontstaan
Deze oorkonde is gemundeerd door een scriptor uit de abdij van Thorn, die werkzaam was in de periode 1262 tot en met 1273. Voor de lokalisering van deze scriptor, zie Collectie Thorn, nr. 17.
Urkunde 18
Philipp I., Erzbischof von Köln, beurkundet, dass Kunisa van Reifferscheid zusammen mit ihrem Vater, dessen Erben und ihrem Ehemann einerseits und Herzog Godfried III. van Leuven als Lehnsherr zusammen mit seinen Söhnen Hendrik, Adelbert und mit Hendrik III. van Limburg andererseits den Teil der Zehnten von Lommersum, den Kunisa von Godfrey zu Lehen hatte, an die Abtei Kloosterrade übertragen.
Filips I, aartsbisschop van Keulen, oorkondt dat Kunisa van Reifferscheid, samen met haar vader, diens erfgenamen en haar echtgenoot enerzijds, en hertog Godfried III van Leuven als leenheer, samen met diens zonen Hendrik, Adelbert en met Hendrik III van Limburg anderzijds, het deel van de tienden van Lommersum, dat Kunisa van Godfried in leen hield, aan de abdij Kloosterrade hebben overgedragen.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.D004, archief abdij Kloosterrade, inv. nr. 803, 2. Ernstig beschadigd door scheur, hersteld met een reep perkament aan de achterzijde.
Uitgave
a. Polak en Dijkhof, Oorkondenboek Kloosterrade, 101-102, nr. 43, naar A.
Datering en echtheid
Voor de datering en de eventuele onechtheid van deze oorkonde, zie de uitgave van Polak en Dijkhof.

Urkunde 18
Das Onze-Lieve-Vrouwkapitel in Maastricht erklärt, dass es die Urkunde von Kaiser Heinrichs IV. aus dem Jahr 1087 gesehen hat, die weder durchgestrichen noch ausradiert ist, und gibt ihren Text wieder.
Het Onze-Lieve-Vrouwekapittel te Maastricht vidimeert de oorkonde van keizer Hendrik IV d.d. 1087.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002A, archief kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 37.
Aantekeningen op de achterzijde: 1o door 14e en 16e-eeuwse handen: Transumptum privilegii Henrici imperatoris de exemptione ecclesie et prepositure sub sigillo capituli Beate Marie Traiectensis, datum Mo LXXXVIIo. – 2o door 16e-eeuwse hand: v / 2 4 . – 3o door 16e-eeuwse hand: Anno 1087. – 4o door 16e-eeuwse hand: f II. – 5o door 17e-eeuwse hand: In capsula imperialium. – 6o door 18e-eeuwse hand: R. MJ nu. 25.
Bezegeling: één bevestiging, vermoedelijk voor het aangekondigde zegel van het Onze-Lieve-Vrouwekapittel te Maastricht (SD1).
Afschrift
B. 15e eeuw, Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B001, archief kapittel van Onze Lieve Vrouw te Maastricht, 1096-1796, inv. nr. 31 (cartularium), fol. 176r-177r, onder de rubriek: Item tenores omnium et singulorum exhiborum sequuntur per ordinem in hunc modum et sunt tales, mogelijk naar A.
Uitgave
Niet eerder uitgegeven.
Regesten
Haas, Chronologische lijst, 106, nr. 295 (gedateerd 13e eeuw). – Nuyens, Inventaris Sint-Servaas, 51, nr. 37 (gedateerd 13e eeuw).
Samenhang
Voor de gevidimeerde oorkonde van keizer Hendrik IV, zie Collectie Sint-Servaas, nr. 2.
Datering
Onderhavige oorkonde is niet gedateerd. Haas en Nuyens dateren deze in de dertiende eeuw. Paleografisch onderzoek wijst uit dat het schrifttype verwant is aan dat van een oorkonde van Arnoud, proost van het Sint-Geronkapittel te Keulen, een oorkonde van het Onze-Lieve-Vrouwekapittel te Maastricht, d.d. 1232 mei en d.d. 1233 september (zie respectievelijk Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B001, archief kapittel van Onze Lieve Vrouw te Maastricht, 1096-1796, inv. nrs. 909 en 910), en een oorkonde van deken en kapittel van Sint-Lambert te Luik d.d. 1244 mei (zie Ibidem, toegangsnr. 14.D033, archief proosdij Meerssen, 968-1746, inv. nr. 1024). Bijgevolg dateren we deze oorkonde in het tweede kwart van de dertiende eeuw. Niet onwaarschijnlijk is een datering ca. 1232-1233, wanneer het Sint-Servaaskapittel te Maastricht de oorkonde van keizer Hendrik IV uit 1087 laat hernieuwen en bevestigen door keizer Frederik II in december 1232 (zie Collectie Sint-Servaas, nr. 16) en om authentisering vraagt aan deken en kapittel van Onze-Lieve-Vrouw te Aken én aan cantor en kanunniken van Sint-Adelbert te Aken in september 1233 (berustend te Parijs, Bibliothèque Nationale, Fonds Latin, Manuscrits nr. 10180, fol. 243v).
Urkunde 19
Hendrik III., Bischof von Lüttich, teilt mit, daß Reinier, Scholaster in Tongeren und sein Provisor in geistlichen Angelegenheiten, auf seine Bitte hin und mit besonderen Anweisungen die Abtei Thorn erneut besucht hat. Da Reinier festgestellt hat, daß die Präbenden (Pfründe) der Kanoniker und Nonnen zu klein sind, um davon leben zu können, beschließt der Bischof, daß die Äbtissin, die das Patronatsrecht über die Kirche von Baarle innehat, dort mit Zustimmung der Kanoniker und Nonnen einen Pfarrer einsetzen wird. Der zu ernennende Geistliche muß die Priesterweihe empfangen oder empfangen haben, freiwillig auf ein anderes Benifizium (Pfründe) verzichten und innerhalb eines Jahres nach der Ernennung in Baarle wohnen. Ihm wird eine angemessene Pfründe zugewiesen. Der Rest der Früchte der Kirche von Baarle wird von den Kanonikern und Klosterschwestern von Thorn zur Erhöhung ihrer Pfründen verwendet, die gleich hoch und für immer gleich sein werden.
Hendrik III, bisschop van Luik, bepaalt na de visitatie van de abdij van Thorn door Reinier, scholaster in Tongeren en zijn provisor in geestelijke zaken, dat de abdis van Thorn, die het patronaatsrecht van de kerk van Baarle bezit, met goedkeuring van kanunniken en kloosterzusters van Thorn een pastoor zal installeren en hij stelt tevens diens inkomsten vast.
Origineel
[A]. Niet voorhanden.
Afschrift
B. eerste helft 15e eeuw, Maastricht, HCL, toegangsnr. 01.187B, archief Vrije Rijksheerlijkheid Thorn, inv. nr. 1628 (voorheen cartularium nr. 1) = Cartularium abbatiae imperialis Thorensis, 966-1600, p. 161-162 (oude fol. 85r -85v), onder de rubriek: De ecclesia de Baerle incorporatio), geauthenticeerd afschrift door S. van Neeroeteren, naar [A].
Uitgave
a. Dillo-Van Synghel, ONB II, 357-359, naar 1046, naar B.
Datering
De datering van onderhavige oorkonde lijkt in tegenspraak met die van de oorkonde van de abdis van Thorn, die drie dagen eerder de bepalingen van de bisschop van Luik inzake Baarle bekrachtigt (zie Collectie Thorn, nr. 17). Aangezien de abdis in de corroboratio expliciet naar de oorkonde van de bisschop over Baarle verwijst, die klaarblijkelijk op 10 oktober 1262 al is geschreven, kan de tegenstrijdigheid in de data niet worden verklaard uit een tijdsverschil tussen de actio en conscriptio. Waarschijnlijk refereert de abdis aan het te Thorn klaargemaakte mundum voor de bisschop, dat pas drie dagen later in de bisschoppelijke kanselarij is gevalideerd en gedateerd.
Samenhang
Voor de extra bepalingen inzake de inkomsten van de kerk van Baarle, zie de oorkonde van Engelbert van Isenburg, aartsdiaken van Luik, d.d. 1270 mei 15 (zie Collectie Thorn, nr. 35).

Urkunde 19
Walram, Herr von Valkenburg und Monschau, bezeugt, daß Ritter Gerard van der Huven in seiner Gegenwart den Verkauf eines Teils des Zehnten von Spaubeek bestätigt hat. Er tat dies für 21 Lütticher Pfund an den Verwalter, die Magistra und den Konvent des Klosters Sint-Gerlach in Houthem. Es handelte sich dabei um zwei Mud Roggen (Maastricht-Maß), die auf ewig jährlich am Sint-Andreastag (30. November) zu zahlen sind. Dieser Verkauf fand mit Zustimmung seines verstorbenen Vaters Dirk II. statt, dem Herrn van Valkenburg. Zum Zeitpunkt des Verkaufs besaß Ritter Gerard diesen Zehnten als Lehen von Dirk II. Zum Zeitpunkt des Zeugnisses von Herrn Walram befand sich dieser Zehnte in seinem Besitz als Lehnsherr. Auch er ist mit dem Verkauf einverstanden.
1271 (april 3 - 1272 april 21)
Walram, heer van Valkenburg en Monschau, hecht zijn goedkeuring aan de verkoop gedaan door Gerard van der Huven, ridder, in aanwezigheid en met instemming van zijn vader (Dirk II), heer van Valkenburg, van twee mud rogge uit de tiend van Spaubeek voor 21 pond Luiks aan proost, magistra en convent van het klooster Sint-Gerlach (te Houthem).
Origineel
A. Maastricht, RHCL, toegangsnr. 14.D003, archief klooster Sint-Gerlach te Houthem, inv. nr. 87, reg. nr. 15.
Aantekeningen op de achterzijde: 1o door 13e-eeuwse hand: Littera de II modiis siliginis in Spauberch. – 2° door 17e-eeuwse hand: 1271. – 3° door 18e-eeuwse hand: Num. 83.
Bezegeling: één uithangend bevestigd, dubbel doorgestoken zegel, dat aangekondigd is, namelijk: S1 van Walram, heer van Valkenburg en Monschau, van bruine was, beschadigd. Voor een beschrijving en afbeelding van S1, zie Venner, ‘Zegels klooster Sint-Gerlach’, 158-159.
Afschrift
B. 1735, RHCL, toegangsnr. 14.D003, archief klooster Sint-Gerlach te Houthem, inv. nr. 1 (cartularium) = Privelegien ende register der obligatien en andere erffcontracten des adelijcken cloosters van St. Gerlach, p. 129-130, onder de rubriek: Reditus duorum modiorum siliginis ex decimis in Spaubeek, en in de marge: Num. 83, met opgave van één bezegelingsplaats, naar A.
Uitgave
a. Franquinet, Beredeneerde inventaris St. Gerlach, IV, 20-21 (gedateerd 1271), naar A.
Regesten
Haas, Inventaris Sint Gerlach, 73, reg. nr. 15 (gedateerd 1271). – Idem, Chronologische lijst, 65, reg. nr. 160 (gedateerd 1271).
Datering
Het gebruik van paasstijl in het bisdom Luik is verondersteld, zie Camps, ONB I, XXI, en Dillo en Van Synghel, ONB II, XVII.
Tekstuitgave
Het onderscheid tussen c en t is niet goed zichtbaar.

Urkunde 19
Vereinbarung zwischen Godschalk van Aubel und seiner Frau einerseits und Abt Erpo und dem gesamten Konvent von Kloosterrade andererseits, wonach die ersteren der Abtei mehr als 43 Mark Silber für den Erwerb bestimmter Güter schenken, unter der Bedingung, dass sie den Nießbrauch davon genießen werden.
Overeenkomst tussen Godschalk van Aubel en zijn echtgenote enerzijds en abt Erpo en het gehele convent van Kloosterrade anderzijds, waarbij de eersten de abdij meer dan 43 mark zilver schenken ter verwerving van bepaalde goederen, op voorwaarde dat zij het vruchtgebruik daarvan zullen genieten.
Originelen
A1. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.D004, archief abdij Kloosterrade, inv. nr. 860. Chirograaf, gezien de vindplaats bestemd voor de abdij.
[A2]. Niet voorhanden, maar blijkens doorsneden chirograaflegende chirograaf, bestemd voor de wederpartij.
Uitgave
a. Polak en Dijkhof, Oorkondenboek Kloosterrade, 108-110, nr. 48, naar A1.
Datering en echtheid
Voor de datering en de eventuele onechtheid van deze oorkonde, zie de uitgave van Polak en Dijkhof.

Urkunde 19
Der römische König Willem (Graaf van Holland) befiehlt den Vögten, Schulzen, Schöffen und Bürgern von Maastricht, die Rechte und Privilegien des Sint-Servaaskapitels in Maastricht und der dortigen Beschäftigten zu achten.
Rooms-koning Willem (graaf van Holland) gelast de voogden, schouten, schepenen en burgers van Maastricht de rechten en privileges van het Sint-Servaaskapittel te Maastricht en het personeel aldaar te eerbiedigen.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002A, archief kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 20.
Bezegeling: één afhangend bevestigd zegel, dat aangekondigd is, namelijk: S1 van rooms-koning Willem, graaf van Holland, van witte was, beschadigd. Voor een beschrijving en afbeelding van het zegel, zie Venner, ‘Zegels’, nr. 47.
Afschriften
Zie Hägermann en Kruisheer, Die Urkunden Heinrich Raspes und Wilhelms von Holland, 263-264, nr. 211.
Uitgave
a. Hägermann en Kruisheer, Die Urkunden Heinrich Raspes und Wilhelms von Holland, 263-264, nr. 211, naar A.
Regesten
Zie Hägermann en Kruisheer, Die Urkunden Heinrich Raspes und Wilhelms von Holland, 263-264, nr. 211.
Datering
Onderhavige oorkonde valt in het tiende indictiejaar tijdens de regering van rooms-koning Willem. Bijgevolg kan deze oorkonde gedateerd worden in het jaar 1252.
Ontstaan
Blijkens Hägermann, Studien, 264, is onderhavige oorkonde geredigeerd en geschreven door de kanselarijschrijver WA.
Tekstuitgave
Het onderscheid tussen c en t is niet goed zichtbaar.
Urkunde 20
Margareta, Nonne des Klosters Sint-Gerlach in Houthem, Tochter von Wolter und Oda van Stercbeeke, hat sechs "Bunder" Land (etwa 4,8 ha) in Dirgarden zugunsten einer jährlichen Weinspende an das Kloster gekauft; außerdem hat sie zwölf Lütticher Schilling in Heek zugunsten einer Spende an das Kloster an den Festtagen der Heiligen Katharina, des Heiligen Johannes des Evangelisten und des Heiligen Nikolaus gekauft. Außerdem kaufte sie in Haasdal 35 kg Roggen, zu zahlen an den Konvent für den Gedenkgottesdienst am Todestag von Mathilde, der ehemaligen Dame von Berg. Auf dem Bauernhof von Raar kaufte sie drei Morgen Land , um am Todestag ihres Vaters Wolter und ihrer Mutter Oda van Stercbeeke ewige Gedenkfeiern abzuhalten. Für die Lampe von Sint Gerlach in der Kirche von Sint-Gerlach kaufte sie einen halben "bunder" Land (0,4 ha), auf dem örtlichem Feld, und im Hof von Raar 35 kg Roggen, jährlich zu zahlen für die Lampe über dem Chor des Klosters von Sint-Gerlach.
Beoorkond wordt dat Margareta, non van het klooster Sint-Gerlach (te Houthem), dochter van Wolter en Oda van Stercbeeke, zes bunder land gekocht heeft te Dirgarden ten behoeve van de wijnpitantie aan het convent, alsmede twaalf schelling Luiks te Heek ten behoeve van een pitantie aan het convent op de feestdagen van de heilige Catharina, Johannes Evangelist en Nicolaas, een half mud rogge te Haasdal ten behoeve van het jaargetijde van Mathilde, eertijds vrouwe van Berg, aan het convent te voldoen, in de hof te Raar drie morgen land ten behoeve van de jaargetijden van haar ouders, een halve bunder land voor de lamp van sint Gerlach in de kerk en een half mud rogge voor de lamp boven het koor van het convent.
Origineel
[A]. Niet voorhanden, blijkens B bezegeld met één zegel.
Afschrift
B. 1735, Maastricht, RHCL, toegangsnr. 14.D003, archief klooster Sint-Gerlach te Houthem, inv. nr. 1 (cartularium) = Privelegien ende register der obligatien en andere erffcontracten des adelijcken cloosters van St. Gerlach, p. 122-123, onder de rubriek: Litere Margarete, monialis sancti Gerlaci, de 6 bonnariis apud Dirgarde, in Heeke 12 flor. Leodienses etc., en in de marge: Num. 76, met opgave van één bezegelingsplaats, naar [A].
Uitgave
Niet eerder uitgegeven.

Urkunde 20
Der Konvent der Abtei Thorn gibt bekannt, daß Aleid van Nathen, Aleid und Elisabeth, Nonnen des Klosters, sowie die Laien Christiaan und Dirk und viele andere, die zur familia des Klosters gehören, der Kirche von Thorn jährlich am 11. November eine Kopfsteuer schulden. Beim Tod sowie für die Erlaubnis zur Eheschließung muß ein Betrag für die tote Hand entrichtet werden. Außerdem ist die Kirche ihr einziger Vormund.
Het convent van de abdij van Thorn verklaart dat Aleid van Nathen, Aleid en Elisabeth, kloosterzusters, Christiaan en Dirk, leken, en vele anderen die behoren tot de familia van de Onze-Lieve-Vrouwekerk van Thorn, een jaarlijkse hoofdcijns verschuldigd zijn van twee penning Luiks aan de kerk van Thorn alsmede twee penning bij hun overlijden of huwelijk, en dat zij geen andere voogd zullen hebben dan de kerk van Thorn.
Originelen
A1. Maastricht, HCL, toegangsnr. 01.187A, archief Vrije Rijksheerlijkheid Thorn, inv. nr. 33. Linker chirograafgedeelte, met de onderste letters van het devies: C[Y]RO[G]RAPH[V]M. Beschadigd met tekstverlies.
Aantekeningen op de achterzijde: 1o door 16e-eeuwse hand: Pro licentia nubendi sive contrahendi matrimonium dabit et duos denarios, 1263. – 2o door 17e-eeuwse hand: R doorgestreept, Z.
Bezegeling: één bevestigingsplaats, vermoedelijk voor het aangekondigde zegel van de abdij van Thorn (LS1).
[A2]. niet voorhanden, maar bekend uit A1, rechtergedeelte van de chirograaf.
Uitgaven
a. Franquinet, Beredeneerde inventaris Thorn, 27-28, nr. 17, naar A1. – b. Habets, Archieven Thorn, 26, nr. 33, naar A1.
Regest
Haas, Chronologische lijst, 55, nr. 126.

Urkunde 20
Rutger, Abt von Kloosterrade, schlichtet einen Streit zwischen Gerard von Merz, einem Getreuen der Abtei, und Rutger, einem Bürger von Ahrweiler, indem er von letzterem verlangt, gegen Zahlung von sechzehn Schillingen Keuls auf seine Ansprüche auf Weinberge zu verzichten, die er zuerst an den genannten Gerard verpfändet und später verkauft hatte.
Rutger, abt van Kloosterrade, beslecht een geschil tussen Gerard van Merz, getrouwe van de abdij, en Rutger, burger van Ahrweiler, waarbij de laatste tegen betaling van zestien schelling Keuls afstand moet doen van zijn aanspraken op wijngaarden die hij eerst aan genoemde Gerard verpand en later verkocht had.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.D004, archief abdij Kloosterrade, inv. nr. 846.
Uitgave
a. Polak en Dijkhof, Oorkondenboek Kloosterrade, 114-116, nr. 52, naar A.
Datering en echtheid
Voor de datering en de eventuele onechtheid van deze oorkonde, zie de uitgave van Polak en Dijkhof.

Urkunde 20
Garsilius, Dekan, und das Kapitel Unserer- Lieben-Frau in Aachen genehmigen den Vertrag zwischen Koenraad, Kantor des Kapitels, einerseits und dem Dekan und dem Sint-Servaaskapitel in Maastricht andererseits, in dem Koenraad im Namen des Kapitels Unserer-Lieben-Frau den neunten Teil (der Einnahmen) des Dorfes und Allodium von Dilsen in ewiger Pacht an das Sint-Servaaskapitel überträgt gegen einen jährlichen Cijns von fünfzig Lütticher Schilling
Garsilius, deken, en het kapittel van Onze-Lieve-Vrouw te Aken keuren de overeenkomst goed tussen Koenraad, voorzanger van het kapittel, enerzijds en deken en kapittel van Sint-Servaas te Maastricht anderzijds, waarin Koenraad namens het Onze-Lieve-Vrouwekapittel het negende deel (van de opbrengsten) van het dorp en allodium van Dilsen in eeuwigdurende pacht overdraagt aan het Sint-Servaaskapittel tegen een jaarlijkse betaling van vijftig schelling Luiks.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002A, archief kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 321.
Aantekeningen op de achterzijde: 1o door 14e-eeuwse hand: De censu dando cantori Aquensi de silva de Dilsene. – 2o door 16e-eeuwse hand: R. 49. – 3o door 16e-eeuwse hand: 1255. – 4o door 16e-eeuwse hand: 26 / C XVII.
Bezegeling: twee bevestigingsplaatsen, vermoedelijk voor de aangekondigde zegels van het Onze-Lieve-Vrouwekapittel te Aken en van Koenraad, voorzanger van het kapittel (LS1 en LS2).
Afschrift
Niet voorhanden.
Uitgave
Niet eerder uitgegeven.
Regesten
Doppler, ‘Verzameling’, 306, nr. 170. – Haas, Chronologische lijst, 49, nr. 103. – Nuyens, Inventaris Sint-Servaas, 87, nr. 321. – Mummenhoff, Regesten Aachen I, 29, nr. 65.

Urkunde 21
Engelbert van Isenburg, Erzdiakondiakon von Lüttich, und Meister Reinier, Scholaster in Tongeren und Provisor von Hendrik III., Bischof von Lüttich, beenden nach sorgfältiger Untersuchung den Streit zwischen dem Erzdiakon einerseits und den Kanonikern und Nonnen von Thorn andererseits über den Erhalt des Zehnten von Mertersem und seiner Zugehörigkeit. Nur der Zehnte von Gilze, Burgst und Overveld, der im Zehntgebiet der Kirche von Mertersem liegt, gehört dem Pfarrer der Kirche von Gilze. Der Rest des Zehnten von Mertersem wird für immer dem Zuwachs der Präbenden der Kanoniker und Klosterschwestern von Thorn zufallen.
Engelbert van Isenburg, aartsdiaken van Luik, en meester Reinier, scholaster in Tongeren en provisor van Hendrik III, bisschop van Luik, beslechten het geschil tussen de aartsdiaken enerzijds en de kanunniken en kloosterzusters van Thorn anderzijds inzake de tienden van Mertersem, Burgst en Overveld.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 01.187B, archief Vrije Rijksheerlijkheid Thorn, inv. nr. 2222.
Uitgave
a. Dillo-Van Synghel, ONB II, 379-381, nr. 1060, naar A.

Urkunde 21
Walram, Herr van Valkenburg und Monschau, hat auf Anraten seiner Räte Ritter Arnoud, Herr van Stein, Ritter Gozewijn van Borgharen, Ritter Jan van Haasdal und van Raas van Printhagen, dreißig "bunder" (24 ha) seines Waldes von Buchoit an Arnoud van Houthem verkauft. Dies in der Absicht, daraus Ackerland zu machen. Diese dreißig "bunder" werden, wie auch die anderen Lehen, die Arnoud van Houthem von Walram besitzt, als Lehen übertragen.
Walram, heer van Valkenburg en Monschau, maakt bekend dat hij in leen heeft gegeven aan Arnoud van Houthem dertig bunder bos van Buchoit, die hij op advies van zijn raadsmannen Arnoud, heer van Stein, Gozewijn van Borgharen, Jan van Haasdal, ridders, en Raas van Printhagen, aan hem had verkocht, samen met de andere leengoederen die Arnoud van hem houdt.
Origineel
A. Maastricht, RHCL, toegangsnr. 14.D003, archief klooster Sint-Gerlach te Houthem, inv. nr. 179, reg. nr. 16.
Aantekeningen op achterzijde: 1º door 15e-eeuwse hand: De XXX bonaria terre. – 2º door 17e-eeuwse hand: 1273.
Bezegeling: één afhangend zegel, dat aangekondigd is, namelijk: S1 van Walram, heer van Valkenburg en Monschau, van witte was, beschadigd. Voor een beschrijving en afbeelding van S1, zie Venner, ‘Zegels klooster Sint-Gerlach’, 158-159.
Afschrift
Niet voorhanden.
Uitgave
a. Franquinet, Beredeneerde inventaris St. Gerlach, IV, 21, nr. 16, naar A.
Regesten
Haas, Inventaris Sint Gerlach, 73, reg. nr. 16. – Idem, Chronologische lijst, 66, reg. nr. 164.
Tekstuitgave
Het onderscheid tussen c en t is niet goed zichtbaar.

Urkunde 21
Hendrik I., Herzog von Lothringen und Markgraf, bestätigt auf Bitten des Abtes und des Klosters von Kloosterrade und seines Onkels Hendrik III, Herzog von Limburg, die Schenkung der Pfarrkirche von Lottersum und der Zehnten - dazu auch das Recht, andere Güter die zur Kirche gehören, nachträglich zu erwerben. Diese Schenkung wurde der Abtei von seiner Urgroßmutter Jutta, der Witwe von Walram II., Herzog von Limburg, gemacht, als sie in das Kloster eintrat, und wurde später von ihren Nachkommen bestätigt.
Hendrik I, hertog van Lotharingen en markgraaf, bevestigt op verzoek van abt en convent van Kloosterrade alsmede van zijn oom Hendrik III, hertog van Limburg, de schenking van de parochiekerk van Lommersum en de tienden ─ met inbegrip van het recht andere goederen die aan de kerk verbonden zijn, alsnog te verwerven ─, welke schenking destijds, bij haar intrede in het convent, door zijn overgrootmoeder Jutta, weduwe van Walram II, hertog van Limburg, aan de abdij is gedaan en die later door haar nakomelingen is bevestigd.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.D004, archief abdij Kloosterrade, inv. nr. 802, 3.
Uitgave
a. Polak en Dijkhof, Oorkondenboek Kloosterrade, 116-119, nr. 53, naar A.
Echtheid
Voor de eventuele onechtheid van deze oorkonde, zie de uitgave van Polak en Dijkhof.

Urkunde 21
Die Schöffen von Maastricht beurkunden, dass Benedicta, Witwe (von Adelbert van Wyck), und ihre Söhne Godfried und Jan, Priester, einen jährlichen Cijns von fünf Lütticher Schilling und zwei Kapäunen, der auf einem Haus in Wyck (bei Maastricht) lastet, an Jan van Wyck, Sohn von Basilea, verkaufen.
Schepenen van Maastricht oorkonden dat Benedicta, weduwe (van Adelbert van Wyck), en haar zonen Godfried en Jan, priesters, een jaarcijns van vijf schelling Luiks en twee kapoenen op een huis te Wyck (te Maastricht) hebben verkocht aan Jan van Wyck, zoon van Basilea.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002A, archief kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 443.
Aantekeningen op de achterzijde: 1o door 14e-eeuwse hand: Littera V solidorum et II caponum tenetur relicta quondam Alberti in Wiic. – 2o door 16e-eeuwse hand: n 39. – 3o door 16e-eeuwse hand: 286 / 1257.
Bezegeling: twee uithangend bevestigde zegels, die aangekondigd zijn, namelijk: S1 van Boudewijn de Molendino, schepen van Maastricht, van bruine was, beschadigd. – S3 eerste zegel van Daniel supra Forum, schepen van Maastricht, van bruine was, beschadigd; en één bevestigingsplaats, vermoedelijk voor het aangekondigde zegel van Godfried, zoon van vrouwe Osa, schepen van Maastricht (LS2). Voor een beschrijving en afbeelding van S1 en S3, zie respectievelijk Venner, ‘Zegels klooster Sint-Gerlach’, 161-162, en Idem, ‘Maastrichtse schepenzegels’, 170-171, afb. 14.
Afschrift
Niet voorhanden.
Uitgaven
a. Doppler, ‘Schepenbrieven’, 19-20, nr. 1, naar A. – b. Nève, De dertiende-eeuwse schepenoorkonden, 11-12 (met onvolledige vertaling), nr. 1257.05.12, naar A.
Regesten
Haas, Chronologische lijst, 51, nr. 110. – Nuyens, Inventaris Sint-Servaas, 100, nr. 443.
Identificatie
Blijkens de dorsale aantekening is Benedicta de weduwe van Adelbert van Wyck.
Ontstaan
Deze oorkonde is geschreven door een scriptor die schepenoorkonden van Maastricht mundeert voor het Wittevrouwenklooster te Maastricht d.d. 1256 december 22 (zie Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.D030, archief Klooster der Witte Vrouwen Maastricht, 1253-1796, inv. nr. 59), voor de Predikheren te Maastricht d.d. 1263 november 6 (zie Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.D028, archief Klooster der Predikheren te Maastricht, 1261-179, inv. nr. 83) en voor twee begijnen d.d. 1267 januari 25 (zie Collectie Sint-Servaaskapittel, nr. 26). Bijgevolg kan deze scriptor worden gelokaliseerd in het milieu van de schepenbank van Maastricht.
Tekstuitgave
Het onderscheid tussen c en t is moeilijk zichtbaar.
Urkunde 22
Hildegonde, Äbtissin, und der Konvent der Abtei Thorn verteilen auf Bitten von Jan, Propst, Gillis, Dekan, dem Erzdiakon und dem Domkapitel in Lüttich sowie mit Zustimmung von Marsilius, Gundulf und Nicolaas van Welheim, Priestern, und Koenraad, Kanoniker von Thorn, das Klostergut zur Tilgung von Schuleden..
Hildegonde, abdis, en het convent van de abdij van Thorn verdelen op verzoek van Jan, proost, Gillis, deken, de aartsdiaken en het domkapittel te Luik alsmede met instemming van Marsilius, Gundulf en Nicolaas van Welheim, priesters, en Koenraad, kanunnik van Thorn, de kloostergoederen ter delging van hun schulden. (Deperditum)
Vermelding
Deze oorkonde is bekend uit de dispositio van de oorkonde d.d. 1265 (april 3-1266 maart 25) van Hildegonde, abdis, en het convent van de abdij van Thorn (zie Collectie Thorn, nr. 23), alwaar onderhavige oorkonde wordt vermeld: nobis ab ecclesia [***] ordinationem sive divisionem inter nos fecimus de bonis et reditibus nostris propter debita n[o]stra [***], [s]icut in [l]itteris super hoc confectis et sigillis nostris sigillatis plenius continetur.
Uitgave
Niet eerder uitgegeven.
Samenhang
Voor het verzoek om bevestiging van deze goederenverdeling aan het domkapittel te Luik, zie Collectie Thorn, nr. 23.

Urkunde 22
Engelbert von Isenburg, Erzidiakon der Diözese Lüttich, ordnet an, dass der Pfarrer von Meerssen eine vorgeschlagene Ernennung eines Pfarrers in Oirsbeek drei Festtage lang verkünden muss, damit andere am 12. Juni beim Erzdiakon Einspruch erheben können und das Kloster Sint-Gerlach in Houthem eine andere Ernennungsentscheidung treffen kann. Denn Walram, der junge Herr van Valkenburg und Monschau, hatte zuvor das Patronatsrecht von Oirsbeek an das Kloster Sint-Gerlach geschenkt.
Engelbert van Isenburg, aartsdiaken van Luik, beveelt de priester van Meerssen om de vergeving van het pastoorsambt van Oirsbeek, dat door Walram, jonge heer van Valkenburg en Monschau, was geschonken aan proost, magistra en convent van Sint-Gerlach, gedurende drie feestdagen af te kondigen zodat andere belanghebbenden op 12 juni voor de aartsdiaken bezwaar zouden kunnen maken en het klooster erop zou kunnen terugkomen.
Origineel
[A]. Niet voorhanden, blijkens D bezegeld met één zegel.
Afschriften
[B]. 1376 januari 25, niet voorhanden, maar bekend uit C, oorkonde van de officiaal van Luik en de aartsdiaken van de Kempen, naar [A]. – C. 1376 januari 25, Maastricht, RHCL, toegangsnr. 14.D003, archief klooster Sint-Gerlach te Houthem, inv. nr. 173, reg. nr. 71, gewaarmerkt afschrift door Albert Loze van ‘s-Hertogenbosch, openbaar en keizerlijk notaris, op verzoek van de officiaal van Luik en de aartsdiaken van de Kempen, eerste oorkonde, naar [B]. – D. 1735, Maastricht, RHCL, toegangsnr. 14.D003, archief klooster Sint-Gerlach te Houthem, inv. nr. 1 (cartularium) = Privelegien ende register der obligatien en andere erffcontracten des adelijcken cloosters van St. Gerlach, p. 275-276, onder de rubriek: Collatio iuris patronatus ecclesie in Oirsbeek, en in de marge: Num. 170, met opgave van één bezegelingsplaats, naar [A]. – [E]. vóór 1869, niet voorhanden, maar bekend uit b, in 1869 nog aanwezig in het kerkarchief van Oirsbeek.
Uitgaven
a. Hugo, Annales, kol. 737, nr. XVI. – b. Habets, ‘Houthem-Sint-Gerlach’, 213-214, nr. 7, naar [E]. – c. Franquinet, Beredeneerde inventaris St. Gerlach, IV, 22, nr. 17, naar C.
Regest
Haas, Inventaris Sint Gerlach, 73, reg. nr. 17.
Samenhang
Voor de benoeming van de pastoor van Oirsbeek, zie infra nr. 23.
Tekstuitgave
Bij ontstentenis van het origineel en het ontbreken van tekstgedeelten in het achttiende-eeuws cartularium, is onderhavige tekst uitgegeven op basis van afschrift C, met in het notenapparaat de significante varianten van D, a en b.

Urkunde 22
Rutger, Abt von Kloosterrade, verkündet, dass die Abtei in jüngster Zeit mehrfach Besitztümer und Einkünfte erworben hat.
Rutger, abt van Kloosterrade, beoorkondt de verwerving door de abdij van goederen en inkomsten bij verschillende recente gelegenheden.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.D004, archief abdij Kloosterrade, inv. nr. 824.
Uitgave
a. Polak en Dijkhof, Oorkondenboek Kloosterrade, 122-125, nr. 55, naar A.
Datering en echtheid
Voor de datering en de eventuele onechtheid van deze oorkonde, zie de uitgave van Polak en Dijkhof.

Urkunde 22
Schöffen von Maastricht beurkunden, dass Dirk, Mönch der Abtei Val-Dieu (in Aubel), als Prokurator von Abt und Konvent einerseits und Hendrik Herync, Bürger von Maastricht, andererseits, unter näheren Bedingungen eine Vereinbarung über die Zahlung einer jährlichen Erbschaftssteuer von einem Lütticher Pfund durch Hendrik an die Abtei getroffen haben, die von seinem Wohnsitz aan het Vrijthof (in Maastricht) zu entrichten ist.
Schepenen van Maastricht oorkonden dat Dirk, monnik van de abdij van Val-Dieu (te Aubel), als procurator van abt en convent enerzijds en Hendrik Herync, burger van Maastricht, anderzijds onder nadere voorwaarden een overeenkomst hebben gesloten inzake de betaling door Hendrik van een jaarlijkse erfcijns van één pond Luiks aan de abdij, te betalen uit zijn woonhuis aan het Vrijthof (te Maastricht).
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002A, archief kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 444.
Aantekeningen op de achterzijde: 1o door 14e-eeuwse hand: Henricus dictus Herinc. – 2o door 14e-eeuwse hand: De XX solidis supra domum in qua moratur Manesius et alia domo contigua. – 3o door 16e-eeuwse hand: 333 / E 44. – 4o door 16e-eeuwse hand: 1261. – 5o door mogelijk 16e-eeuwse hand: (na doorgestreepte woorden) MR G.
Bezegeling: twee uithangend bevestigde zegels, die aangekondigd zijn, namelijk: S1 van Boudewijn de Molendino, schepen van Maastricht, van bruine was, beschadigd. – S2 van Godfried, zoon van vrouwe Osa, schepen van Maastricht, van bruine was, beschadigd. Voor een beschrijving en afbeelding van S1 en S2, zie Venner, ‘Zegels klooster Sint-Gerlach’, 161-162 en 162.
Afschrift
Niet voorhanden.
Uitgave
a. Nève, De dertiende-eeuwse schepenoorkonden, 13-14 (met onvolledige vertaling), nr. 1262.01.23, naar A.
Regesten
Doppler, ‘Schepenbrieven Supplement’, 80, nr. 1805. – Haas, Chronologische lijst, 52, nr. 115. – Nuyens, Inventaris Sint-Servaas, 101, nr. 444.
Datering
Het gebruik van de paasstijl in het bisdom Luik is verondersteld, zie Camps, ONB I, XXI, en Dillo en Van Synghel, ONB II, XVII.
Ontstaan
Deze oorkonde is geschreven door een scriptor die schepenoorkonden van Maastricht mundeert voor het Wittevrouwenklooster te Maastricht d.d. 1253 maart 31, 1255 oktober 28, 1256 februari 27, 1260 juli 29, 1262 november 24 en 1266 januari 13 (zie Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.D030, archief Klooster der Witte Vrouwen Maastricht, 1253-1796, inv. nrs. 30, 58, 38, 60, 61-1 en 32), voor een priester te Maastricht d.d. 1265 september 6 (zie Collectie Sint-Servaaskapittel, nr. 25), alsmede een oorkonde van Manegold, commandeur van de Duitse Orde te Mechelen, ten behoeve van het Wittevrouwenklooster d.d. 1262 november 24 (zie Ibidem, idem, toegangsnr. 14.D030, archief Klooster derWitte Vrouwen Maastricht, 1253-1796, inv. nr. 61-2). Bijgevolg kan deze scriptor worden gelokaliseerd in het milieu van de schepenbank van Maastricht.

Urkunde 23
Engelbert von Isenburg, Erzdiakon der Diözese Lüttich, teilt Anselm, Dekan des Klerus von Susteren, mit, dass er Theobald, Kanoniker von Sint-Gerlach in Houthem, aufgrund des Todes seines Vorgängers Arnoud van Haren zum neuen Pfarrer von Oirsbeek ernannt hat. Theobald wurde vom Propst und Konvent des Klosters Sint-Gerlach für diese Aufgabe vorgeschlagen. Erzdiakon Engelbert weist Dekan Anselm an, Theobald tatsächlich in dieses Hirtenamt zu setzen und ihm eine schriftliche Bestätigung zukommen zu lassen.
Engelbert van Isenburg, aartsdiaken van Luik, bericht Anselm, landdeken van Susteren, dat hij op voordracht van proost en convent van Sint-Gerlach (te Houthem), patronen van de kerk van Oirsbeek, wegens het overlijden van Arnoud van Haren, pastoor van Oirsbeek, Theobald, kanunnik van Sint-Gerlach, benoemd heeft tot pastoor aldaar en hij draagt hem op om Theobald in het werkelijk bezit te stellen.
Origineel
[A]. Niet voorhanden.
Afschriften
[B]. 1376 januari 25, niet voorhanden, maar bekend uit C, oorkonde van de officiaal van Luik en de aartsdiaken van de Kempen, naar [A]. – C. 1376 januari 25, Maastricht, RHCL, toegangsnr. 14.D003, archief klooster Sint-Gerlach te Houthem, inv. nr. 173, reg. nr. 71, gewaarmerkt afschrift door Albert Loze van ‘s-Hertogenbosch, openbaar en keizerlijk notaris, op verzoek van de officiaal van Luik en de aartsdiaken van de Kempen, tweede oorkonde, naar [B]. – D. 1735, Maastricht, RHCL, toegangsnr. 14.D003, archief klooster Sint-Gerlach te Houthem, inv. nr. 1 (cartularium) = Privelegien ende register der obligatien en andere erffcontracten des adelijcken cloosters van St. Gerlach, p. 276-277, onder de rubriek: Institutio fratris Thibodonis, canonici regularis ecclesie sancti Gerlaci, ordinis Premonstratensis, en in de marge: Num. 171, met opgave van één bezegelingsplaats, naar [A].
Uitgave
Niet eerder uitgegeven.
Regesten
Franquinet, Beredeneerde inventaris St. Gerlach, IV,22-23, nr. 18. – Haas, inventaris Sint Gerlach, 74, reg. nr. 18.
Samenhang
Voor de schenking van het patronaatsrecht van de kerk van Oirsbeek aan het klooster Sint-Gerlach te Houthem, zie infra nr. 22.
Tekstuitgave
Bij ontstentenis van het origineel is onderhavige tekst uitgegeven op basis van afschrift C, met in het notenapparaat de significante varianten van D.

Urkunde 23
Hildegonde, Äbtissin, und der Konvent der Abtei Thorn geben bekannt, daß Jan, Propst, Gillis, Dekan, der Erzdiakon und das Domkapitel in Lüttich festgestellt haben, daß die Abtei durch viele schwere Schulden belastet ist. Um diese Schulden zu tilgen, haben Äbtissin und Konvent auf Veranlassung von Jan, Gillis, dem Erzdiakon und dem Domkapitel, auf Geheiß der Klostergemeinschaft und auf Anraten der Priester Marsilius, Gundulf und Nicolaas van Welheim sowie des Kanonikers Koenraad von Thorn eine Übersicht über die Güter und Einkünfte erstellt, mit der die Schulden getilgt worden sind. Sie bitten Jan, Gillis, den Erzdiakon und das Domkapitel in Lüttich, diese Aufteilung der Güter und Einkünfte zu genehmigen.
Hildegonde, abdis, en het convent van de abdij van Thorn vragen aan het domkapittel te Luik de goedkeuring van de verdeling van de kloostergoederen, zoals opgemaakt op verzoek van Jan, proost, Gillis, deken, de aartsdiaken en het domkapittel te Luik alsmede met instemming van Marsilius, Gundulf en Nicolaas van Welheim, priesters, en Koenraad, kanunnik van Thorn.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 01.187A, archief Vrije Rijksheerlijkheid Thorn, inv. nr. 34. Zwaar beschadigd met tekstverlies.
Aantekeningen op de achterzijde: 1o door 16e-eeuwse hand: Supplicatio ad capitulum Sancti Lamberti ut dignetur divisionem inter abbatissam et capitulum approbare, 1265. – 2o door 17e-eeuwse hand: S doorgestreept, Z.
Bezegeling: één uithangend bevestigd zegel, dat niet aangekondigd is, namelijk S2 van Hildegonde, abdis van Thorn, van witte was, zwaar beschadigd. Voor een beschrijving en afbeelding van S2, zie Venner, ‘Zegels Thorn’, 33. Gezien de bezegelingsplaats uiterst rechts van het perkament, was hoogstwaarschijnlijk ter linkerzijde van het origineel ook een zegel aangebracht.
Uitgaven
a. Franquinet, Beredeneerde inventaris Thorn, 28-29, nr. 18 (gedateerd 1265), naar A. – b. Habets, Archieven Thorn, 27, nr. 34 (gedateerd 1265), naar A en a.
Regest
Haas, Chronologische lijst, 57, nr. 131 (gedateerd 1265).
Datering
Het gebruik van paasstijl door geestelijke instellingen in het bisdom Luik is verondersteld, zie Camps, ONB I, XXI, en Dillo en Van Synghel, ONB II, XVII.
Ontstaan en samenhang
Deze oorkonde is gemundeerd door een scriptor uit de abdij van Thorn, die werkzaam was in de periode 1262 tot en met 1273. Voor de lokalisering van deze scriptor, zie ,Thorn nr. 17.
In onderhavige oorkonde wordt verwezen naar een oorkonde van abdis en convent van Thorn waarin de verdeling gemaakt wordt van de kloostergoederen ter delging van de schulden, zie Collectie Thorn, nr. 22.
Tekstuitgave
Een aantal lacunes in A zijn aangevuld naar druk a, toen deze passages nog leesbaar waren.

Urkunde 23
Hendrik III., Herzog van Limburg und Markgraf van Aarlen, verkündet den mehrfachen Erwerb von Gütern durch Rutger, Abt von Kloosterrade.
Hendrik III, hertog van Limburg en markgraaf van Aarlen, beoorkondt de verwerving door Rutger, abt van Kloosterrade, van goederen bij verscheidene gelegenheden.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.D004, archief abdij Kloosterrade, inv. nr. 825.
Uitgave
a. Polak en Dijkhof, Oorkondenboek Kloosterrade, 138-140, nr. 63, naar A.

Urkunde 23
Dirk, Abt von Siegburg, teilt Ludwig, Dekan, und dem Sint-Servaaskapitel in Maastricht mit, dass sie anerkennen, dass der strittige Zehnte der Güter, genannt Manewerc, in Güls, wie auch der andere Zehnte von Güls, dem Kapitel gehört.
Dirk, abt van Siegburg, bericht aan Lodewijk, deken, en het kapittel van Sint-Servaas te Maastricht dat zij erkennen dat de omstreden tiend van de goederen, genaamd Manewerc, te Güls, evenals de andere tiend van Güls aan het kapittel toebehoort.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002A, archief kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 339.
Aantekeningen op de achterzijde: 1o door 15e-eeuwse hand: De decima de Gulse. – 2o door 16e-eeuwse hand: C/II. – 3o door 17e-eeuwse hand: Littera Theodorici, abbatis Siburgensis, quibus decimas de omnibus suis bonis prestandas recognosci / B II en 1263.
Bezegeling: één bevestiging, vermoedelijk voor het aangekondigde zegel van Dirk, abt van Siegburg (SD1).
Afschrift
Niet voorhanden.
Uitgaven
a. Wisplinghoff, Urkunden Siegburg, 256, nr. 142, naar A. – b. Hardt, Urkundenbuch Mittelrheinischen Territorien, 323-324, nr. 469, naar A.
Regesten
Doppler, ‘Verzameling’, 306-307, nr. 173. – Haas, Chronologische lijst, 54, nr. 123. – Nuyens, Inventaris Sint-Servaas, 90, nr. 339.
Samenhang
Voor de in de dispositio genoemde oorkonde d.d. (1188 december 25 – ) 1189 (september 23) inzake het geschil over de tiend te Güls tussen het Sint-Servaaskapittel en de abdij van Siegburg, zie Collectie Sint-Servaas, nr. 8.
Tekstuitgave
Het onderscheid tussen c en t is moeilijk zichtbaar.

Urkunde 24
Hendrik, Bischof von Utrecht, beschließt aufgrund der großen Armut der Abtei Thorn nach Rücksprache mit Juristen, daß die Äbtissin von Thorn - der das Ernennungs- und Benennungsrecht für die Kirche von Avezaath zusteht - dort einen Pfarrer ernennen wird, sobald das Amt frei wird. Der zu ernennende Geistliche muß die Priesterweihe empfangen, freiwillig auf ein anderes Benefizium verzichten und innerhalb eines Jahres nach der Ernennung in Avezaath wohnen. Der Bischof stattet den Pfarrer mit einer Pfründe (Einkommen) im Wert von einem Sechstel des großen und kleinen Zehnten von Zoelen aus, mit dem Besitz der Güter und Felder der Kirche von Avezaath, mit den Schenkungen und allen neuen Spenden an die Kirche. Alle übrigen Einkünfte der Kirche fallen den Kanonikern und Klosterschwestern von Thorn zu, damit ihre Pfründe (Einkünfte) aufgrund ihrer Armut erhöht werden.
Hendrik, bisschop van Utrecht, bepaalt dat de abdis van Thorn, die het patronaatsrecht van de kerk van Avezaath bezit, met goedkeuring van kanunniken en kloosterzusters van Thorn een pastoor zal installeren en hij stelt tevens diens inkomsten vast.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 01.187A, archief Vrije Rijksheerlijkheid Thorn, inv. nr. 36.
Uitgave
a. Ketner, OSU III, 433-434, nr. 1690, naar A.

Urkunde 24
Wilhelm, Verwalter, und der Konvent von Sint-Gerlach in Houthem erklären, dass sie mit Zustimmung des Dekans und des Kapitels der St. Servatius-Kirche in Maastricht eine Mauer um ihr Kloster auf dem freien Gelände des Kapitels errichtet haben. Zu diesem Zweck haben sie von diesem Grundbesitz sowohl unter der Mauer als auch innerhalb der Mauer einen Morgen in der Länge und einer Rute in der Breite auf der Seite von Berg erworben. Dafür zahlen sie am ersten Sonntag nach St. Andreas einen jährlichen Erbzins von zwei Lütticher Pfennige an die Kirche St. Servatius in Berg. Mit dieser Genehmigung des freien Besitzes erkennen Propst und Konvent von Sint-Gerlach an, dass sie keine weiteren Rechte an den Gütern des Heiligen Servatius erworben haben.
Willem, proost, en het convent van Sint-Gerlach (te Houthem) verklaren dat zij met instemming van deken en kapittel van de Sint-Servaaskerk te Maastricht in het allodium van het kapittel een muur rond hun klooster gebouwd hebben op een stuk grond van één bunder in de lengte en één roede in de breedte aan de zijde van Berg tegen een erfelijke jaarrente van twee penning Luiks.
Origineel
[A]. Niet voorhanden.
Afschrift
B. 1279 september 6, Maastricht, RHCL, toegangsnr. 14.D003, archief klooster Sint-Gerlach te Houthem, inv. nr. 31, reg. nr. 21, vidimus door deken en kapittel van de Sint-Servaaskerk te Maastricht, zie infra nr. 25, naar [A].
Uitgave
Niet eerder uitgegeven.
Regest
Niet voorhanden.
Ontstaan en samenhang
Onderhavige oorkonde is samen met twee andere oorkonden inzake de bouw van de muur op eenzelfde dag uitgevaardigd, zie infra nrs. 25 en 26.

Urkunde 24
Walram III., Graf von Luxemburg und La Roche und Markgraf von Arlon, schlichtet einen Streit zwischen der Abtei Kloosterrade und dem Ritter Rutger von Beggendorf, wobei die Abtei die jährliche Abgabe eines Mantels mit einer Summe von zwei Mark abkauft.
Walram III, graaf van Luxemburg en La Roche en markgraaf van Aarlen, beslecht een geschil tussen de abdij Kloosterrade en ridder Rutger van Beggendorf, waarbij de abdij de jaarlijkse afdracht van een cappa afkoopt met een som van twee mark.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.D004, archief abdij Kloosterrade, inv. nr. 777.
Uitgave
a. Polak en Dijkhof, Oorkondenboek Kloosterrade, 143-144, nr. 65, naar A.

Urkunde 24
Louis, Dekan, und das Sint-Servaaskapitel in Maastricht nehmen Arnoud Nauta von Güls und seine Frau Cristantia in ihre Bruderschaft auf und geben ihnen die Weinberge in Güls in lebenslangem Nießbrauch, die sie dem Kapitel geschenkt haben.
Lodewijk, deken, en het kapittel van Sint-Servaas te Maastricht nemen Arnoud Nauta van Güls en zijn echtgenote Cristantia in hun broederschap op en geven hun de wijngaarden te Güls in levenslang vruchtgebruik die zij aan het kapittel hebben geschonken.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002A, archief kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 340. Beschadigd met tekstverlies.
Aantekeningen op de achterzijde: 1o door 15e-eeuwse hand: De Gulse. – 2o door 15e-eeuwse hand: P XIIII. – 3o door 16e-eeuwse hand: B 12 en 1265. – 4o door 17e-eeuwse hand: Littera donationis quorundam bonorum in Gulse.
Bezegeling: één bevestigingsplaats, vermoedelijk voor het aangekondigde zegel van het kapittel van Sint-Servaas te Maastricht (LS1).
Afschrift
Niet voorhanden.
Uitgave
Niet eerder uitgegeven.
Regesten
Doppler, ‘Verzameling’, 307, nr. 174. – Haas, Chronologische lijst, 55-56, nr. 127. – Nuyens, Inventaris Sint-Servaas, 90, nr. 340.
Tekstuitgave
Het onderscheid tussen c en t is moeilijk zichtbaar.

Urkunde 25
Der Dekan und das Kapitel der Kirche Sint-Servaas in Maastricht geben bekannt, dass sie eine Urkunde des Verwalters und des Konvents von Sint-Gerlach in Houthem vom 6. September 1279 erhalten haben, und geben den Text wieder. In dieser Urkunde geht es um den Bau einer Mauer um das Kloster Sint-Gerlach.
Deken en kapittel van de Sint-Servaaskerk te Maastricht vidimeren een oorkonde van proost en convent van Sint-Gerlach (te Houthem) d.d. 1279 september 6, inzake de bouw van een muur rond het klooster Sint-Gerlach en bevestigen dat zij deze oorkonde hebben ontvangen.
Origineel
A. Maastricht, RHCL, toegangsnr. 14.D003, archief klooster Sint-Gerlach te Houthem, inv. nr. 31, reg. nr. 21. Gelinieerd.
Aantekeningen op de achterzijde: 1º door laatste kwart 14e-eeuwse hand: H II. – 2º door 15e-eeuwse hand: De quittatione allodii unius bonarii terre siti infra muros monasterii. – 3º door 17e-eeuwse hand: 1279. – 4º door 18e-eeuwse hand: Num. 74.
Bezegeling: één uithangend bevestigd zegel, dat aangekondigd is, namelijk: S1 zegel van het kapittel van de Sint-Servaaskerk te Maastricht, van groene was, beschadigd. Voor een beschrijving en afbeelding, zie Venner, ‘Zegels klooster Sint-Gerlach’, 155.
Afschrift
B. 1735 Maastricht, RHCL, toegangsnr. 14.D003, archief klooster Sint-Gerlach te Houthem, inv. nr. 1 (cartularium), p. 120-121, onder de rubriek: Litere domini decani et capituli sancti Servatii Traiectensis de quittatione allodii unius bonnarii terre infra murum monasterii, en in de marge: Num. 74, met opgave van één bezegelingsplaats, naar A.
Uitgave
a. Hackeng, Het middeleeuws grondbezit, 320, nr. 101, onvolledig, naar A.
Regesten
Franquinet, Beredeneerde inventaris St. Gerlach, IV, 24, nr. 20. – Haas, inventaris Sint Gerlach, 75, reg. nr. 21. – Idem, Chronologische lijst, 73, reg. nr. 186.
Ontstaan en samenhang
Onderhavige oorkonde is samen met twee andere oorkonden inzake de bouw van de muur op eenzelfde dag uitgevaardigd, zie infra nrs. 24 en 26. Het schriftbeeld van deze oorkonde wijkt sterk af van de overige oorkonden in het fonds van Sint-Gerlach door het gebruik van de diplomatische minuskel met extreem lange schachten, een zeer grote interlinie met extra interval tussen de regels 4 en 5 en 10 en 11, de grote, sterk versierde initiaal en de vreemd omgeslagen vorm van de pliek. Een mogelijke lokalisering van deze scriptor in het kapittel van Sint-Servaas bleek niet mogelijk bij gebrek aan vergelijkingsmateriaal uit deze periode. Er is slechts één origineel overgeleverd, d.d. 1275.03.20 (Maastricht, RHCL, toegangsnr. 14.B002A, archief kapittel van Sint Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 422), uitgevaardigd door de proost van Sint-Servaas, en deze oorkonde is geschreven in gotisch cursief.
Tekstuitgave
Het onderscheid tussen c en t is niet goed zichtbaar.

Urkunde 25
Jan, Propst, Gillis, Dekan, der Erzdiakon und das Domkapitel von Lüttich fällen ein Urteil im Streit zwischen Willem van Buggenum, Pfarrer von Beek, und den Kanonikern von Thorn über die Erhebung, die Sammlung und den Besitz der Großzehnten innerhalb der Grenzen der Kirche von Beek. Wilhelm, der glaubt, daß er das Recht hat, die gesamten Großzehnten in Beek zu erheben, erklärt, daß die Domherren zu Unrecht zwei Drittel dieser Zehnten einziehen. Er verlangte daher, daß die Kanoniker von Thorn angewiesen werden, ihm den geschätzten Wert dieser Zehnten, die sie seiner Meinung nach unrechtmäßig erhoben hatten, zurückzugeben. Nach schriftlichen und mündlichen Erklärungen beider Parteien fällten Propst, Dekan, Erzdiakon und das Lütticher Domkapitel ein endgültiges Urteil zugunsten der Domherren von Thorn.
Jan, proost, Gillis, deken, de aartsdiaken en het domkapittel van Luik wijzen vonnis in het geschil tussen Willem van Buggenum, pastoor van Beek, en de kanunniken van Thorn inzake de grote tienden te Beek.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 01.187A, archief Vrije Rijksheerlijkheid Thorn, inv. nr. 37.
Aantekeningen op de achterzijde: 1o door 16e-eeuwse hand: 1266. ‒ 2o door 17e-eeuwse hand: Q. ‒ 3o door 18e-eeuwse hand: Maiores decimas de Beken. ‒ 4o door 18e-eeuwse hand: B.
Bezegeling: één uithangend bevestigd zegel, dat niet aangekondigd is, namelijk: S1 van het domkapittel van Luik, van bruine was. Voor een beschrijving en afbeelding van S1, zie Venner, ‘Zegels Thorn’, 21-23.
Afschriften
B. eerste helft 15e eeuw, Ibidem, toegangsnr. 01.187B, archief Vrije Rijksheerlijkheid Thorn, inv. nr. 1628 (voorheen cartularium nr. 1) = Cartularium abbatiae imperialis Thorensis, 966-1600, p. 57-58 (oude fol. 33r-v), onder de rubriek: De decima de Beke, in de marge C, naar A. ‒ C. 18e eeuw, Ibidem, toegangsnr. 01.187B, archief Vrije Rijksheerlijkheid Thorn, inv. nr. 1629 = Codex of cartularium IV, 992-1762 (band notariële afschriften abdij Thorn), p. 35-37, eenvoudig afschrift. ‒ D. Ibidem, idem, p. 63, onder de rubriek: De decima de Beke, links in de marge: Copia N. 2, afschrift, met vermelding van het zegel, naar A.
Uitgave
Niet eerder uitgegeven.
Regesten
Franquinet, Beredeneerde inventaris Thorn, 30-31, nr. 20. – Habets, Archieven Thorn, 30-31, nr. 20. – Haas, Chronologische lijst, 58, nr. 135.
Tekstuitgave
Het onderscheid tussen c en t is niet goed zichtbaar.

Urkunde 25
Konrad, Bischof von Porto und Sint-Rufina und päpstlicher Legat, nahm die Abtei Kloosterrade mit allen ihren Gütern unter seinen Schutz und bestätigte ihr den Besitz der von Jutta und ihrer Tochter Margarete übergebenen Güter.
Koenraad, bisschop van Porto en St.-Rufina en pauselijk legaat, neemt de abdij Kloosterrade met al haar goederen onder zijn bescherming en bevestigt haar in het bezit van de goederen die Jutta en haar dochter Margareta hebben overgedragen.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.D004, archief abdij Kloosterrade, inv. nr. 945.
Uitgave
a. Polak en Dijkhof, Oorkondenboek Kloosterrade, 153-154, nr. 72, naar A.

Urkunde 25
Die Schöffen von Maastricht beurkunden, dass Dirk, Mönch der Abtei Val-Dieu (in Aubel), mit Zustimmung des Abtes und des Konvents ihr Haus und ihren Hof, die Hendrik van Hagen, Priester, gehörten und sich auf dem Vrijthof (in Maastricht) befanden, an Lambert supra Forum, Priester, für die Dauer seines Lebens überlässt und ihm einen jährlichen Cijns von zwölf Lütticher Schilling aus einem anderen Haus auf dem Vrijthof, in dem Adam wohnt, gewährt.
Schepenen van Maastricht oorkonden dat Dirk, monnik van de abdij van Val-Dieu (te Aubel), met instemming van abt en convent hun huis en erf, dat van Hendrik van Hagen, priester, was en gelegen is aan het Vrijthof (te Maastricht), aan Lambert supra Forum, priester, heeft gegeven zolang deze leeft en hem een jaarlijkse cijns van twaalf schelling Luiks toekent uit een ander huis aan het Vrijthof, waarin Adam verblijft.
Originelen
A1. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002A, archief kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 445. Beschadigd.
Aantekeningen op de achterzijde: 1o door 14e-eeuwse hand: Lambertus, presbiter, recepit a domo Vallis Dei quoad mortem suam unam domum in Traiecto coram scabinis Traiectensibus. – 2o door 14e-eeuwse hand: Littera de domo Iohannis de Libra? [***] Atrium. – 3o door 16e-eeuwse hand: 1265. – 4o door16e-eeuwse hand: m 23.
Bezegeling: twee bevestigingsplaatsen, vermoedelijk voor de aangekondigde zegels van Boudewijn de Molendino en Godfried, zoon van vrouwe Osa, schepenen van Maastricht (LS1 en LS2).
[A2]. niet voorhanden, maar bekend uit de corroboratio van A1, exemplaar voor de abdij van Val-Dieu.
Afschrift
Niet voorhanden.
Uitgave
a. Nève, De dertiende-eeuwse schepenoorkonden, 34-35 (met onvolledige vertaling), nr. 1265.09.06, naar A1.
Regesten
Doppler, ‘Schepenbrieven Supplement’, 80-81, nr. 1806. – Haas, Chronologische lijst, 56, nr. 130. – Nuyens, Inventaris Sint-Servaas, 101, nr. 445.
Ontstaan
Deze oorkonde is geschreven door een scriptor die schepenoorkonden van Maastricht mundeert en kan worden gelokaliseerd in het milieu van de schepenbank van Maastricht, zie Collectie Sint-Servaas, nr. 22.
Tekstuitgave
Het onderscheid tussen c en t is moeilijk zichtbaar.
Er komen in onze database geen oorkonden voor die overeenkomen met de zoekwoorden of filters die heeft toegepast. Reset alle filters en probeer opnieuw.
Partner
Spender









