Een overzicht van alle oorkonden

Nummer 41
Arnoud van Leuven en zijn echtgenote Isabella, heer en vrouwe van Breda, hebben aan Guda, abdis, en het convent van de abdij van Thorn de oude en novale tiend van Etten verkocht die zij tot dusverre hadden of later zouden kunnen hebben binnen de grenzen van de parochie van Etten voor een som geld die ten gebruike van hen is uitgekeerd, en zij behouden zich voor henzelf of hun erfgenamen geen enkel recht voor in deze tiend en de toebehoren.
Arnoud en Isabella hebben bezegeld.
Gegeven op 23 juni 1277.
Arnoud van Leuven en zijn echtgenote Isabella, heer en vrouwe van Breda, verkopen aan Guda (van Rennenberg), abdis, en het convent van de abdij van Thorn de oude en nieuwe tiend binnen de parochie van Etten.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 01.187A, archief Vrije Rijksheerlijkheid Thorn, inv. nr. 54.
Uitgave
a. Dillo-Van Synghel, ONB II, 560-563, nr. 1152, naar A.

Nummer 41
Diederik, graaf van Kleef, verklaart dat hij uit goederen van de abdij Kloosterrade een tiend heeft te Lommersum, die hem toebehoort krachtens de wildban van zijn burcht Tomburg. Al zijn inkomsten hieruit heeft hij op verzoek van zijn zuster, de hertogin van Limburg, voor eeuwig aan de abdij gegeven tot een maximum van drie mark per jaar.
Gegeven op 24 mei 1265.
Diederik VII, graaf van Kleef, schenkt op verzoek van zijn zuster, de hertogin van Limburg, aan de abdij Kloosterrade zijn inkomsten uit een tiende over de abdijgoederen te Lommersum, die hem toebehoren op grond van de wildban van de burcht Tomburg, tot een maximum van drie mark per jaar.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.D004, archief abdij Kloosterrade, inv. nr. 807.
Uitgave
a. Polak en Dijkhof, Oorkondenboek Kloosterrade, 224-225, nr. 120, naar A.

Nummer 41
Otto van Gulik, proost van het Sint-Servaaskapittel te Maastricht en aartsdiaken van Luik, maakt bekend dat de goederen en inkomsten van de hof van Kückhoven met het rentmeesterschap van die hof in het bijzonder aan het kapittel toebehoren en dat hij hierop nooit inbreuk heeft gemaakt alsof het inkomsten van zijn proosdij waren en dat ook niet van plan is, maar dat hij en zijn vrienden er eerder naar verlangen om het kapittel in deze hof en hun recht daarin te bevorderen.
Gedaan op 20 maart 1275.
Otto van Gulik, proost van het Sint-Servaaskapittel te Maastricht en aartsdiaken van Luik, verklaart dat de goederen en inkomsten van de hof van Kückhoven met het rentmeesterschap niet aan de proost, maar aan het kapittel toebehoren.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002A, archief kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 422.
Aantekeningen op de achterzijde: 1o door 14e-eeuwse hand: Littera de Codecouen. – 2o door 14e-eeuwse hand: [***] redditus pertinent ad capitulum. – 3o door 16e-eeuwse hand: 9 / 7 / M XXV. – 4o door 17e-eeuwse hand: Littera E / 173.
Bezegeling: één afhangend bevestigd zegel, dat niet aangekondigd is, namelijk: S1 van Otto van Gulik, proost van het Sint-Servaaskapittel te Maastricht en aartsdiaken van Luik, van rode was, beschadigd. Voor een beschrijving en afbeelding van dit zegel, zie Venner, ‘Zegels’, nr. 15.
Afschrift
Niet voorhanden.
Uitgave
Niet eerder uitgegeven.
Regesten
Doppler, ‘Verzameling [800-1273]’, 252-253, nr. 201. – Haas, Chronologische lijst, 69, nr. 175. – Nuyens, Inventaris Sint-Servaas, 98, nr. 422.
Datering
Het gebruik van de paasstijl in het bisdom Luik is verondersteld, zie Camps, ONB I, XXI, en Dillo en Van Synghel, ONB II, XVII.
Tekstuitgave
Het onderscheid tussen c en t is moeilijk zichtbaar.
Nummer 42
Arnoud van Leuven en Isabella, heer en vrouwe van Breda, maken bekend dat heer Arnoud Coreman en zijn echtgenote Heilwich vijftig bunder wildernis, gelegen in hun heerlijkheid te Hulsdonk, hebben gekregen tegen een jaarlijkse erfelijke cijns van vijftig penning kleine Leuvense munt, te betalen op elf november. Zij en hun nakomelingen zullen dit goed van Arnoud en Isabella en hun nakomelingen vrij van jaarlijkse beden en van allerhande andere zaken houden, behalve als de heer van Breda ridder wordt of een kind laat huwen, of gevangen wordt of oorlog voert. Dan zal het goed te Hulsdonk dienen, zoals de andere lieden van de heer en vrouwe van Breda hen dienen. Zij behouden zich ook het wereldlijk gerecht voor en de tiend die van het voornoemde goed zal komen.
Arnoud en Isabella hebben bezegeld.
Gedaan in december 1279.
Arnoud van Leuven en zijn echtgenote Isabella, heer en vrouwe van Breda, geven Arnoud Coreman en diens echtgenote Heilwich 50 bunder woeste grond, gelegen te Hulsdonk binnen de heerlijkheid Breda, tegen een jaarlijkse erfcijns van 50 penning kleine Leuvense munt.
Afschrift
B. ca. 1700, Maastricht, HCL, toegangsnr. 01.187A, archief Vrije Rijksheerlijkheid Thorn, inv. nr. 55, tweede stuk = Copie verclaringhe ofte vidimus van den abt des cloosters van Sinte Michiels tott Antwerpen; Q, onder de rubriek: Copie copie, naar een verloren gegaan afschrift d.d. 3 maart 1345.
Uitgave
a. Dillo-Van Synghel, ONB II, 643-644, nr. 1195.

Nummer 42
Abt Cuno en het convent van Kloosterrade maken bekend dat zij door verschillende jarenlange ruzies tussen hun landsheren zoveel schade hebben opgelopen en zoveel rentelasten van schuldeisers, oplopend tot een bedrag van veertienhonderd mark Keuls, dat zij er op korte termijn niet meer van zullen kunnen herstellen als deze schulden - tegen de gewoonte in - niet door het afstoten en vervreemden van enkele onroerende abdijgoederen als schade worden betaald. Daarom hebben zij Jan, bisschop van Luik, op de hoogte gesteld van de gevaarlijke situatie waarin de abdij zich bevindt en hem dringend om toestemming en instemming gevraagd, die zij ook hebben gekregen, om deze schulden te betalen op de aangegeven wijze. Vervolgens hebben de kapittelbroeders eensgezind besloten een deel van de onroerende goederen te vervreemden, aangezien zij geen roerende goederen hebben waarmee zij zich gemakkelijk van de schuldenlast kunnen bevrijden.
Omdat zij voor de abdij de grootste en meest nuttige landgoederen hebben willen behouden, hebben zij hun goederen te Dernau, bestaande uit wijngaarden, cijnzen en hoevenaars, en alles wat de abdij daar bezit, met al hun rechten en toebehoren zoals deze er liggen en met de hen toebehorende inkomsten die allemaal zuiver allodiaal bezit zijn en waren van de abdij, verkocht aan de religieuzen die de abdij gehoorzaamheid verschuldigd zijn, namelijk aan prior en convent van Marienthal bij Dernau, die deze goederen van hen gekocht en ontvangen hebben, samen met vier malder graan bij Schuren, voor honderdzestig mark Keuls in goed en wettig geld. Dit is door de abdij Kloosterrade gebruikt om de genoemde schulden af te lossen. Zij hebben deze goederen met al hun rechten, aanhorigheden en inkomsten overgedragen aan prior en convent van Marienthal, die deze goederen in hun naam door abt en convent van Kloosterrade laten behouden totdat het vreedzame bezit van deze goederen werkelijk is overgegaan. Zij beloven iedere terechte aanspraak inzake deze goederen af te doen en de goederen te vrijwaren tegen iedereen die met recht op deze zaken aanspraak maakt, en aan de prior en het klooster van Marienthal beloven zij de verschuldigde en wettelijke vrijwaring te geven van een jaar en dag en deze kopers alles te verschaffen wat bij deze verkoop rechtens en krachtens gewoonte gedaan moet worden tot aan de genoemde tijd. Bovendien zien zij uitdrukkelijk af van alle verweermiddelen die tegen deze oorkonde en chirograaf zouden kunnen worden opgeworpen, algemeen en speciaal, zowel canoniek- als civielrechtelijk, alsook op grond van de wetten of gewoonte van het land.
Abt Cuno en het convent van Kloosterrade alsmede Jan, bisschop van Luik, hebben bezegeld.
Gegeven en gedaan op 1 juni 1290.
Abt Cuno en het convent van Kloosterrade verkopen ter delging van hun schulden ten bedrage van 1400 mark Keuls, die zij als gevolg van hun overkomen rampen hebben opgelopen, al hun goederen en rechten te Dernau voor 160 mark Keuls aan prior en convent van Marienthal bij Dernau; bisschop Jan IV van Luik stemt toe in de verkoop en bezegelt mee.
Originelen
A1. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.D004, archief abdij Kloosterrade, inv. nr. 1653.
[A2]. Niet voorhanden tweede exemplaar, bestemd voor de wederpartij; zie onder
Ontstaan en overlevering.
Uitgave
a. Polak en Dijkhof, Oorkondenboek Kloosterrade, 243-245, nr. 131, naar A1.
Teksteditie
Het onderscheid tussen c en t is in A1 niet altijd duidelijk. De lacune in het origineel, ontstaan door het uitscheuren van de pliek, is aangevuld naar een later afschrift, zie hiervoor de uitgave van Polak en Dijkhof.

Nummer 42
Siegfried, edelman, van Brohl, en Lukardis, zijn echtgenote, erkennen en verklaren dat zij de gratis diensten in ogenschouw nemen en denken aan de weldaden van de bijzondere vriendschap die de verstandige mannen van Güls, waarvan het recht en het bezit van de voogdij hen erfrechtelijk blijkt toe te komen, aan Siegfried en Lukardis hebben geschonken. Daarom hebben zij met de mannen van Güls overlegd en zijn overeengekomen dat deze gedurende veertien jaar, ingaand op Pasen eerstkomend 1276, vrijgesteld en uitgezonderd zullen zijn van alle plichten, diensten en betalingen, beden en heffingen die zij omwille van de voogdij jaarlijks aan hen verschuldigd waren. Siegfried en Lukardis zullen hen in de tussentijd begunstigen, behoeden en beschutten zoals zij van rechtswege zijn gehouden, als dank waarvoor de mannen van Güls hen jaarlijks drie diensten en een voeder wijn zijn verschuldigd uit de hoeve van de abt van Siegburg. Na deze veertien jaar zal de voogdij vrij en ongehinderd met de bijbehorende rechten naar Siegfried en Lukardis en hun erfgenamen terugkeren, echter met deze uitzondering dat de geldelijke betaling die men als bede betaalde, is verhoogd naar acht mark en dit bedrag daarna niet zal mogen worden overschreden. Bovendien moeten Siegfried en Lukardis hun beambte in Güls naar eigen goeddunken kunnen plaatsen. Indien zij in de loop der tijd de voogdij moeten verkopen of op welke wijze dan ook vervreemden, dan zullen Siegfried en Lukardis deze eerst en met voorrang aan de abt van Siegburg en aan de mannen van Güls aanbieden en verkopen, als zij die zouden willen verwerven.
De abten van Siegburg en van Maria Laach, Siegfried van Brohl en Herman, heer van Helfenstein, hebben bezegeld.
Gedaan en gegeven op 4 januari 1276.
Siegfried van Brohl, edelman, en Lukardis, zijn echtgenote, verlenen de inwoners van Güls voor veertien jaar vrijdom van rechten en diensten die hen toekomen en verklaren dat zij de erfvoogdij bij vervreemding eerst zullen aanbieden aan de abt van Siegburg en de inwoners van Güls.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002A, archief kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 341.
Aantekeningen op de achterzijde: 1o door 17e-eeuwse hand: 1275 / Vogteij zu Guls. Ist der gemein versatz und versprochen ad annos 14 omnia tercia servicia et carrata vini de villa Sieberg; si advocatia vendenda sit, vendatur abbati primo. – 2o door 17e-eeuwse hand: 1275.
Bezegeling: vier bevestigingsplaatsen, vermoedelijk voor de aangekondigde zegels van de abten van Siegburg en Maria Laach, Herman, heer van Helfenstein, en Siegfried van Brohl, erfvoogd van Güls (LS1, LS2, LS3 en LS4).
Afschrift
Niet voorhanden.
Uitgave
a. Wisplinghoff, Urkunden Siegburg, 271-272, nr. 155, naar A.
Regesten
Doppler, ‘Verzameling [800-1273]’, 253, nr. 203. – Haas, Chronologische lijst, 70, nr. 178. – Nuyens, Inventaris Sint-Servaas, 90, nr. 341.
Datering
Het gebruik van de ‘stilus Trevirensis’, de boodschapstijl, in het aartsbisdom Trier is verondersteld, zie Grotefend, Taschenbuch, 12.
Tekstuitgave
Het onderscheid tussen c en t is moeilijk zichtbaar.
Nummer 43
Arnoud van Leuven en zijn echtgenote Isabella, heer en vrouwe van Breda, hebben aan allen die in Breda verblijven en hun nakomelingen alle gemeenschappelijke weiden en wildernissen tussen Emelenberg en IJpelaar, tot aan de gracht die naar de molen loopt en tot aan het bos dat Verdebos wordt genoemd, gegeven om deze eeuwig te bezitten en houden. Bovendien dragen zij hen alle nieuw ontgonnen gronden over in de voornoemde plaatsen en gebieden die door Arnoud en Isabella de afgelopen drie jaar tot de dag van vandaag zijn overgedragen om deze eeuwig vrij te bezitten als hun gemeenschappelijke weiden.
Arnoud en Isabella hebben bezegeld.
Gegeven op 13 mei 1280.
Arnoud van Leuven en zijn echtgenote Isabella, heer en vrouwe van Breda, schenken aan de inwoners van Breda de gemene gronden bij Breda binnen omschreven grenzen, alsmede de nieuwe gronden die de laatste drie jaar zijn uitgegeven.
Afschrift
B. 1664, Maastricht, HCL, toegangsnr. 01.187A, archief Vrije Rijksheerlijkheid Thorn, inv. nr. 57.
Uitgave
a. Dillo-Van Synghel, ONB II, 648-650, nr. 1198.

Nummer 43
Willem van Holset, Gillis van Treversdorp en Simon van Remersdaal, ridders en broers, maken bekend dat hun ouders, wijlen heer Simon van Remersdaal en zijn echtgenote Mabilia, ingevolge hun wil en met hun instemming aan heer Olivier, hun zoon, voor de duur van zijn leven een tiend hebben gelegateerd in de parochie Remersdaal op voorwaarde dat de ene helft van deze tiend na de dood van Olivier toekomt aan het convent van Kloosterrade en de andere aan de nonnen van Sinnich als pitantie voor het convent.
Willem van Holset, Gillis van Treversdorp en Simon van Remersdaal hebben bezegeld.
Gegeven in juni 1290.
De gebroeders Willem van Holset, Gillis van Treverstorf, Simon van Remersdaal, ridders, verklaren dat hun ouders, ridder Simon van Remersdaal en zijn echtgenote Mabelia, met hun instemming een tiend te Remersdaal aan hun zoon Olivier hebben vermaakt, op voorwaarde dat na diens dood de ene helft daarvan aan de abdij Kloosterrade en de andere helft aan het vrouwenklooster Sinnich zal toevallen.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.D004, archief abdij Kloosterrade, inv. nr. 813.
Uitgave
a. Polak en Dijkhof, Oorkondenboek Kloosterrade, 248-249, nr. 133, naar A.

Nummer 43
Gerard en Jan van Mulinghen, schepenen van Maastricht, maken bekend dat ten overstaan van hen Ida en Margareta, begijnen, dochters van Godfried van Wiggarberge, een jaarlijkse cijns van twaalf schelling Luiks en twee kapoenen die zij hadden gekocht van Jan, bloedverwant van Tis, zoals in de aangehechte oorkonde staat, omwille van God hebben geschonken aan abt en convent van Val-Dieu en er afstand van hebben gedaan, zonder zich daarbij enig recht op die goederen voor te behouden.
Gerard en Jan van Mulinghen, schepenen van Maastricht, hebben bezegeld.
Gegeven op 24 juni 1276.
Schepenen van Maastricht oorkonden dat Ida en Margareta, begijnen, dochters van Godfried van Wiggarberge, een jaarlijkse cijns van twaalf schelling Luiks en twee kapoenen hebben geschonken aan abt en convent van Val-Dieu (te Aubel).
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002A, archief kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 451. Beschadigd. Deze oorkonde is als transfix bevestigd aan de oorkonde van de schepenen van Maastricht d.d. 1267 januari 25, zie Collectie Sint-Servaas, nr. 26.
Geen aantekening op de achterzijde.
Bezegeling: twee bevestigingsplaatsen, vermoedelijk voor de aangekondigde zegels van Gerard van Mulinghen en Jan van Mulinghen, schepenen van Maastricht (LS1 en LS2).
Afschrift
Niet voorhanden.
Uitgaven
a. Doppler, ‘Schepenbrieven’, 21-22, nr. 3, naar A. – b. Nève, De dertiende-eeuwse schepenoorkonden, 49 (met onvolledige vertaling), nr. 1276.06.24(2), naar A.
Regesten
Haas, Chronologische lijst, 71, nr. 180. – Nuyens, Inventaris Sint-Servaas, 101, nr. 451.
Samenhang
Voor de aankoop van deze cijns door Ida en Margareta van Jan, bloedverwant van Tis, zie Collectie Sint-Servaas, nr. 26.
Ontstaan
Deze oorkonde is geschreven door een scriptor die schepenoorkonden van Maastricht mundeert en kan worden gelokaliseerd in het milieu van de schepenbank van Maastricht, zie Collectie Sint-Servaas, nr. 38 onder Ontstaan.

Nummer 44
Amicus de Lude, kanunnik te Luik, en broeder Herman, keldermeester van de abdij van Val-Dieu, gekozen scheidsrechters inzake de in het onderstaande verzoekschrift vermelde betwistingen en geschillen die abdis en convent van Thorn of hun zaakwaarnemer enerzijds en abdis en convent van de abdij van Oriënten of hun zaakwaarnemer anderzijds beurtelings hadden, zoals weergegeven in het hierover tot stand gekomen compromis, maken bekend dat de zaakwaarnemer van abdis en convent van Thorn tegen abdis en convent van Oriënten of hun zaakwaarnemer hun verzoekschrift over de genoemde betwistingen en geschillen als volgt aan hen heeft kenbaar gemaakt: voor scheidsrechters Amicus, kanunnik van de Sint-Lambertkerk te Luik, en Herman, keldermeester van Val-Dieu, heeft de zaakwaarnemer van abdis en convent van Thorn namens hen tegen abdis en convent van Oriënten in rechte het volgende verklaard: hoewel het dorp of de parochie van Oeteren of het grondgebied ervan een allodium is van abdis en convent van Thorn, en speciaal het grondstuk gelegen in het grondgebied van dit dorp, dat in de volksmond Hubrecwarst genoemd wordt, met toebehoren volgens het eigendomsrecht aan hen toekomt, hebben abdis en convent van Oriënten binnen de grenzen van en in dat allodium hoevenaars of cijnslieden geplaatst, zonder instemming en buiten de wil om van abdis en convent van Thorn, ten nadele van het recht dat deze bezitten in dat dorp en op het grondgebied ervan, ofschoon abdis en convent van Oriënten geen recht hebben dit te doen.
Ook verklaart de zaakwaarnemer voor abdis en convent van Thorn tegen abdis en convent van Oriënten dat, hoewel de gehele tiend van het dorp Oeteren en het grondgebied ervan ofwel het recht om die tiend te ontvangen en heffen toekomt aan abdis en convent van Thorn en zij in bezit geweest zijn en zijn van het recht om die tiend van het dorp of het grondgebied van Oeteren te heffen en ontvangen, de gedaagden toch van de hoevenaars of cijnslieden, geplaatst door de gedaagden, alsmede van ongeveer 26 bunder land van het grondgebied van Oeteren en het allodium van abdis en convent van Thorn - hetgeen hij zal aantonen, als het nodig zal zijn - in twee jaar de tiend geheven, ontvangen of weggevoerd hebben op eigen gezag, wat hij op een waarde schat van vier mark Luiks; dit is ten onrechte gebeurd en ten nadele van het recht van abdis en convent van Thorn, ofschoon de gedaagden geen recht hadden om dit te doen.
Ook zegt de zaakwaarnemer van Thorn dat abdis en convent van Oriënten een openbare weg en gemene weiden in het genoemde allodium afgesloten hebben, waar ze ook niet toe gerechtigd waren; en de gedaagden hebben erkend dat al het voorgaande of iets ervan waar is.
Daarom vraagt de zaakwaarnemer voor abdis en convent van Thorn aan de scheidsrechters, wanneer ze het voorgaande vastgesteld hebben dat dit volstaat om die intentie te hebben, om de gedaagden door hun scheidsrechterlijke oordeel te veroordelen of een vonnis uit te spreken, door een uitspraak of schikking over deze zaken tussen de partijen ̶ conform de aan de scheidsrechters toevertrouwde bevoegdheid ̶ , zodat ze de hoevenaars terugroepen die op genoemde wijze door de gedaagden op het genoemde allodium gevestigd zijn en deze ervan verwijderen, zodat het land of allodium in die toestand blijft waarin het geweest is vóór hun vestiging, en dat ze zich verder niet met de hoevenaars en het land bemoeien en van deze hoevenaars en dit land verder geen tiend ontvangen of heffen; dat ze voortaan toestaan dat abdis en convent van Thorn deze tiend ontvangen, heffen en bezitten en ook van het voornoemde genieten en verder hun wil doen, en dat de gedaagden bij wijze van restitutie van de tiend abdis en convent van Thorn naar behoren genoegdoening geven van de ontvangen, geheven en van de hoevenaars en het land weggevoerde tiend volgens een vooraf bepaalde waarde en schatting van de tiend, en dat ze de genoemde weg en gemene weiden ontsluiten en ontsloten houden zoals vóór de genoemde afsluiting, om oorzaken en redenen als boven.
Dit zegt en eist de zaakwaarnemer van Thorn met behoud van het recht om toe te voegen, te verminderen, te corrigeren, te tonen en te verklaren wat alles betreft, waarbij hij verklaart dat het voor hem mogelijk is aangaande het voorgaande bewijs te leveren, ook al had hij niet meer voorgedragen. Nadat het geschil over het voorgaande wettelijk aanhangig is gemaakt en door de zaakwaarnemers van de partijen de eed tegen smaad is afgelegd, nadat de gedane stellingen en antwoorden schriftelijk zijn vastgelegd, getuigen rechtsgeldig voorgeleid, beëdigd, gehoord en nauwkeurig ondervraagd en hun uitspraken schriftelijk vastgelegd en naar behoren bekend gemaakt, en nadat voor de afronding van de zaak uiteindelijk voor de partijen een dag is aangewezen voor het aanhoren van het vonnis, en toen op de genoemde dag de partijen door middel van hun zaakwaarnemers bij de scheidsrechters verschenen en dringend verzochten om een definitief of scheidsrechterlijk vonnis, verklaren de scheidsrechters in hun oordeel en oordelen ze vriendschappelijk voor de goede vrede, nadat de belangen van de zaak gezien en overwogen zijn, nadat de handelingen en bewijzen in de zaak afgewikkeld en nauwkeurig bekeken zijn en na het inwinnen van advies van deskundigen, dat de abdis van Oriënten het geld dat ze heeft ontvangen of geheven van de hoevenaars die ze op het grondgebied van Oeteren heeft gevestigd, voor zichzelf bezit en behoudt, maar dat ze de genoemde hoevenaars met de cijns en de pacht die ze beloofd hebben jaarlijks te betalen aan abdis en convent van Oriënten, onder dezelfde voorwaarde en op dezelfde wijze aan abdis en convent van Thorn overdraagt, vrijgeeft en er plechtig afstand van doet of afstaat bij de hof waarvan de bezittingen afhangen, opdat de hoevenaars voor altijd hoevenaars van abdis en convent van Thorn worden zoals zij de bezittingen en tiend van abdis en convent van Oriënten hielden en houden, onder dezelfde voorwaarden en op dezelfde wijze. Als er echter in het voorgaande iets duister is of om opheldering vraagt, behouden de scheidsrechters zichzelf het recht voor dit op te helderen.
Amicus en Herman hebben bezegeld. Herman heeft geen eigen zegel en gebruikt het zegel van de domkerk van Luik.
Gegeven op 17 april 1281.
Amicus de Lude, kanunnik van het Sint-Lambertkapittel te Luik, en Herman, keldermeester van de abdij van Val-Dieu, doen uitspraak in het geschil tussen de abdijen van Thorn en Oriënten (te Rummen) over de plaatsing van hoevenaars in de parochie van Oeteren zonder instemming van de abdij van Thorn, alsmede over de tiendheffing en het gebruik van de openbare weg en gemene weiden aldaar, die de abdij van Oriënten ten nadele van deze abdij naar zich had toegetrokken.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 01.187A, archief Vrije Rijksheerlijkheid Thorn, inv. nr. 56. Beschadigd met tekstverlies; gelinieerd, onderaan rechts uitgescheurd zonder tekstverlies.
Aantekeningen op de achterzijde: 1o door 13e-eeuwse hand: De villa de Vtheren de abbatissa de Oriente. ‒ 2o door 13e-eeuwse hand: Oriente. ‒ 3o door 13e-eeuwse hand: Presbitero de Bikeuelt ad [questionem capituli?]. ‒ 4o door 17e-eeuwse hand: Sentencia arbitralis inter abbatissam de Thoren ex una et abbatissam de Orienten super diff[eren]tiis certorum bonorum in Nederoeteren sitorum, 1280, O. ‒ 5o door 18e-eeuwse hand: N.
Bezegeling: één bevestigingsplaats aan de linkerzijde van het origineel (LS1) voor één van de twee aangekondigde zegels; de tweede bevestigingsplaats aan de rechterzijde is niet meer te traceren door het uitscheuren van het perkament.
Uitgaven
a. Franquinet, Beredeneerde inventaris Thorn, 50-54, nr. 34 (gedateerd 1280 april 25), naar A. – b. Habets, Archieven Thorn, 47-49, nr. 56 (gedateerd 1280 april 25), naar a.
Regest
Haas, Chronologische lijst, 74, 189 (gedateerd 1281 april 17).
Tekstuitgave
Het onderscheid tussen c en t is slecht zichtbaar. De lacunes in A zijn aangevuld naar druk a, toen het origineel nog niet beschadigd was.

Nummer 44
Hugo, bisschop van Luik, maakt bekend dat abt en convent van Kloosterrade hem een verzoek hebben voorgelegd waarin staat dat zij lange tijd door zo’n schuldenlast werden terneergedrukt dat men daaraan niet zou kunnen ontkomen dan door de verkoop van abdijgoederen, overeenkomstig de hoogte van de schulden. Met toestemming van wijlen Jan, bisschop van Luik en voorganger van Hugo, hebben abt Cuno en het convent aan de proost, deken en het kapittel van St.-Gereon en aan een aantal andere personen de jaarlijkse inkomsten uit hun goederen tot een bedrag van honderdveertig mark verkocht. Abt Cuno en het convent vragen aan Hugo om deze verkopen en de oorkonde met de toestemming daarvoor van zijn voorganger te bekrachtigen.
Gezien het feit dat Jan, bisschop van Luik, onderzoek heeft laten doen inzake de waarheid over het vermogen en de schulden van de abdij Kloosterrade door de abt van St.-Jacob te Luik én dat hem is gebleken dat de schulden zo hoog waren dat de roerende goederen niet voldoende waren om deze af te lossen, heeft hij dit opnieuw aan de bisschop bericht. Om de abdij geen verdere schade te laten lijden door rentelasten, heeft Jan vervolgens toestemming gegeven aan abt Cuno en het convent van Kloosterrade om abdijgoederen te verkopen tot een bedrag van honderdveertig mark van de jaarlijkse opbrengsten van de grond, en hij heeft ermee ingestemd, zoals blijkt uit de hierover opgemaakte stukken. Hugo heeft op die gronden de verkoop goedgekeurd door abt en convent van Kloosterrade aan zowel proost, deken en kapittel van St.-Gereon als aan wie dan ook tot een bedrag van honderdveertig mark en deze bevestigd.
Gegeven op 28 september 1296.
Hugo III, bisschop van Luik, hecht op verzoek van abt en convent van Kloosterrade in navolging van zijn voorganger zijn goedkeuring aan de verkoop van abdijgoed aan proost, deken en kapittel van St.-Gereon te Keulen en aan enkele niet nader genoemde personen, ter verlichting van de schuldenlast van de abdij.
Originelen
A1. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.D004, archief abdij Kloosterrade, inv. nr. 764. Beschadigd.
[A2]. Niet voorhanden tweede exemplaar, bestemd voor het kapittel van St.-Gereon te Keulen.
Uitgave
a. Polak en Dijkhof, Oorkondenboek Kloosterrade, 263-265, nr. 140, naar A1.
Tekstuitgave
De lacunes in het origineel zijn aangevuld naar een later afschrift en een editie, zie hiervoor de uitgave van Polak en Dijkhof.

Nummer 44
Gerard en Jan van Mulinghen, schepenen van Maastricht, maken bekend dat ten overstaan van hen Margareta en Ida, begijnen, een jaarlijkse cijns van tien schelling Luiks die zij hadden gekocht van Odilia, begijn, omwille van God aan abt en convent van Val-Dieu hebben geschonken, zonder zich daarbij zelf enig recht op die goederen voor te behouden.
Gerard en Jan van Mulinghen, schepenen van Maastricht, hebben bezegeld.
Gegeven op 24 juni 1276.
Schepenen van Maastricht oorkonden dat Ida en Margareta, begijnen, (dochters van Godfried van Wiggarberge), een jaarlijkse cijns van tien schelling Luiks hebben geschonken aan abt en convent van Val-Dieu (te Aubel).
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002A, archief kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 452. Deze oorkonde is als transfix bevestigd aan de schepenoorkonde van Maastricht d.d. 1271 september 18.
Geen aantekening op de achterzijde.
Bezegeling: twee bevestigingsplaatsen, vermoedelijk voor de aangekondigde zegels van Gerard en Jan van Mulinghen, schepenen van Maastricht (LS1 en LS2).
Afschrift
Niet voorhanden.
Uitgave
a. Nève, De dertiende-eeuwse schepenoorkonden, 48 (met onvolledige vertaling), nr. 1276.06.24(1), naar A.
Regesten
Doppler, ‘Schepenbrieven’, 22-23, nr. 5. – Haas, Chronologische lijst, 71, nr. 179. – Nuyens, Inventaris Sint-Servaas, 101, nr. 452.
Samenhang
Deze cijns was gevestigd op een huis, gelegen Op de Gracht te Maastricht, zoals blijkt uit de oorkonde d.d. 1271 september 18, waar dit transfix aan is gehecht, zie Collectie Sint-Servaas, nr. 34.
Ontstaan
Deze oorkonde is geschreven door een scriptor die schepenoorkonden van Maastricht mundeert en kan worden gelokaliseerd in het milieu van de schepenbank van Maastricht, zie Collectie Sint-Servaas, nr. 38 onder Ontstaan.

Nummer 45
Mabilia, weduwe van Hendrik, voogd van Eisden, en Rutger, Jan, Herman, Willem, Olivier, Roeland, Walram, Christina en Margareta, hun kinderen en erfgenamen, hebben eendrachtelijk en op advies van hun vrienden hebben volgende zaken verkocht aan abdis en convent van Thorn voor honderdvijfenveertig mark Luiks: al hun goederen en rechten, gelegen of gevestigd in de dorpen en het grondgebied van Eisden, Vucht en Mulheim of waar dan ook, zowel in akkers, weilanden, bossen, heide, gemene gronden, cijnzen, pachten, kapoenen, mannen en hoevenaars, en andere rechten en acties die horen bij hun boerderij, hoeven en gebouwen en alle opbrengsten en toebehoren bij die goederen en rechten, zowel in het droge als in het natte, welke goederen zij leen-, cijnsrechtelijk of op een andere wijze gehad en gehouden hebben van abdis en convent, welke goederen en rechten komen en afhangen van abdis en convent of van hun hoven; en ze hebben deze goederen en rechten gegeven, geleverd en overgedragen aan abdis en convent of hun boden, door in hun handen afstand te doen of te leveren ten behoeve van abdis en convent. Zij hebben ook plechtig afstand gedaan van al het bovengenoemde, zowel voor de abdis als voor de hoven en schepenen, van wie deze goederen afhangen en waar ze bijhoren, met inachtneming van alle geplogenheden die daarbij horen volgens de gebruiken van de plaatsen waar de goederen zijn gelegen en van de hoven waarvan ze afhangen of waar ze bijhoren, tegen de genoemde prijs, namelijk honderdvijfenveertig mark Luiks; Mabilia en haar kinderen erkennen deze som volledig ontvangen te hebben van de abdis. Zij hebben ook plechtig afstand gedaan van iedere wrok, betwisting, actie en onenigheid die zij tot op de dag van vandaag terecht of ten onrechte hebben of konden hebben tegen abdis en convent inzake de genoemde goederen door de verkoop en regeling, gemaakt door geschikte personen, en ze willen dat alle wrok, betwisting, acties en onenigheid bijgelegd zijn en getuigen dat deze zijn omgevormd tot eeuwige vrede. Bovendien is aan de overeenkomst de bepaling toegevoegd dat, indien iemand van hun naasten of bloedverwanten deze goederen van abdis en convent terugkoopt, iedere actie die abdis en convent tegen hen had toen deze vredesregeling door deze verkoop werd gemaakt, geldig zal zijn en blijven ongeacht de actie van de abdis en het convent tegen die persoon.
Mabilia en haar kinderen hebben voor henzelf en hun erfgenamen beloofd zich niet te verzetten tegen het voorgaande door hen, een ander of anderen of de abdis en het convent om de voornoemde goederen in het vervolg te verstoren of te verontrusten, rechtens of in feite, en ze zullen garant staan voor abdis en convent in de genoemde goederen volgens het gebruik van de hof van Eisden en haar schepenen, zodanig dat als iemand ten aanzien van deze goederen iets zou opeisen, zij gehouden en verplicht zijn dat met hun inspanning en op hun kosten af te doen en voor deze goederen goede vrijwaring te geven aan abdis en convent, zoals vanouds gebruikelijk in de hof van Eisden. En mochten abdis en convent enig beletsel of bezwaar over deze goederen te verduren hebben, dan hebben Mabilia en haar kinderen ter meerdere zekerheid borgen aangesteld, namelijk Rutger de Rodeacgere, Willem de Nova Domo (van den Nieuwenhuis), Everard van Vucht, Winrik van Uikhoven en Jan van Thorn, op voorwaarde dat degene die gevorderd en opgeroepen wordt over dat beletsel of bezwaar, Stokkem zullen binnengaan en daar nooit vandaan zullen gaan totdat abdis en convent met goed gevolg door Mabilia en haar kinderen van dat beletsel of bezwaar verlost zullen zijn. Voorts zien zij voor zichzelf en hun erfgenamen af van alle mogelijke gerechtelijke excepties en in het bijzonder de exceptie van de niet betaalde koopprijs, de niet-levering of betaling, en de verkoop beneden de helft van de juiste prijs, en van alle rechtsmiddelen die hen van voordeel zouden kunnen zijn en abdis en convent zouden kunnen worden tegengeworpen of waaruit later enige overlast zou kunnen ontstaan met betrekking tot deze goederen.
Als getuigen waren aanwezig: heer Jan, deken van Sint-Andreas te Keulen, heer Jan van Rennenberg, proost van de kerk van Sint-Paulus te Luik, kanunnik van de domkerk te Luik, heer Dionisius, pastoor van Avezaath, Rutger de Rodeacgere, Winrik van Uikhoven, Jan van Thorn, Hendrik Hobbart en Dirk Haspegouere, leenmannen van de abdij van Thorn, Willem de Nova Domo (van den Nieuwenhuis), Everard van Vucht en verscheidene andere betrouwbare mannen.
Jan, deken van Sint-Andreas te Keulen, en Jan van Rennenberg, proost van Sint-Paulus te Luik, kanunnik te Luik, en Jacob, voogd van Eisden, hebben op verzoek van Mabilia en haar kinderen bezegeld.
Gedaan en gegeven op 4 juni 1282.
Mabilia, weduwe van Hendrik, voogd van Eisden, en haar kinderen verkopen aan abdis en convent van Thorn hun eigendommen te Eisden, Vucht en Mulheim die zij in leen, cijns of op een andere wijze van hen hielden.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 01.187A, archief Vrije Rijksheerlijkheid Thorn, inv. nr. 60. Beschadigd met tekstverlies.
Aantekeningen op de achterzijde: 1o door 14e-eeuwse hand: Litera de acquisitione bonorum in Esden, C. ‒ 2o door 17e-eeuwse hand: 1282. ‒ 3o door 18e-eeuwse hand: E. ‒ 4e door 18e-eeuwse hand: Instrumentum retrocessionis de Eysden, 1282.
Bezegeling: drie bezegelingsplaatsen, vermoedelijk voor de aangekondigde zegels van Jan, deken van het Sint-Andreaskapittel te Keulen, Jan, proost van het Sint-Pauluskapittel te Luik en Jacob, voogd van Eisden (LS1, LS2 en LS3).
Afschrift
B. eerste helft 15e eeuw, Ibidem, toegangsnr. 01.187B, archief Vrije Rijksheerlijkheid Thorn, inv. nr. 1628 (voorheen cartularium nr. 1) = Cartularium abbatiae imperialis
Thorensis, 966-1600, p. 11-12, onder de rubriek: V, De acquisitione bonorum [***], met in de marge C, daaronder door latere hand E, beschadigd, naar A.
Uitgaven
a. Franquinet, Beredeneerde inventaris Thorn, 57-60, nr. 37 (gedateerd 1282 mei 28), naar A. – b. Habets, Archieven Thorn, 51-53, nr. 60 (gedateerd 1282 mei 28 ), naar a.
Regest
Haas, Chronologische lijst, 76-77, nr. 198.
Ontstaan
Onderhavige oorkonde voor de abdij van Thorn is door dezelfde hand geschreven als de oorkonden, uitgevaardigd door Osto van Thorn in 1282 en door Willem, pastoor van Geertruidenberg, en door Jan (van Vlaanderen), bisschop van Luik, in 1283 ten gunste van de abdij, zie Collectie Thorn, nrs. 46, 49 en 50. Bijgevolg kan de scriptor van deze oorkonden gelokaliseerd worden in de abdij van Thorn.
Tekstuitgave
De lacunes in A zijn aangevuld naar B.

Nummer 45
Abt Cuno en het convent van de abdij Kloosterrade maken bekend dat zij volgende goederen hebben te Ahrweiler, onder de jurisdictie van de abt van Prüm, in het bisdom Trier: de hof te Ahrweiler, drie wijngaarden van vijf morgen aldaar aan de oever, een wijngaard van een halve morgen, Pelzwerch genaamd, een wijngaard van een kwart en een halve (morgen) te Eyterberg, een wijngaard van een halve morgen, Plenzere genaamd, een wijngaard van een kwart en een halve (morgen), Kyssil genaamd, een wijngaard van een halve morgen, gelegen achter Wilre, een wijngaard van een kwart en een halve (morgen), Sneylhart genaamd, uit dat deel van de Witte Steen op twee plaatsen drie morgen akkerland, een erfgoed van ongeveer veertig morgen, gelegen boven Stromberg, bebouwd en onbebouwd, een stuk akkerland van een morgen tussen Lanstershofen en wijngaarden, Růmershecken genaamd, twee delen van wijngaarden te Alfenroth en boven de oever, die drie kwartdelen omvatten. Verder bezitten zij krachtens een bos het deel dat vorstkorn wordt genoemd; ook zijn er personen die verschillende erfgoederen houden, waarvoor zij een jaarlijkse cijns van ongeveer twaalf schelling Keuls betalen, en voorts twee weiden van ongeveer drie morgen te Winsbach. Abt en convent van Kloosterrade erkennen dat zij deze goederen hebben en bezitten als allodiale goederen tegen een jaarlijkse cijns, namelijk voor één altaardoek, aan de abt en het convent van Prüm, behalve dat zij één altaardoek ieder jaar op 11 november moeten geven en laten overhandigen in de kerk van Prüm. Als het vanwege hun slechte financiële omstandigheden nodig zou zijn genoemde erfgoederen te verkopen of te vervreemden, dan zullen zij gehouden zijn om aan abt en convent van Prüm schriftelijk door een officiële bode bericht te geven en duidelijk te maken in het klooster te Prüm dat de voornoemde goederen te koop zijn. Vervolgens zullen abt en convent van Prüm na de aankondiging acht weken hebben om te beraadslagen over een eventuele aankoop, waarbinnen zij uiteindelijk gehouden zijn het antwoord te geven of zij die goederen willen kopen en verwerven, of niet. Als zij weigeren te kopen en afzeggen, dan kunnen abt en convent van Kloosterrade de genoemde goederen geheel en al naar hun eigen wil verkopen en vervreemden zonder dat dit een vergrijp is tegen de abdij van Prüm. Ook is als voorwaarde gesteld dat de koper van dat goed gehouden is om jaarlijks van iedere tien mark van de waarde op 11 november één penning Keuls te geven aan abt en convent van Prüm als betaling van de cijns, indien de abdij Kloosterrade apart delen van deze goederen zou verkopen en vervreemden. Maar als de abdij Kloosterrade deze goederen als geheel zou verkopen en vervreemden, dan zal zij tot niets anders verplicht zijn, behalve dat de koper elk jaar gehouden is tot het brengen en geven van één altaardoek, zoals hiervoor beschreven.
Abt Cuno en het convent van Kloosterrade alsmede Hendrik, abt, en het convent van Prüm hebben bezegeld.
Gegeven op 5 juni 1300.
Abt Cuno en het convent van Kloosterrade erkennen dat zij de nader opgesomde goederen te Ahrweiler van abt en convent van Prüm houden tegen de jaarlijkse levering aan die abdij van een altaardoek en verlenen die abdij het recht van voorkoop bij de eventuele verkoop van die goederen.
Originelen
A1. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.D004, archief abdij Kloosterrade, inv. nr. 847.
A2. Koblenz, Landeshauptarchiv, archief abdij Prüm (= Abteilung 18), oorkonden, nr. 55.
Uitgave
a. Polak en Dijkhof, Oorkondenboek Kloosterrade, 270-272, nr. 144, naar A1.
Teksteditie
Het onderscheid tussen c en t in A1 is niet altijd duidelijk.

Nummer 45
Reinier en Olbert, schepenen van Maastricht, maken bekend dat ten overstaan van hen Jan de Molendino (van de Molen) en Mathilde, zijn echtgenote, een jaarlijkse cijns van achttien schelling Luiks en een halve kapoen, gevestigd op de molen die scheermolen wordt genoemd en afhangt van het Sint-Servaasgasthuis, hebben verkocht aan Garsilius, priester van de Sint-Joris(kapel). Jan en zijn echtgenote hebben ten behoeve van Garsilius afstand gedaan van deze cijns en ze hebben zoveel gedaan dat aan alle eisen is voldaan. Zij hebben beloofd vrijwaring te verstrekken en elke rechtmatige klacht binnen jaar en dag af te doen volgens de wijze en gewoonte van de stad Maastricht. Hiervoor staat Jan Suevus, hun medeschepen, borg.
Gedaan op 9 juli 1278.
Schepenen van Maastricht oorkonden dat Jan de Molendino en Mathilde, zijn echtgenote, een jaarlijkse cijns van achttien schelling Luiks en een halve kapoen, gevestigd op de scheermolen te Maastricht en afhangend van het Sint-Servaasgasthuis, hebben verkocht aan Garsilius, priester van de Sint-Joris(kapel) te Maastricht.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002A, archief kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 453.
Aantekeningen op de achterzijde: 1o door 15e-eeuwse hand: De XVIII solidis quos dominus Garsilius emerit supra molendinum quod dicitur schermůlen / r 32. – 2o door 16e-eeuwse hand: R 26. – 3o door 16e-eeuwse hand: 1278 / 122.
Bezegeling: twee uithangend bevestigde zegels, die aangekondigd zijn, namelijk: S1 van Reinier van Wyck, schepen van Maastricht, van bruine was, beschadigd. – S2 van Olbert Colsop, schepen van Maastricht, van bruine was, beschadigd. Voor een beschrijving en afbeelding van S1, zie Venner, ‘Maastrichtse schepenzegels’, 174, afb. nr. 35, en 175; en van S2, zie Idem, ‘Zegels klooster Sint-Gerlach’, 162-163.
Afschrift
Niet voorhanden.
Uitgave
a. Nève, De dertiende-eeuwse schepenoorkonden, 53 (met onvolledige vertaling), nr. 1278.07.09), naar A.
Regesten
Doppler, ‘Schepenbrieven’, 24, nr. 7. – Haas, Chronologische lijst, 72, nr. 184. – Nuyens, Inventaris Sint-Servaas, 102, nr. 453.
Ontstaan
Deze oorkonde is geschreven door een scriptor die schepenoorkonden van Maastricht mundeert en kan worden gelokaliseerd in het milieu van de schepenbank van Maastricht, zie Collectie Sint-Servaas, nr. 38 onder Ontstaan.

Nummer 46
Osto van Thorn, bloedverwant van de heer van Born, maakt bekend dat hij, gezond van lijf en leden, goed bij zinnen en op advies van een aantal vrienden aan abdis en convent van de abij van Thorn een rente heeft verkocht van tien mark Luiks die zij hem bij leven elk jaar verplicht waren voor een bepaalde som geld, aan hem betaald en overhandigd, aangezien hij van die rente afstand heeft gedaan ten gunste van hen. Hij heeft deze en alle andere renten die zij aan hem verplicht waren, plechtig overgedragen en kwijtgescholden, waarbij hij zichzelf geen enkel recht, actie of betwisting voorbehoudt tegen abdis en convent en degenen die hen toebehoren. Bovendien heeft hij hierover, opdat er geen betwisting, actie of onenigheid zou blijven tussen hem en abdis en convent over enige verkoop of verplichting van enige rente of renten of welk ander contract dan ook, uit eigen beweging lijfelijk trouw beloofd aan abdis en convent dat er vanaf deze dag geen enkele dwingende noodzaak is of een of andere reden of aanleiding waardoor hij, een ander of anderen kwaad zouden doen tegen abdis en convent en degenen die hen toebehoren, óf hen zouden lastig vallen in wat dan ook met betrekking tot zaken of personen door in te gaan tegen het voorgaande of iets van het voorgaande. En tot meerdere zekerheid heeft hij afstand gedaan en doet hij afstand van alle oorkonden, als hij deze heeft gehad of heeft, over welke renten of verplichtingen dan ook door abdis en convent jegens hem, en van elke exceptie en elk rechtsmiddel, zowel canoniek- als civielrechtelijk, en van alle excepties die hem ten voordele en abdis en convent ten nadele kunnen zijn inzake het voorgaande of iets van het voorgaande.
Als getuigen waren aanwezig: Jan van Baexem, pastoor van Thorn, Gerard, kapelaan aldaar, Jan Klingelspore, Koenraad de Cimiterio (van de Kerkhof), Reimboud van Bocholt, Tielman, zijn broer, Jan, zoon van Marsilius van Berg, Lambert de Curia, Jan en Lambert, zijn zonen, Godfried van Munhem, Reinoud van O, Hendrik Knoupe, Gillis van Mollem, Dirk Haspegouere, Hendrik Hobbart, Reinier, schout van Schoten, en een aantal andere leenmannen en ministerialen van de abdij van Thorn.
Osto van Thorn heeft Walram, heer van Valkenburg, en heer Osto van Born, ridder, gevraagd deze oorkonde te bezegelen omdat hij zelf geen zegel heeft. Walram, heer van Valkenburg, en Osto, heer van Born, hebben bezegeld.
Gedaan en gegeven op 1 november 1282.
Osto van Thorn, (gewezen pastoor van Gilze), bloedverwant van de heer van Born, doet door overdracht van alle rechtstitels afstand van de door abdis en convent van Thorn aan hem verschuldigde renten, waaronder een lijfrente van tien mark Luiks, die de abdij heeft afgekocht.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 01.187A, archief Vrije Rijksheerlijkheid Thorn, inv. nr. 61.
Uitgave
a. Dillo-Van Synghel, ONB II, 677-679, nr. 1216, naar A.
Ontstaan
Deze oorkonde is gemundeerd door een scriptor uit de abdij van Thorn, die werkzaam was in de periode 1282-1283. Voor de lokalisering van deze scriptor, zie Collectie Thorn, nr. 45.

Nummer 46
Rooms-koning Rudolf maakt bekend dat deken en kapittel van de Sint-Servaaskerk te Maastricht, die een bijzondere keizerlijke kapel is, hem hebben verzocht om het privilege te vernieuwen en vanuit koninklijke welwillenheid te bevestigen dat door zijn voorganger, wijlen rooms-koning Koenraad II, aan deze kerk is overgedragen en toegestaan. De inhoud daarvan luidt als volgt:
– – – (hierna volgt de tekst van Collectie Sint-Servaas, nr. 5).
Vanuit de vrome overweging dat de genoemde kerk van Sint-Servaas, die als een keizerlijke kapel wordt gezien, verwijderd door de verre afstand tot het hart van het rijk en de verregaande onbewoonbaarheid van plaatsen, van alle zijden door ernstige aanvallen van overlast omgeven, door stormvlagen van vijandelijkheden en bitterheden aangevallen en door opgewaaide golven wordt geschokt, en gelet op de overwegingen dat niemand door goddelijke of menselijke wetten wordt vrijgesteld van het herstel van bruggen en openbare wegen waardoor het nut voor de staat wordt bevorderd, maar dat bij het dragen van zo’n vruchtbare taak de gehele wereld wordt belast, keurt Rudolf met koninklijk gezag de schenking of overdracht goed van de Maasbrug met alle bijbehorende zaken aan de kerk van Sint-Servaas door zijn voorganger, rooms-koning Koenraad, gedaan zoals hierboven duidelijk is uitgedrukt. Tevens vernieuwt, bevestigt en versterkt hij dit met deze oorkonde en voegt er met een grotere gunst aan toe en keurt met dit koninklijke voorschrift goed en beslist zelfs dat over de zaken en goederen van mensen van alle rangen en standen die over deze brug worden vervoerd of geleid, een juist en gebruikelijk tolgeld wordt betaald dat altijd moet worden aangewend ten behoeve van de brug en de Sint-Servaaskerk.
Getuigen zijn: de eerbiedwaardige Werner, aartsbisschop van Mainz, de aartsbisschop van Trier, Bertold, bisschop van Bamberg, en de bisschop van Spiers; de illustere Lodewijk, paltsgraaf aan de Rijn, hertog van Beieren; de edellieden Jan van Henegouwen, Everard van der Mark, Everard van Katzenellenbogen, Adolf van Nassau, Lodewijk van Hohenberg, graven; en Werner van Bolanden en vele anderen.
Rudolf heeft bezegeld.
Ondertekening door Rudolf.
Gedaan te Oppenheim, op 25 maart 1282.
Rooms-koning Rudolf I bevestigt en hernieuwt de schenking van de Maasbrug door rooms-koning Koenraad III d.d. 1139 juni 22, waarvan de tekst is geïnsereerd, en staat uitdrukkelijk de tolheffing toe.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002A, archief kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 438. Gelinieerd.
Aantekeningen op de achterzijde: 1o door 14e-eeuwse hand: Confirmacio donacionis de ponte Rodulphi, imperatoris, et concessionis theolonii / m I 9. – 2o door 16e-eeuwse hand: Anno 1282. – 3o door 16e-eeuwse hand: R XXXV / R. M I n. – 4o door 17e-eeuwse hand: 30, Capsula imperialium.
Bezegeling: één uithangend bevestigd zegel, dat aangekondigd is, namelijk: S1 van rooms-koning Rudolf I, van witte was, beschadigd. Voor een beschrijving en afbeelding van S1, zie Venner, ‘Zegels’, nr. 50.
Afschriften
B. eind 13e eeuw, Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002A, archief kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 10 (cartularium) = [Liber privilegiorum], fol. 21r-22r (= nieuwe fol. 38r-39r), nr. 43, naar A. – C. 15e eeuw, Ibidem, toegangsnr. 14.B001, archief kapittel van Onze Lieve Vrouw te Maastricht, 1096-1796, inv. nr. 31, fol. 179v-181r, onder de rubriek: Item tenores omnium et singulorum exhiborum sequuntur per ordinem in hunc modum et sunt tales, en onder caput: Item litterarum imperialium pie morie serenissimi principis domini Rudolpi, Romanorum regis, sigillo eiusdem, ut prima facie videbatur, regio albe cere rotondo in cordula sericea rubei viridis croceique colorum impendente, in quo ymago imperatoris in dextra ceptrum regale, in sinistra vero pommum imperiale, cum cruce superposita deferent, expressa in circumferentia caracteribus hec verba: Rudolphus, Dei gratia Romanorum rex, semper augustus, sigillatarum et bullatarum signoque imperiali quadrato cum lineacionibus diversisque caracteribus contrapositis, tenores sequuntur tales, naar A. – D. 1640, Ibidem, idem, inv. nr. 1741 (cartularium) = Liber sive regestum originis ecclesie Sancti Seruatii Traiec[tensis] illiusque privilegiorum, donationum ac iurium ex originalibus et libro chartarum manu Ioannis Choris, receptoris capituli, descriptorum, p. 92-93, onder de rubriek: Rudolphus confirmat donationem pontis factam a Conrardo, onvolledig, naar A. – E. 17e eeuw, Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002A, archief van het kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 12 (cartularium) = Cartularium ecclesie collegialis Sancti Servati (aldus) Trajecti ad Mosam, tomus secundus, Documenta imperialia et ducalia, fol. 48r-50r, onder caput: Imperialia, en onder de rubriek: Confirmatio donationis pontis, item quod omnes cuiuscumque sint conditionis aut status de rebus et bonis suis que per pontem vehuntur tenentur solvere consuetam thelonii pensionem aut impetitionem, mogelijk naar A. – [F]. niet voorhanden, maar bekend uit G, cartularium van het Sint-Servaaskapittel te Maastricht = Liber A, fol. 55. – G. vóór 1768, Ibidem, toegangsnr. 22.001A, Handschriftencollectie (voormalig) Gemeentearchief Maastricht, 14de-20ste eeuw, inv. nr. 199a (cartularium) = Diplomata Trajectensia de anno 800 ad 1664, p. 437-438, onder de rubriek: Rudolphus, rex, confirmat privilegium pontis supra Mosam datam capitulo Sancti Servatii declaratque neminem a telonio et passagio esse liberum, 8 kalendas aprilis 1282, gewaarmerkt afschrift door G.J. Lenarts, stadssecretaris van Maastricht, naar B.
Uitgaven
a. Schaepkens, ‘Archives’, 173-175, naar A. – b. Willemsen, ‘Inventaire’, 177-180, nr. 13, naar A.
Regesten
Verkooren, Inventaire des chartes et cartulaires, 153. – DeBorman, ‘Notice’, 49. – Wauters, Table chronologique VI, 62. – Doppler, ‘Verzameling [800-1273]’, 255, nr. 208. – Haas,Chronologische lijst, 75, nr. 193. – Nuyens, Inventaris Sint-Servaas, 100, nr. 438.
Ontstaan en samenhang
Voor de geïnsereerde oorkonde van rooms-koning Koenraad III d.d. 1139 juni 22 en de bevestiging door paus Innocentius II d.d. 1139 december 18, zie Collectie Sint-Servaas, nrs. 5 en 6. Op 17 september 1274 vaardigde rooms-koning Rudolf I een oorkonde uit inzake de onderhoudskosten van de Maasbrug, zie Collectie Sint-Servaas, nr. 39. Voor de aflaatverlening door vier aartsbisschoppen en vijftien bisschoppen ten behoeve van de bouw van de Maasbrug d.d. 1284 januari 29 en de goedkeuring daarvan door Jan IV (van Vlaanderen), bisschop van Luik, d.d. 1287 mei 8, zie Collectie Sint-Servaaskapittel, nrs. 51 en 57. Onderhavige oorkonde is door dezelfde hand geschreven als de oorkonde van rooms-koning Rudolf I d.d. 1282 april 7 (zie Collectie Sint-Servaaskapittel, nr. 48).
Tekstuitgave
Het onderscheid tussen c en t is moeilijk zichtbaar.

Nummer 47
Reinald, graaf van Gelre en hertog van Limburg, maakt de verkoop bekend in zijn aanwezigheid en die van zijn leenmannen door de edelen Willem, heer van Horn, ridder, en Willem, diens eerstgeboren zoon, aan abdis en convent van de abdij van Thorn van de tollen, belastingen of heffingen, in de volkstaal bede genoemd, die zij tot nu toe jaarlijks plachten vast te stellen en gewoon zijn op te leggen aan de mensen of hoevenaars van abdis en convent die wonen in het rechtsgebied en allodium van het klooster of van het dorp Thorn, en wel krachtens de voogdij die de heer van Horn heeft in Thorn en die hij van Reinald in leen houdt, voor een bedrag van tweehonderd mark Luiks, door de religieuzen zelf of in hun opdracht betaald. Willem en diens zoon Willem stemmen er mee in dat zij deze tollen, belastingen of heffingen niet meer zullen heffen of in de toekomst zullen eisen van deze mensen, wat er dan ook tussenkomt. Reinald wil ermee instemmen voor de religieuze vrouwen dat alles naar behoren uitgevoerd is volgens het oordeel en het vonnis van zijn leenmannen en hun gelijken die hierover konden oordelen na gepaste beraadslaging en raad. Zij hebben Reinald voor vonnis en recht gerapporteerd dat Willem en diens zoon Willem vanaf nu tot vroeger ieder recht moeten afstaan dat ze zouden hebben of konden hebben op deze tollen, belastingen of heffingen ten behoeve van de religieuzen, van hun mensen of hoevenaars en dat zij hen hiervan ontslaan. Hierna hebben Willem en zijn zoon Willem in overeenstemming met het verslag van dit vonnis en deze uitspraak, dat in aanwezigheid van Reinald is vastgesteld, vrijwillig afstand gedaan van de genoemde tollen, belastingen of heffingen. En dat zij de religieuze vrouwen, hun mannen of hoevenaars ervan hebben vrijgesteld voor henzelf en hun opvolgers, hen daarbij geen enkel recht voorbehoudend, behalve de voogdij over het dorp Thorn en zekere andere rechten, namelijk de haver, genoemd de haver van de prebenden, en ook de haver, in de volkstaal orscoren genoemd, de obolen, kippen en broden en de derde penning van de boeten, opgelegd door het vonnis van de schepenen van Thorn en van oudsher behorend tot deze voogdij. Willem en diens zoon Willem hebben aan Reinald beloofd dat zij in de toekomst niet zullen ingaan tegen het voorgaande wegens een andere noodzaak dan het huwen van hun zonen en dochters of wanneer de eerstgeborene een oorlog voert. Zij zien daarbij af van de excepties wegens kwade trouw en wegens niet betaalde koopprijs, van verweer wegens onverschuldigde betaling en zonder reden, van herstel in oorspronkelijke toestand en van elke andere tegenwerping die Willem en diens zoon Willem en de wederpartij zou kunnen openstaan of waarmee ze tegen het voorgaande zouden kunnen ingaan. Reinald heeft zijn goedkeuring verleend aan het voorgaande en verplicht zichzelf en zijn opvolgers door deze oorkonde om de abdij van Thorn bij te staan indien Willem, diens zoon Willem of hun opvolgers hiertegen of tegen een onderdeel daarvan zouden zijn ingegegaan of in de toekomst willen ingaan.
Hierbij waren aanwezig: Walram, heer van Valkenburg, Gozewijn, heer van Born, heer Dirk, voogd van Roermond, en Gerard, heer van Batenburg, ridders, evenals de heer Van Mulrepas senior, ridder, leenmannen van Reinald en meer anderen.
Reinald bezegelt, samen met de heer van Valkenburg, Willem, heer van Horn, Gozewijn, heer van Born, Dirk, voogd van Roermond, en Gerard, heer van Batenburg, die ook voor Willem, eerstgeborene van de heer van Horn, bezegelen omdat hij geen eigen zegel heeft.
Gegeven op 12 december 1282.
Reinald I, graaf van Gelre en hertog van Limburg, oorkondt dat Willem II, heer van Horn (en Altena), en zijn eerstgeboren zoon Willem ten behoeve van de abdij van Thorn afstand doen van alle heffingen en beden die de heer van Horn als voogd van het land van Thorn kan heffen, onder voorbehoud van de voogdij over het dorp Thorn en zekere andere rechten.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 01.187A, archief Vrije Rijksheerlijkheid Thorn, inv. nr. 62.
Uitgave
a. Van Synghel, DONB, nr. 1282.12.12, zie www.donb.nl/database/weergave/oorkonde/12821212uitgaveDONB2011, naar A.

Nummer 47
Rooms-koning Rudolf maakt bekend dat deken en kapittel van de Sint-Servaaskerk te Maastricht, die een bijzondere keizerlijke stichting en kapel is, hem hebben verzocht om vanuit koninklijke welwillenheid een privilege te bevestigen dat door zijn voorganger, wijlen rooms-koning Hendrik IV, aan deze kerk is overgedragen en toegestaan. De inhoud daarvan luidt als volgt:
– – – (hierna volgt de tekst van Collectie Sint-Servaas, nr. 1).
Hij behandelt de kerk van Sint-Servaas oprecht zoals de voorgaande keizers en rooms-koningen zaliger gedachtenis, die haar hebben gesticht om de eeuwige herinnering aan hen te bewaren en met rijke geschenken hebben begiftigd, en hij keurt het voornoemde privilege, zoals het hierboven duidelijk is uitgedrukt, goed en vernieuwt, bevestigt en versterkt het met deze oorkonde.
Getuigen zijn: de eerbiedwaardige Werner, aartsbisschop van Mainz, de aartsbisschop van Trier, Bertold, bisschop van Bamberg, en Frederik, bisschop van Spiers; de illustere Lodewijk, paltsgraaf aan de Rijn, hertog van Beieren; de edellieden Jan, graaf van Henegouwen, Everard van der Mark, Everard van Katzenellenbogen, Lodewijk van Hohenberg, Adolf van Nassau, graven; Werner van Bolanden en vele anderen.
Rudolf heeft bezegeld.
Gedaan te Oppenheim, op 6 april 1282.
Rooms-koning Rudolf I bevestigt en hernieuwt de oorkonde van rooms-koning Hendrik IV d.d. 21 september 1062 inzake de overdracht van goederen te Weert en Dilsen aan het Sint-Servaaskapittel te Maastricht, waarvan de tekst is geïnsereerd.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002A, archief kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 884. Gelinieerd. Beschadigd met tekstverlies.
Aantekeningen op de achterzijde: 1o door 13e-eeuwse hand: Confirmatio (later aangevuld) per Rudolphum. – 2o door 14e-eeuwse hand: Privilegium de Wert et Dilsen. – 3o door 16e-eeuwse hand: 29 / k XVII. – 4o door 17e-eeuwse hand: In capsula imperialium. – 5o door 17e-eeuwse hand: Privilegium Rodolphi inserens et confirmans privilegium Henrici super donationem ville de Weert et Dilsen per Ottonem, Thuringie ducem, capitulo fecit via permutationis et cum exclusione domini prepositi, numero 29.
Bezegeling: één uithangend bevestigd zegel, dat aangekondigd is, namelijk: S1 van rooms-koning Rudolf I, van witte was, beschadigd. Voor een beschrijving en afbeelding van S1, zie Venner, ‘Zegels’, nr. 50.
Afschriften
B. eind 13e eeuw, Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002A, archief kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 10 (cartularium) = [Liber privilegiorum], fol. 18r-18v (= nieuwe fol. 35r-35v), nr. 40, naar A. – C. 1640, Ibidem, idem, inv. nr. 1741 (cartularium) = Liber sive regestum originis ecclesie Sancti Seruatii Traiec[tensis] illiusque privilegiorum, donationum ac iurium ex originalibus et libro chartarum manu Ioannis Choris, receptoris capituli, descriptorum, p. 87, onder de rubriek: Confirmat privilegium Henrici 4, imperatoris, onvolledig, naar A. – D. 17e eeuw, Ibidem, idem, inv. nr. 12 (cartularium) = Cartularium ecclesie collegialis Sancti Servati (aldus) Trajecti ad Mosam, tomus secundus, Documenta imperialia et ducalia, fol. 46r-47v, onder caput: Imperialia, en onder de rubriek: Confirmatio donationis quam marchio Otto de Thuringia capitulo fecit quoad predium situm in Werta et Thilsena, mogelijk naar A. – E. vóór 1768, Ibidem, toegangsnr. 22.001A, Handschriftencollectie (voormalig) Gemeentearchief Maastricht, 14de-20ste eeuw, inv. nr. 199a (cartularium) = Diplomata Trajectensia de anno 800 ad 1664, p. 436, onder de rubriek: Rudolphus, Romanorum rex, confirmat privilegium Henrici, imperatoris, ecclesie Sancti Servatii concessum, 8 idus aprilis, indictione X, 1282, gewaarmerkt afschrift door G.J. Lenarts, stadssecretaris van Maastricht, naar B.
Uitgave
a. Winkelmann, Acta imperii II, 1101, nr. 137, indirect naar een afschrift in een cartularium van het Sint-Servaaskapittel te Maastricht (berustend te Parijs, Bibliothèque Nationale, Fonds Latin, cartularium 26, vol III, fol. 107).
Regesten
Doppler, ‘Verzameling [800-1273]’, 255-256, nr. 209. – Haas, Chronologische lijst, 76, nr. 195. – Nuyens, Inventaris Sint-Servaas, 158, nr. 884.
Samenhang
Voor de geïnsereerde oorkonde van Hendrik IV, zie Collectie Sint-Servaas, nr. 1, alsmede Hackeng, Het middeleeuwse grondbezit, 39-41, 54, 59-60, 63-65, 67, 90-91, 154 en 279-280, nr. 39a (onvolledige uitgave).

Nummer 48
Willem van Born, pastoor van Geertruidenberg, maakt bekend dat wijlen Jan (van Enghien), bisschop van Luik, hem vanwege twist en onenigheid die lang geleden was ontstaan tussen hem en abdis en convent van Thorn, bestraft heeft met een vonnis van excommunicatie en verergering daarvan, en hem heeft opgepakt en in een kerker gezet omdat hij niet gehoorzaamde aan de uitspraken van de bisschop, maar langer dan een jaar hardnekkig vasthield aan zijn eigen verharde opvattingen. Nadat Willem van gedachten was veranderd en zijn boosheid over die straffen had overwonnen, is hij tot het inzicht gekomen dat de schade van ruzie met religieuzen en vooral aan God gewijden noch voor God zelf noch voor christenen aangenaam is, noch nuttig voor hemzelf en abdis en convent. Op aanraden van eerzame mannen en zijn vrienden, uit verlangen om vanwege de goede vrede, liefde en eensgezindheid met hen vrede te sluiten en in goede verstandhouding te leven, heeft Willem vervolgens uit vrije wil door dit geschrift afgezien van iedere wrok, actie of betwisting die hij tot op de dag van vandaag had, heeft of zou kunnen hebben, op welke grond dan ook tegen abdis en convent en hun mensen, zowel priesters als leken, om het even wie dan ook. Hij belooft met beroep op zijn trouw en onder ede dat hij vanwege dat geschil, die onenigheid en gevangenschap, geen vijandelijke actie zal ondernemen en ook niets anders tegen de kerken van Luik of Thorn of tegen personen en mannen die tot die kerken en het bisdom Luik behoren of daarvan afhankelijk zijn, en ook niets anders, noch door hemzelf noch door anderen tegen abdis en convent iets te doen of laten doen vanwege voorgaande zaken, rechtens of feitelijk gebeurd, of van zijn kant of die van zijn medestanders toelaten dat deze kerken of de personen die daartoe behoren worden lastiggevallen. Daarbij ziet Willem plechtig af van iedere borgtocht en verplichting jegens hem en in naam van abdis en convent, bij welke overeenkomst dan ook, en in het bijzonder van de borgtocht door Hendrik, heer van Pietersheim, en Michael, heer van Rothem, ridders, voor het verkrijgen van ontslag van rechtsvervolging en voor alles wat terzelfder gelegenheid aan hem zou kunnen worden overgedragen of van nut zou zijn in de toekomst. En opdat de abdis en de bisschop zich volledig en werkelijk verzoend zouden voelen jegens Willem vanwege het voorgaande en welke andere dingen dan ook, verbindt hij zich er met dit geschrift vrijwillig toe dat, indien hijzelf of zijn medestanders ooit handelen tegen het bovenstaande of ook maar iets daarvan, zijn kerk van Geertruidenberg hierom rechtens en feitelijk vacant zal zijn en door hem voor neergelegd en vacant zal worden gehouden en dat de abdis als patroon van deze kerk, vrij en zonder iemand te misdoen, voor de kerk voor een geschikt iemand kan zorgen zoals voor een vacant beneficie. Bovendien belooft Willem expliciet dat indien hij in ook maar een van de bovenstaande zaken een overtreder zou blijken te zijn, hij zich als meinedige en schender van de belofte aan het Luikse gerecht en de jurisdictie van het kapittel van Sint-Lambert te Luik onderwerpt die gestraft moet worden met een passende straf. En ter meerdere zekerheid dat hij zich aan al het voorgaande zal houden en er niet tegenin gaan, belooft hij dit aan abdis en convent én aan het kapittel op een boete van tweehonderd mark Luiks, voor de helft door hem te betalen aan de abdis en haar naasten en voor de andere helft aan het voornoemde kapittel, indien hij tegenover abdis en convent en degenen die bij hen horen het hiervoor genoemde niet zou doen en niet in acht zou nemen. Hij stelt de edelen Willem van Horn, Gozewijn van Born, Osto, zijn zoon, Willem van Cranendonk, ridders, Arnoud, heer van Stein, en Daniël van Goor aan als borgen voor de abdis en haar naasten en voor het kapittel. En Willem van Horn, Gozewijn van Born, Osto, zijn zoon, Willem van Cranendonk, Arnoud van Stein en Daniël van Goor stellen zich op verzoek van pastoor Willem borg om de genoemde boete te betalen ingeval Willem of de zijnen iets doen in strijd met het voorgaande. En zij beloven op verzoek van de abdis, haar naasten en het kapittel Maastricht binnen te gaan voor de genoemde boete of in een andere eerbare plaats, aan te wijzen door hen, in een gastenverblijf van een eerbaar persoon, om daar te verblijven op hun eigen kosten en daar niet vandaan te gaan totdat de boete volledig voldaan is aan de abdis, haar naasten en het kapittel. En deze beloven als borgen aan de abdis, haar naasten en aan het kapittel het voorgaande in acht te nemen en niet te overtreden of te laten overtreden, juridisch of feitelijk; ook beloven zij dat ze Willem niet zullen bijstaan of helpen met raad en daad noch hem ondersteunen in hun rechtsgebied indien hij het voorgaande of ook maar iets daarvan overtreedt, maar dat zij de abdis en het convent in hun recht zullen verdedigen.
Willem, heer van Horn, Gozewijn van Born, Osto, zijn zoon, Willem, heer van Cranendonk, de voornoemde borgen, hebben op verzoek van Willem bezegeld.
Omdat Arnoud van Stein en Daniël van Goor geen eigen zegel hebben, heeft Arnoud aan Walram, heer van Monschau en Valkenburg, ridder, gevraagd om te bezegelen en Daniël heeft dit gevraagd aan Jan, heer van Haasdal, ridder.
Walram en Jan van Haasdal hebben op hun verzoek bezegeld.
Gegeven op 6 januari 1283.
Willem van Born, pastoor van Geertruidenberg, ziet na zijn excommunicatie en gevangenschap ten gevolge van het niet naleven van een vonnis van Jan (van Enghien), bisschop van Luik, af van zijn aanspraken inzake het geschil met abdis en convent van de abdij van Thorn, waaronder van de beloofde verplichting jegens hem door de ridders Hendrik, heer van Pietersheim, en Michael, heer van Rothem. Tevens belooft hij ter meerdere zekerheid zijn kerk vacant te stellen indien hij of zijn medestanders hiertegen zouden handelen en aan de abdis van Thorn en het kapittel (van Sint-Lambert) te Luik een boete te betalen van elk 100 mark Luiks, waarvoor hij borgen aanstelt.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 01.187A, archief Vrije Rijksheerlijkheid Thorn, inv. nr. 58-2. Beschadigd met tekstverlies.
Aantekeningen op de achterzijde: 1o door eind 13e/begin 14e-eeuwse hand: De ecclesia Montis Sancte Gertrudis, 1282. – 2o door 17e-eeuwse hand: M doorgestreept. – 3o door 18e-eeuwse hand: G.
Bezegeling: één bevestigingsplaats (SD1) en vijf bevestigingsplaatsen voor de aangekondigde zegels van Willem, heer van Horn, Gozewijn, heer van Born, Osto, zoon van Gozewijn, heer van Born, Willem, heer van Cranendonk, Walram, heer van Valkenburg en Monschau, en Jan, heer van Haasdal (LS2, LS3, LS4, LS5 en LS6).
Uitgave
Niet eerder uitgegeven.
Datering
Het gebruik van paasstijl in het bisdom Luik is verondersteld, zie Camps, ONB I, XXI, en Dillo en Van Synghel, ONB II, XVII.
Ontstaan en samenhang
Willem van Born, pastoor van Geertruidenberg, heeft twee oorkonden uitgevaardigd waarin hij afstand doet van zijn aanspraken inzake een geschil met de abdij van Thorn. Onderhavige oorkonde heeft betrekking op zijn relatie met het kapittel van Sint-Lambert te Luik, de tweede op die met de bisschop van Luik en de aartsdiaken d.d. 1283 (kort voor maart 16) (zie Collectie Thorn, nr. 49). Beide oorkonden vertonen sterke dictaatverwantschap, maar zijn niet door dezelfde hand geschreven. Onderhavige oorkonde is wel de vooroorkonde van Collectie Thorn, nr. 49.
Hoewel deze oorkonde niet gekopieerd is in het cartularium van de abdij van Thorn (Maastricht, HCL, toegangsnr. 01.187B, archief Vrije Rijksheerlijkheid Thorn, inv. nr. 1628), bevat dit manuscript wel een verwijzing naar dit stuk onder het afschrift van de oorkonde inzake de relati met de bisschop en de aartsdiaken (Collectie Thorn, nr. 49): Similis adhuc littera habetur quo iste Wilhelmus, investitus de Monte Sancte Gertrudis, obligavit se capitulo Leodiensi contra predictam compositionem non venire debere.
Tekstuitgave
Het onderscheid tussen c en t is niet goed zichtbaar. De lacunes in A zijn aangevuld naar de oorkonde d.d. 1283 (kort voor maart 16) (zie Collectie Thorn, nr. 49).

Nummer 48
Rooms-koning Rudolf maakt bekend dat deken en kapittel van de Sint-Servaaskerk te Maastricht, die een bijzondere keizerlijke stichting en kapel is, hem hebben verzocht om een privilege te bevestigen dat door zijn voorganger, wijlen rooms-koning Hendrikb, aan deze kerk is overgedragen. De inhoud daarvan luidt als volgt:
– – – (hierna volgt de tekst van de oorkonde d.d. 1174 april 11).
In vrome overweging voortdurend bedenkend dat de Sint-Servaaskerk, die een memoriestichting is van voorgaande keizers en rooms-koningen zaliger nagedachtenis, op een waardige wijze meer dan andere kerken de voorrechten van een grotere gunst en vrijheid moet genieten, keurt Rudolf voor die kerk het voornoemde privilege goed met het daarin vermelde vonnis én de boete, waarmee dat vonnis is bekrachtigd, en met alle zaken die hiervoor duidelijk zijn uitgedrukt. Hij vernieuwt, bevestigt en bekrachtigt dit alles met deze oorkonde.
Ondertekening door Rudolf.
Getuigen zijn: de eerbiedwaardige Werner, aartsbisschop van Mainz, de aartsbisschop van Trier, Bertold, bisschop van Bamberg, Frederik, bisschop van Spiers; de illustere Lodewijk, paltsgraaf aan de Rijn, hertog van Beieren; de edellieden Jan van Henegouwen, Everard van der Mark, Everard van Katzenellenbogen, Hendrik van Fürstenberg, graven; Werner van Bolanden en vele anderen.
Rudolf heeft bezegeld.
Gedaan te Oppenheim, op 7 april 1282.
Rooms-koning Rudolf 1 bevestigt en hernieuwt de oorkonde van keizer Frederik I d.d. 1174 april 11 inzake de rechten van lieden van het Sint-Servaaskapittel te Maastricht te Rosmeer, waarvan de tekst is geïnsereerd.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002A, archief kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 66. Gelinieerd.
Aantekeningen op de achterzijde: 1o door 15e-eeuwse hand: Confirmatio imperatoris quod comes Lossensis in hominibus nostris (door latere hand bovengeschreven: de Rosmere) nullam exactionem vel ius debet habere ac quod ipse in eodem iure quod hominibus de Slusen et de Hese iudicatum est debent persistere. – 2o door 14e-eeuwse hand: Roesmer. – 3o door 15e-eeuwse hand: E VII. – 4o door 17e-eeuwse hand: Capsula imperialium. – 5o door 17e-eeuwse hand: 37, Capsula secunda. – 6o door 17e-eeuwse hand: Rudolphus.
Bezegeling: één uithangend bevestigd zegel, dat aangekondigd is, namelijk: S1 van rooms-koning Rudolf I, van witte was, beschadigd. Voor een beschrijving en afbeelding van S1, zie Venner, ‘Zegels’, nr. 50.
Afschriften
B. 17e eeuw, Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002A, archief kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 12 (cartularium) = Cartularium ecclesie collegialis Sancti Servati (aldus) Trajecti ad Mosam, tomus secundus, Documenta imperialia et ducalia, fol. 50r-51v, onder caput: Imperialia, en onder de rubriek: Confirmatio eius quod incole de (hierna aantal punten voor een ontbrekende plaatsnaam) possidentes aliqua bona ad ecclesiam Sancti Seruatii spectantia in nullo subsunt comiti Lossensi neque ipsi ad illa angaria aut servitia prestandum tenentur etc., mogelijk naar A. – E. vóór 1768, Ibidem, toegangsnr. 22.001A, Handschriftencollectie (voormalig) Gemeentearchief Maastricht, 14de-20ste eeuw, inv. nr. 199a (cartularium) = Diplomata Trajectensia de anno 800 ad 1664, p. 427, onder de rubriek: 1282, Rudolphus, imperator, confirmat privilegium de libertate pagorum et omni onere prestando comiti de Loos, tertio idus aprilis anno 1282, mogelijk naar A.
Uitgave
a. Böhmer, Acta imperii selecta, 338-339, nr. 433 (onvolledig), naar A.
Regesten
Doppler, ‘Verzameling [800-1273]’, 256, nr. 210. – Haas, Chronologische lijst, 76, nr. 196. – Nuyens, Inventaris Sint-Servaas, 55, nr. 66.
Ontstaan en samenhang
Voor de geïnsereerde oorkonde van keizer Frederik I d.d. 1174 april 11, waarin hij de lieden van het Sint-Servaaskapittel te Maastricht te Rosmeer beschermt en dezelfde rechten geeft als die te Sluizen en Hees, zie Appelt, Die Urkunden Friedrichs I. 1168-1180, 107-108, nr. 617. Zie ook Hackeng, Het middeleeuwse grondbezit, 43, 156 en 301, nr. 79 (onvolledige uitgave). Onderhavige oorkonde is door dezelfde hand geschreven als de oorkonde van rooms-koning Rudolf I d.d. 1282 maart 25 (zie Collectie Sint-Servaas, nr. 46).
Tekstuitgave
Het onderscheid tussen c en t is moeilijk zichtbaar.

Nummer 49
Willem, pastoor van Geertruidenberg, maakt bekend dat wijlen Jan (van Enghien), bisschop van Luik, hem vanwege twist en onenigheid die lang geleden was ontstaan tussen hem en abdis en convent van Thorn, bestraft heeft met een vonnis van excommunicatie en verergering daarvan, en hem opgepakt en in een kerker had gezet omdat hij niet gehoorzaamde aan de uitspraken van de bisschop, maar langer dan een jaar hardnekkig vasthield aan zijn eigen verharde opvattingen. Nadat Willem van gedachten was veranderd en zijn boosheid over die straffen had overwonnen, is hij tot het inzicht gekomen dat de schade van ruzie met religieuzen en vooral aan God gewijden noch voor God zelf noch voor christenen aangenaam is, noch nuttig voor hemzelf en abdis en convent. Op aanraden van eerzame mannen en zijn vrienden, uit verlangen om vanwege de goede vrede, liefde en eensgezindheid met hen vrede te sluiten en in goede verstandhouding te leven, heeft Willem vervolgens uit vrije wil door dit geschrift afgezien van iedere wrok, actie of betwisting die hij tot op de dag van vandaag had, heeft of zou kunnen hebben, op welke grond dan ook tegen abdis en convent en hun mensen, zowel clerici, priesters als leken, om het even wie dan ook. Hij belooft met beroep op zijn trouw en onder ede dat hij vanwege dat geschil, die onenigheid en gevangenschap of om welke andere reden dan ook, tot op de dag van vandaag door hem en zijn medestanders tegen abdis en convent van Thorn of tegen de kerken van Luik of Thorn of tegen personen en mannen die tot die kerken en het bisdom Luik behoren of daarvan afhankelijk zijn of tegen hun goederen, geen vijandelijke actie zal ondernemen en ook niets anders, noch door hemzelf noch door anderen tegen abdis en convent te doen of laten doen vanwege voorgaande zaken, rechtens of feitelijk, of van zijn kant of die van zijn medestanders toelaten dat deze kerken of de personen die daartoe behoren worden lastig gevallen. Daarbij ziet Willem plechtig af van iedere borgtocht of verplichting, jegens hem of in zijn naam aangegaan, en in naam van abdis en convent, bij welke overeenkomst dan ook, en in het bijzonder van de borgtocht van Hendrik, heer van Pietersheim, en Michael, heer van Rothem, ridders, voor de verkrijging van het ontslag en rechtsvervolging en voor alles wat terzelfder gelegenheid aan hem zou kunnen worden overgedragen of van nut zou zijn in de toekomst. En opdat de abdis en de bisschop zich volledig en werkelijk verzoend zouden voelen jegens Willem vanwege het voorgaande en welke andere dingen dan ook, verbindt hij zich er met dit geschrift vrijwillig toe dat indien hijzelf of zijn medestanders ooit handelen tegen het bovenstaande of ook maar iets daarvan, dat dan zijn kerk van Geertruidenberg hierom rechtens en feitelijk vacant zal zijn en door hem als neergelegd en vacant zal worden gehouden, en dat de abdis als patroon van deze kerk vrij en zonder iemand te misdoen voor de kerk voor een geschikt iemand kan zorgen zoals voor een vacant beneficie en die persoon aan de aartsdiaken kan voordragen. Bovendien belooft Willem expliciet dat, indien hij in ook maar een van de bovenstaande zaken een overtreder zou blijken te zijn, hij zich als meinedige en schender van de belofte aan het Luikse gerecht en de jurisdictie van de bisschop van Luik onderwerpt, die gestraft moet worden met een passende straf. En ter meerdere zekerheid dat hij zich aan al het voorgaande zal houden en er niet tegenin gaan en niemand dat zal laten doen, belooft hij op een boete van tweehonderd mark Luiks, voor de helft door hem te betalen aan de abdis en haar naasten en voor de andere helft aan de bisschop van Luik, indien hij tegenover abdis en convent en degenen die bij hen horen, het hiervoor genoemde niet zou doen en niet in acht zou nemen, terwijl de hierboven genoemde overeenkomsten en voorwaarden desalniettemin duidelijk van kracht zullen blijven. Hij stelt de edelen Willem van Horn, Gozewijn van Born, Osto, zijn zoon, Willem van Cranendonk, ridders, Arnoud van Stein en Daniël van Goor als borgen voor de abdis en haar naasten en voor de bisschop. En Willem van Horn, Gozewijn van Born, Osto, zijn zoon, Willem van Cranendonk, Arnoud van Stein en Daniël van Goor stellen zich op verzoek van pastoor Willem borg voor al het bovengenoemde op de manier als boven omschreven om de genoemde boete te betalen ingeval Willem of de zijnen iets doen in strijd met het voorgaande. En deze beloven op verzoek van de abdis, haar naasten en de bisschop Maastricht binnen te gaan voor de genoemde boete of in een andere eerbare plaats, aan te wijzen door de abdis, haar naasten en de bisschop van Luik, in een gastenverblijf van een eerbaar persoon, om daar te verblijven op hun eigen kosten en daar niet weg te gaan totdat de boete volledig voldaan is aan de abdis, haar naasten en de bisschop. En zij beloven als borgen aan de abdis, haar naasten en aan de bisschop het voorgaande in acht te nemen en niet te overtreden of te laten overtreden, juridisch of feitelijk, en dat zij Willem niet zullen bijstaan of helpen met raad en daad noch hem ondersteunen in hun rechtsgebied indien hij het voorgaande of ook maar iets daarvan overtreedt, maar dat zij de abdis en het klooster in hun recht zullen verdedigen. Willem, pastoor van Geertruidenberg, en heer Willem van Horn, Gozewijn van Born, Osto, zijn zoon, Willem van Cranendonk, ridders, Arnoud van Stein en Daniël van Goyre, borgen, zien ten aanzien van het voorgaande of wat dan ook van het voorgaande uitdrukkelijk af van de exceptie wegens bedrog en dwang en van alle juridische verweren en alle canoniekrechtelijke en civielrechtelijke rechtsmiddelen die hun of iemand van hen toevallen of zullen toevallen, en van alle gunsten die hun door wie dan ook op dit vlak zijn verleend.
Jan (van Vlaanderen), bisschop van Luik, keurt dit alles uitdrukkelijk goed en bevestigt het. En ook Gerard van Nassau, aartsdiaken van Luik, keurt dit goed voor zover het op zijn terrein ligt en hij bevestigt het. En indien de abdis van Thorn, die er te zijner tijd is, voor de kerk van Geertruidenberg, gelegen in het aartsdiakonaat van Gerard van Nassau, een of andere geschikte clericus voordraagt omdat Willem zelf óf tegen het overeengekomene heeft gehandeld óf door een ander of anderen heeft laten handelen, dan zal Gerard de door de abdis voorgestelde clericus tot de kerk van Geertruidenberg toelaten en hem daarin plechtig installeren volgens de geldende gewoonten, omdat dit is voortgekomen uit de wil van Willem, pastoor van Geertruidenberg.
Jan (van Vlaanderen), bisschop van Luik, Gerard van Nassau, aartsdiaken, en de borgen Willem, heer van Horn, Gozewijn, heer van Born, Osto, zijn zoon, Willem, heer van Cranendonk, ridders,
Arnoud, heer van Stein, en Daniël van Goor hebben op verzoek van Willem bezegeld.
Omdat Arnoud van Stein en Daniël van Goor geen eigen zegel hebben, heeft Arnoud aan Walram, heer van Monschau en Valkenburg, ridder, gevraagd om te bezegelen en Daniël heeft dit gevraagd aan Jan, heer van Haasdal, ridder.
Walram en Jan van Haasdal hebben op hun verzoek bezegeld.
Gegeven in 1283.
Willem, pastoor van Geertruidenberg, ziet na zijn excommunicatie en gevangenschap ten gevolge van het niet naleven van een vonnis van Jan (van Enghien), bisschop van Luik, af van zijn aanspraken inzake het geschil met abdis en convent van de abdij van Thorn, waaronder van de beloofde verplichting jegens hem door de ridders Hendrik, heer van Pietersheim, en Michael, heer van Rothem. Tevens belooft hij ter meerdere zekerheid zijn kerk vacant te stellen indien hij of zijn medestanders hiertegen zouden handelen en aan de abdis van Thorn en de bisschop van Luik een boete te betalen van elk 100 mark Luiks, waarvoor hij borgen aanstelt. Jan (van Vlaanderen), bisschop van Luik, keurt deze bepalingen goed, evenals Gerard van Nassau, aartsdiaken van Luik, die tevens verklaart op voordracht van de abdis van Thorn een nieuwe pastoor te Geertruidenberg te installeren indien Willem niet zou voldoen aan de gestelde voorwaarden.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 01.187A, archief Vrije Rijksheerlijkheid Thorn, inv. nr. 58-1.
Aantekeningen op de achterzijde: 1o door eind 13e-/begin 14e-eeuwse hand: De ecclesia Montis Sancte Ghertrudis, 1282. – 2o door 17e-eeuwse hand: M doorgestreept. – 3o door 18e-eeuwse hand: G.
Bezegeling: drie uithangend bevestigde, dubbel doorgestoken zegels, die aangekondigd zijn, namelijk: S2 van Willem, heer van Horn, van bruine was, licht beschadigd, met CS2. – S6 van Willem, heer van Cranendonk, van bruine was, gaaf. – S7 van Osto, zoon van Gozewijn, heer van Born, van bruine was, beschadigd; één bevestigingsplaats (SD3) en vier bevestigingsplaatsen voor de aangekondigde zegels van Jan (van Vlaanderen), bisschop van Luik, Gerard van Nassau, aartsdiaken van Luik, Gozewijn, heer van Born, Walram, heer van Valkenburg en Monschau, en Jan van Haasdal (LS1, LS4, LS5 en LS8). Voor een beschrijving en afbeelding van S2, S6 en S7, zie Venner, ‘Zegels Thorn’, respectievelijk 42, 41 en 44-45.
Afschrift
B. eerste helft 15e eeuw, Ibidem, toegangsnr. 01.187B, archief Vrije Rijksheerlijkheid Thorn, inv. nr. 1628 (voorheen cartularium nr. 1) = Cartularium abbatiae imperialis Thorensis, 966-1600, p. 70-73 (oude fol. 39v-41r), onder de rubriek: Composicio domini Wilhelmi, investiti de Monte Sancte Gertrudis, cum abbatissa et conventum Thorense et Iohanne, episcopo Leodiense, met in de marge d, M, naar A.
Uitgave
Niet eerder uitgegeven.
Regesten
Franquinet, Beredeneerde inventaris Thorn, 55-56, nr. 35 (gedateerd 1282). – Habets, Archieven Thorn, 50, nr. 58 (gedateerd 1282 januari 6). – Haas, Chronologische lijst, 74, nr. 191 (gedateerd 1282 januari 6).
Datering
Het gebruik van paasstijl in het bisdom Luik is verondersteld, zie Camps, ONB I, XXI, en Dillo en Van Synghel, ONB II, XVII. Bij onderhavige oorkonde ontbreekt de dagtekening in de datatio. Deze oorkonde is hoogstwaarschijnlijk geredigeerd kort voor de oorkonde van Jan (van Vlaanderen), bisschop van Luik, d.d. 17 maart 1283 (zie Collectie Thorn, nr. 50), waarin hij naar de twee oorkonden van Willem verwijst (zie Collectie Thorn, nrs. 48 en 49).
Ontstaan en samenhang
Deze oorkonde is niet door dezelfde hand geschreven als de overeenkomst, uitgevaardigd door Willem, pastoor van Geertruidenberg, op 6 januari 1283 (zie Collectie Thorn, nr. 48). Wel is onderhavige oorkonde gemundeerd door een scriptor uit de abdij van Thorn, die werkzaam was in de periode 1282-1283. Voor de lokalisering van deze scriptor, zie Collectie Thorn, nr. 45.
Tekstuitgave
Het onderscheid tussen c en t is niet goed zichtbaar. De lacunes in A zijn aangevuld naar de oorkonde d.d. 1283 januari 6 (zie Collectie Thorn, nr. 48) en naar B. Voor de tekstdelen die aan de vooroorkonde zijn ontleend (Collectie Thorn, nr. 48) en afgedrukt zijn in een kleiner lettertype, zie Van Synghel, Oorkonden Thorn, 150-151.

Nummer 49
Rooms-koning Rudolf maakt bekend dat deken en kapittel van de kerk en keizerlijke kapel van Sint-Servaas te Maastricht een verzoek aan hem hebben overhandigd om een privilege dat door zijn voorganger, keizer Hendrik IV vromer gedachtenis, aan de Sint-Servaaskerk is verleend en door keizer Frederik II bevestigd, te vernieuwen en versterken. De inhoud daarvan luidt als volgt:
– – – (hierna volgt de tekst van Collectie Sint-Servaas, nr. 16).
Rudolf oordeelt in vrome overweging dat de Sint-Servaaskerk door de Roomse koningen en keizers schitterend gesticht en rijkelijk is begiftigd en beziet dankbaar de oprechte ijver voor het geloof en het gevoel van zuivere toewijding, waarvan bekend is dat het college van deze kerk dat jegens hem en het Roomse rijk bezit. Derhalve keurt hij het genoemde privilege en de daarin duidelijk opgenomen zaken, zoals die hierboven helder zijn uitgedrukt, met koninklijke welwillendheid en bewuste vrijgevigheid goed en vernieuwt, bekrachtigt en versterkt het met deze oorkonde.
Ondertekening door Rudolf.
Getuigen zijn: de eerbiedwaardige aartsbisschoppen van Mainz en Trier, Frederik, bisschop van Spiers, en Bertold, bisschop van Bamberg; de illustere Lodewijk, paltsgraaf aan de Rijn, hertog van Beieren; Everard van Katzenellenbogen, Everard van der Mark, Jan van Henegouwen, Jan van Sponheim, Adolf van Nassau, graven, en vele anderen.
Rudolf heeft bezegeld.
Gedaan te Oppenheim, op 9 april 1282.
Rooms-koning Rudolf I bevestigt en hernieuwt de oorkonde van keizer Frederik II d.d. december 1232 inzake de hernieuwing en bevestiging van de in 1087 verleende oorkonde aan het Sint-Servaaskapittel te Maastricht, waarvan de tekst is geïnsereerd.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002A, archief kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 42. Gelinieerd.
Aantekeningen op de achterzijde: 1o door 15e-eeuwse hand: Confirmatio priviliorum (aldus). – 2o door 15e-eeuwse hand: Privilegium imperiale super remissione servitiorum signis diversorum imperatorum robo[***]. – 3o door 16e-eeuwse hand: R. M I n. – 4o door 16e-eeuwse hand: Anno 1282 / z8. – 5o door 17e-eeuwse hand: Cap. 2. – 6o door 17e-eeuwse hand: In capsula imperialium. – 7o door 17e-eeuwse hand: Rudolphi Romanorum regis confirmatio priviligii dati per Fredericum secundum et ulterium Henrici per Fredericum confirmati super libertate ecclesie Sancti Servatii ab aliis quam Henricus regibus vel imperatoribus de data 5 idus aprilis 1282.
Bezegeling: één uithangend bevestigd zegel, dat aangekondigd is, namelijk: S1 van rooms-koning Rudolf I, van witte was, randschrift licht beschadigd. Voor een beschrijving en afbeelding van S1, zie Venner, ‘Zegels’, nr. 50.
Afschriften
B. eind 13e eeuw, Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002A, archief kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 10, fol. 19v-21r (= nieuwe fol. 36v-38r), nr. 42, naar A. – C. 15e eeuw, Ibidem, toegangsnr. 14.B001, archief kapittel van Onze Lieve Vrouw te Maastricht, 1096-1796, inv. nr. 31 (cartularium), fol. 174r-175v, onder de rubriek: Item tenores omnium et singulorum exhiborum sequuntur per ordinem in hunc modum et sunt tales, mogelijk naar A. – D. 17e eeuw, Ibidem, toegangsnr. 14.B002A, archief kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 12 (cartularium) = Cartularium ecclesie collegialis Sancti Servati (aldus) Trajecti ad Mosam, tomus secundus, Documenta imperialia et ducalia, fol. 51v-, onder caput: Imperialia, en onder de rubriek: Confirmatio eius quod ecclesia Sancti Seruatii solis pontificibus et imperialibus subest, dignitas cleri et sedes 20 epi-scoporum, ut folio 2, naar A. – E. 1640, Ibidem, idem, inv. nr. 1741 (cartularium) = Liber sive regestum originis ecclesie Sancti Seruatii Traiec[tensis] illiusque privilegiorum, donationum ac iurium ex originalibus et libro chartarum manu Ioannis Choris, receptoris capituli, descriptorum, p. 89-90, onder de rubriek: Rudolphus confirmat privilegium Henrici 4, onvolledig, naar A. – [F]. niet voorhanden, maar bekend uit G, cartularium van het Sint-Servaaskapittel te Maastricht = Liber A, fol. 198. – G. vóór 1768, Ibidem, toegangsnr. 22.001A, Handschriftencollectie (voormalig) Gemeentearchief Maastricht, 14de-20ste eeuw, inv. nr. 199a (cartularium) = Diplomata Trajectensia de anno 800 ad 1664, p. 433, onder de rubriek: Rudolphus, Romanorum rex, confirmat privilegium ab Henrico quarto, imperatore, ecclesie Sancti Servatii datum ac etiam illum a Frederico secundo, datum Oppenheim, 5 idus aprilis 1282, gewaarmerkt afschrift door G.J. Lenarts, stadssecretaris van Maastricht, naar A.
Uitgave
a. Böhmer, Acta imperii selecta, 339-340, nr. 434 (onvolledig), naar A.
Regesten
Doppler, ‘Verzameling [800-1273]’, 257, nr. 211. – Haas, Chronologische lijst, 76, nr. 197. – Nuyens, Inventaris Sint-Servaas, 52, nr. 42.
Samenhang- en tekstuitgave
Voor de geïnsereerde oorkonde van keizer Frederik II d.d. 1232 december, zie Collectie Sint-Servaas, nr. 16. Zie ook Hackeng, Het middeleeuwse grondbezit, 43, 156 en 301, nr. 79 (onvolledige uitgave). Het onderscheid tussen c en t is moeilijk zichtbaar.

Nummer 50
Jan (van Vlaanderen), bisschop van Luik, maakt bekend dat Willem van Born, pastoor van Geertruidenberg, uit de boeien losgelaten en volledig in vrijheid gesteld, in zijn aanwezigheid uit vrije wil en niet gedwongen overeenstemming heeft bereikt en vrede gesloten met abdis en convent van Thorn volgens alle bepalingen en voorwaarden die zijn opgenomen in de oorkonde, hierover opgemaakt en bezegeld door Willem, heer van Horn, Willem, heer van Cranendonk, Gozewijn, heer van Born, Osto, zijn zoon, voor henzelf, en door Walram, heer van Valkenburg, voor Arnoud van Stein en Jan, heer van Haasdaal, ridder, voor Daniël van Goor. Deze oorkonde is in aanwezigheid van de bisschop van Luik en van Willem, pastoor van Geertruidenberg, die daarnaar keek en dat hoorde, woord voor woord voorgelezen en Willem heeft hem gevraagd de oorkonde te bezegelen en die verzoening en vrede met zijn autoriteit te bevestigen. Bovendien heeft Willem, om deze verzoening en vrede te laten duren, onder ede beloofd dat hij alles zal accepteren wat de bisschop nog meer rechtens of door minnelijke schikking zou bepalen tussen enerzijds abdis en convent en anderzijds hemzelf over alle onenigheid die tot op de dag van vandaag tussen hen heeft gespeeld dan wel zou hebben kunnen spelen en dat hij dit van waarde zal houden en ongeschonden in acht zal nemen onder de boete, genoemd in de oorkonde over de genoemde vrede en regeling.
De bisschop bevestigt deze vrede en overeenstemming volgens alle voorwaarden en bepalingen die in de hierover opgemaakte oorkonde staan en bezegelt op verzoek van genoemde partijen de oorkonde die over deze vrede en overeenstemming is opgesteld, samen met Gerard van Nassau, aartsdiaken van Luik, en de genoemde edelen. Hij behoudt zich echter met instemming van genoemde partijen de macht voor om, indien nodig, tot 1 oktober eerstkomend deze vrede en overeenstemming te wijzigen, aan te vullen, te verminderen of te verduidelijken op de manier zoals hij dat nodig zal vinden, zodanig dat alle voorwaarden en bepalingen van kracht blijven die verduidelijkt of gewijzigd zijn in de oorkonde die door de bisschop is bezegeld.
Gedaan en gegeven in Hoei, op 17 maart 1283.
Jan (van Vlaanderen), bisschop van Luik, maakt bekend dat Willem, pastoor van Geertruidenberg, zich in zijn bijzijn heeft verzoend met abdis en convent van de abdij van Thorn, waarvan de voorwaarden zijn vastgelegd in de oorkonden d.d. 1283 januari 6 en 1283 (kort voor maart 16) en bevestigt deze onder voorbehoud van het recht om de daarin vervatte bepalingen tot 1 oktober eerstkomend te mogen wijzigen.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 01.187A, archief Vrije Rijksheerlijkheid Thorn, inv. nr. 59. Beschadigd met tekstverlies.
Aantekeningen op de achterzijde: 1o door eind 13e/begin 14e-eeuwse hand: De ecclesia Montis Sancte Gertrudis, 1282. – 2o door 17e-eeuwse hand: M doorgestreept. – 3o door 18e-eeuwse hand: G.
Bezegeling: één bevestigingsplaats, vermoedelijk voor het aangekondigde zegel van Jan (van Vlaanderen), bisschop van Luik (LS1).
Afschrift
B. eerste helft 15e eeuw, Ibidem, toegangsnr. 01.187B, archief Vrije Rijksheerlijkheid Thorn, inv. nr. 1628 (voorheen cartularium nr. 1) = Cartularium abbatiae imperialis Thorensis, 966-1600, p. 67-68 (oude fol. 38r-v), onder de rubriek: d, De ecclesia Montis Sancte Gertrudis, met in de marge M, naar A.
Uitgave
Niet eerder uitgegeven.
Regesten
Franquinet, Beredeneerde inventaris Thorn, 56-57, nr. 36 (gedateerd 1282 maart 17). – Habets, Archieven Thorn, 51, nr. 59 (gedateerd 1282 maart 17). – Haas, Chronologische lijst, 75, nr. 192 (gedateerd 1282 maart 17).
Datering
Het gebruik van paasstijl in het bisdom Luik is verondersteld, zie Camps, ONB I, XXI, en Dillo en Van Synghel, ONB II, XVII.
Ontstaan en samenhang
Onderhavige oorkonde hangt nauw samen met twee oorkonden uit 1283, uitgevaardigd door Willem, pastoor van Geertruidenberg, waarnaar in de dispositio wordt verwezen (zie Collectie Thorn, nrs. 48 en 49).
Deze oorkonde is gemundeerd door een scriptor uit de abdij van Thorn, die werkzaam was in de periode 1282-1283. Voor de lokalisering van deze scriptor, zie Collectie Thorn, nr. 45.
Tekstuitgave
Het onderscheid tussen c en t is niet goed zichtbaar. De lacunes in A zijn aangevuld naar B.

Nummer 50
Boudewijn Caseus en Jan Suevus, schepenen van Maastricht, maken bekend dat Gijsbert van Meeswijk een jaarlijkse cijns van veertien schelling en zes penning Luiks erfrechtelijk heeft verkocht aan Willem, priester van het begijnhof Nieuwenhof te Maastricht, die hij aan hem en degenen aan wie hij de cijns zou willen nalaten eeuwig heeft toegewezen uit de bakkerij of het huis waar Hendrik Soleswich, bakker, nu in woont. Gijsbert, zijn echtgenote en hun kinderen hebben er erfrechtelijk van afgezien en plechtig afstand van gedaan ten behoeve van Willem en van al degenen aan wie hij deze cijns zou willen nalaten. En ze hebben zoveel gedaan dat ten tijde van de afstand in alle opzichten is voldaan aan Willem en degenen aan wie hij de cijns zou willen nalaten. Gijsbert heeft beloofd vrijwaring te verstrekken en alle rechtmatige klachten binnen jaar en dag af te doen. Ook is er aan toegevoegd dat, indien de cijns binnen jaar en dag zal worden uitgewonnen, wat in de volkstaal bescodden wordt genoemd, dat Gijsbert dan zoveel penningen zal moeten afstaan over een evenlange tijdspanne als hij de penningen voor de verkoop van de cijns onder zich heeft gehouden. En om dit te bewerkstelligen heeft hij voor Willem de schepenen Jan Suevus en Boudewijn Caseus als borgen aangesteld.
Gedaan op 10 juni 1282.
Schepenen van Maastricht oorkonden dat Gijsbert van Meeswijk een jaarlijkse cijns van veertien schelling Luiks en zes penning, gevestigd op de bakkerij van Hendrik Soleswich te Maastricht, heeft verkocht aan Willem, priester van het begijnhof Nieuwenhof te Maastricht.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002H, archief Broederschap der kapelanen van Sint-Servaas te Maastricht, 1139-1797, inv. nr. 142. Gaaf bewaard, behoudens de rechterzijde van de pliek, die deels afgeknipt en deels afgescheurd is.
Aantekeningen op de achterzijde: 1o door 14e-eeuwse hand: Ad pistrinam [***] ex domo [***] Sancti Nicolai XIIII solidos VI denarios. – 2o door 15e-eeuwse hand: Copiata [***] folio XIX.– 3o door 15e-eeuwse hand: Quarta.
Bezegeling: één bevestigingsplaats, vermoedelijk voor het aangekondigde zegel van Boudewijn Caseus, schepen van Maastricht (LS1); de tweede bevestigingsplaats aan de rechterzijde, vermoedelijk voor het aangekondigde zegel van Jan Suevus, schepen van Maastricht (LS2), is verdwenen.
Afschrift
B. 1376, Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002H, archief Broederschap der kapelanen van Sint-Servaas te Maastricht, 1139-1797, inv. nr. 4 (cartularium), fol. 19r, onder de rubriek: De quatuordecem solidis et VI denariis ad pistrinam Henrici Soleswiic, in Vico Sueui iuxta Sanctum Nycholaum, pro anniversario Wilhelmi, rectoris altaris Sancti Laurencii (hierna in iulio doorgestreept) et investiti Nove Curie beginarum in iulio, met in de linkermarge: pronunc Mathie de Bunde, pistoris, C III, litterae, naar A.
Uitgave
a. Nève, De dertiende-eeuwse schepenoorkonden, 56-57 (met onvolledige vertaling), nr. 1282.06.11, naar A (gedateerd 1282 juni 11).
Regesten
Doppler, ‘Schepenbrieven’, 24-25, nr. 8. .– Haas, Chronologische lijst, 77, nr. 199. – Nuyens, Inventaris Sint-Servaas, 219, nr. 142.
Lokalisering
Blijkens de aantekening in het cartularium kan de bakkerij bij de Sint-Nicolaaskerk, in de Wolfstraat te Maastricht, worden gelokaliseerd.
Ontstaan
Onderhavige oorkonde is geschreven door een scriptor die schepenoorkonden van Maastricht mundeert voor het klooster van Sint-Gerlach te Houthem d.d. 1279 december 28 (zie Van Synghel, Oorkonden Sint-Gerlach, 122-125, nr. 27), voor een monnik, procurator van het hof te Luik, d.d. 1283 maart 10 (Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B001, archief kapittel van Onze Lieve Vrouw te Maastricht, 1096-1796, inv. nr. 652a), voor het Sint-Servaaskapittel te Maastricht d.d. 1284 mei 3, 1285 juni 20 en 1285 juni 25 (zie Collectie Sint-Servaaskapittel, nrs. 52, 54 en 55), voor een priester te Maastricht d.d. 1288 maart 30 (Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B001, archief kapittel van Onze Lieve Vrouw te Maastricht, 1096-1796, inv. nr. 642), voor een particulier d.d. 1289 februari 2 en 1291 februari 18 (Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B001, archief kapittel van Onze Lieve Vrouw te Maastricht, 1096-1796, inv. nrs. 652b en 652), voor het Onze-Lieve-Vrouwekapittel te Maastricht d.d. 1291 maart 18, 1291 maart 25, 1291 juni 1 en 1291 juni 18 (Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B001, archief kapittel van Onze Lieve Vrouw te Maastricht, 1096-1796, inv. nr. 1643a, 1763, 1643b en 1764), voor het cisterciënzerklooster Dalheim d.d. 1294 mei 26 (Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B001, archief kapittel van Onze Lieve Vrouw te Maastricht, 1096-1796, inv. nr. 665), alsmede een oorkonde van schout en schepenen van Sint-Pieter te Maastricht d.d. 1294 april 25 (Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B001, archief kapittel van Onze Lieve Vrouw te Maastricht, 1096-1796, inv. nr. 816a). Bijgevolg kan deze scriptor worden gelokaliseerd in het milieu van de schepenbank van Maastricht.
Tekstuitgave
Het onderscheid tussen c en t is moeilijk zichtbaar.

Nummer 51
Jan van Breill heeft op de vereiste wijze plechtig afstand gedaan van elk recht dat hij had of kon hebben of scheen te hebben ten aanzien van enige wascijnsplichtigen, namelijk Geertrui van Jukeren, Amelia, Goburgis, Simon van Jukeren, Godfried van Grocenhoven en hun familieleden, die toebehoren aan het altaar van de heilige Maria in Thorn, en hij behoudt daarbij zichzelf en zijn opvolgers geen enkel recht of betwisting voor ten aanzien van deze personen.
Bij deze plechtige afstand waren aanwezig: heer Adolf van Scharn, Jan van Immerath, Dirk van Geilenkirchen, ridders, Gerard Affenhout, Lodewijk, Gerlach, Bertold en Gerlach van den Berge, leenmannen van de abdis van Thorn.
Omdat Jan van Breill geen eigen zegel heeft, heeft hij gevraagd aan de pastoor van Hünshoven, Adolf van Scharn, Hendrik, heer van Rimburg, en Dirk van Geilenkirchen, ridders, deze oorkonde te bezegelen.
De pastoor van Hünshoven, Adolf van Scharn, Hendrik, heer van Rimburg, en Dirk van Geilenkirchen, ridders, hebben bezegeld.
Gegeven op 7 maart 1286.
Jan van Breill doet afstand van zijn recht op enige wascijnsplichtigen (te Übach) ten behoeve van de abdij van Thorn.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 01.187A, archief Vrije Rijksheerlijkheid Thorn, inv. nr. 64. Zwaar beschadigd met tekstverlies.
Aantekeningen op de achterzijde: 1o door eind 13e-eeuwse hand: De hominibus cerocensualibus. – 2o door 16e-eeuwse hand: [***] super quadam renunciacione, parum valet, 1285. – 3o door 17e-eeuwse hand: O.
Bezegeling: twee uithangend bevestigde zegels, die aangekondigd zijn, namelijk: S2 van Hendrik, heer van Rimburg, ridder, van bruine was, beschadigd. – S3 van Dirk van Geilenkirchen, ridder, van bruine was, beschadigd; en twee bevestigingsplaatsen, vermoedelijk voor de overige aangekondigde zegels, met oorkondeteksten op de zegelstaarten (LS1 en LS4). Voor een identificatie, beschrijving en afbeelding van S2 en S3, die niet bevestigd zijn volgens de in de tekst aangekondigde volgorde, zie Venner, ‘Zegels Thorn’, respectievelijk 43-44 en 45.
Uitgaven
a. Franquinet, Beredeneerde inventaris Thorn, 64-65, nr. 40 (gedateerd 15 februari 1285), naar A. – b. Habets, Archieven Thorn, 57-58, nr. 64 (gedateerd 15 februari 1285), naar a.
Regest
Haas, Chronologische lijst, 79, nr. 206 (gedateerd 15 februari 1285).
Datering
Het gebruik van paasstijl in het bisdom Luik is verondersteld, zie Camps, ONB I, XXI, en Dillo en Van Synghel, ONB II, XVII.
Tekstuitgave
De lacunes in A zijn aangevuld naar druk a, toen het origineel nog niet beschadigd was.

Nummer 51
De aartsbisschoppen Willem van Korinthe, Reinoud van Messina, Tellius van Braga, Petrus van Oristano en de bisschoppen Guido van Pavia, Bartholomeus van Tortiboli, Hendrik van Sarsina, Simeon van Bagnoregio, Acerus van Växjö, Andreas van Oslo, Bernard van Ancona, Otbert van Asti, Gevehard van Brandenburg, Dirk van Servië, Vincent van Porto, Ptolomeus van Sarda, Torfinnus van Hamar, Bartholomeus van Antarado en Bartholomeus van Gaëta willen het volk aanvaardbaar maken voor de Heer en nodigen de gelovigen daarom uit om Hem te behagen met aanlokkelijke geschenken, namelijk met aflaten en kwijtscheldingen, opdat zij daardoor geschikter gemaakt worden door de goddelijke genade. Er ligt nu te Maastricht een houten brug over de Maas die aan verschillende mensen uit wijd en zijd omliggende gebieden en rijken een passende overgang biedt. Maar deze brug kan niet gebouwd, verstevigd en dusdanig worden versterkt door enig menselijk vernuft of inzet van vaardigheid met houten materiaal, hoe enorm en stevig ook of met welke zorgvuldigheid dan ook ontworpen en samengesteld, dat ze enige tijd zo’n grote watervloed en kracht van het ijs sterk en ongedeerd kan weerstaan. Dit is ook in werkelijkheid meermaals aangetoond en gebleken. Want ofwel breken overstromingen en de kracht van het ijs de funderingen en onderstellen van de brug af, ofwel zorgt het uitrukken van posten en verbreken van verbindingen dat de brug volledig of gedeeltelijk instort; ofwel wordt de brug, als men haar in een zeldzaam geval intensief ondersteunt en tegen instorting beschermt door vele kostbare werken, door het ongunstig en onafgebroken vervoer van zware lasten ongemerkt zozeer verzwakt dat ze het gebruikelijk gewicht niet veilig kan dragen. Hierdoor heeft de kolkende rivier en het houten materiaal van de brug, die in kracht beperkt houdbaar is, voor velen het risico van vallen, de schipbreuk en ondergang van schepen met verlies van zaken en lichamen met groot gevaar voor de zielen veroorzaakt. Het is ook goed om bij wijze van voorbeeld een feit, hoe ongelukkig ook, te berde te brengen en een waargebeurd verhaal te vertellen. Er moet niet in stilte worden voorbijgegaan aan iets wat nuttig kan zijn en de geest van de toehoorder kan verbeteren. Op 12 juli 1275 trokken deken en kapittel van de Onze-Lieve-Vrouwekerk te Maastricht en de koorgeestelijken uit devotie in religieuze kleding met hun relieken in processie over de brug. Niet lang na deze processie stortte een deel van de brug in, alsof die was losgeraakt, met de mensen die daar op stonden, terwijl in hetzelfde uur door het breken van deze brug ongeveer vierhonderd mannen en vrouwen in de rivier verdronken, dit nog zonder melding te maken van diegenen die voor dood uit de Maas zijn gehaald en daarna op wonderbaarlijke wijze weer tot leven zijn gekomen. Toen men door het gedeeltelijk verval niet over de brug kon, zijn zelfs helaas schepen bij de overtocht gegrepen door een ellendige en wonderlijke beweging van een draaikolk en als een wervelwind in het krachtige water als lood naar de bodem weggezonken, met groot verlies aan mensenlevens. Aangezien de aartsbisschoppen en bisschoppen bewogen zijn door een vrome overweging en het verlangen hebben de voornoemde gevaren voor zaken, lichamen en zielen tegen te gaan, verlenen zij aan allen die helpen bij het bouwen van de brug, waarmee een niet gering stenen begin is gemaakt, en aan diegenen die werkelijk berouw tonen en hebben gebiecht, een aflaat van veertig dagen op de aan hen opgelegde straf, mits de bisschoppelijke toestemming hiervoor is verleend, zodat de brug kan worden voltooid en versterkt.
De aartsbisschoppen en bisschoppen hebben bezegeld.
Gedaan te Orvieto, op 29 januari 1284.
Vier aartsbisschoppen en vijftien bisschoppen verlenen een aflaat van veertig dagen aan allen die bijdragen aan de bouw van een nieuwe stenen brug over de Maas te Maastricht, ter vervanging van de in 1275 ingestorte houten brug.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002A, archief kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 439. Blijkens de incisie in de pliek met de rest van een dubbele perkamenten staart, was deze oorkonde voorzien van een (losgeraakt) transfix met de goedkeuring door Jan IV, bisschop van Luik, d.d. 1287 mei 8.
Aantekeningen op de achterzijde: 1o door 15e-eeuwse hand: Indulgentie concesse super constructione pontis. – 2o door 15e-eeuwse hand: P. de Hoyo.
Bezegeling: vijfentwintig bevestigingsgaatjes voor negentien zegels; acht uithangend bevestigde zegels, die aangekondigd zijn, namelijk: S4 van Petrus, aartsbisschop van Oristano, van rode was, beschadigd. – S7 van Guido, bisschop van Pavia, van rode was, beschadigd. – S8 van Bartholomeus, bisschop van Tortiboli, van rode was, beschadigd. – S9 van Acerus, bisschop van Växjö, van rode was, beschadigd. – S12 van Otbert, bisschop van Asti, van rode was, beschadigd, met gaaf tegenzegel CS12. – S16 van een niet te identificeren aartsbisschop of bisschop, van rode was, beschadigd. – S18 van Simeon, bisschop van Bagnoregio, van rode was, beschadigd. – S19 van Vincentius, bisschop van Porto, van rode was, beschadigd; en elf bevestigingen voor de aangekondigde zegels van de drie aartsbisschoppen en de overige bisschoppen; boven de laatste bevestiging staat op de pliek: Gaetanus, maar dit correspondeert niet met de twee daaronder hangende zegels. Voor de problematische identificatie, een beschrijving en afbeelding van S4, S7, S8, S9, S12, S16, S18 en S19, zie Venner, ‘Exoten in Limburg’, respectievelijk 27, afb. 2, 29, afb. 9, 29, afb. 10, 29, afb. 11, 27, afb. 3 en 4, 31, afb. 13, 28, afb. 5 en 30, afb. 12 en 12a.
Afschriften
B. eerste helft 17e eeuw (vóór 1648), Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002A, archief kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 11 (cartularium) = Cartularium ecclesiae collegialis Sancti Servatii Traiecti ad Mosam, tomus primus, pontificalia et episcopalia, fol. 4r-5v, onder caput: Episcopalia, en onder de rubriek: Indulgentie concesse super constructione pontis, afschrift geauthenticeerd door Hendrik Lenssens, kapittelsecretaris en openbaar notaris, geadmitteerd door de Raad van Brabant, naar A. – [C]. niet voorhanden, maar bekend uit D, cartularium van het Sint-Servaaskapittel te Maastricht = Liber A, fol. 1 en 172. – D. vóór 1768, Ibidem, toegangsnr. 22.001A, Handschriftencollectie (voormalig) Gemeentearchief Maastricht, 14de-20ste eeuw, inv. nr. 199a (cartularium) = Diplomata Trajectensia de anno 800 ad 1664, p. 464-466, onder de rubriek: Indulgentie concesse a quatuor archiepiscopis et quindecim episcopis iis qui contribuunt ad profectionem pontis lapidei supra Mosam in oppido Traiectensi, 4 kalendas februarii 1284, gewaarmerkt afschrift door G.J. Lenarts, stadssecretaris van Maastricht, naar A.
Uitgaven
a. Sedulius, Diva Virgo, 10-11 (onvolledig). – b. ‘Notice historique' (onvolledig), 106, naar a. – c. Schaepkens, ‘Anciens diplȏmes’, 384-386 (gedateerd 1284), naar A. – d. Willemsen, ‘Inventaire’, 182-184, nr. 15, naar A.
Regesten
Habets, ‘Codex diplomaticus’, 47, nr. 83. – Doppler, ‘Verzameling [800-1273]’, 260-261, nr. 215. – Haas, Chronologische lijst, 78, nr. 203. – Nuyens, Inventaris Sint-Servaas, 100, nr. 439.
Ontstaan en samenhang
Onderhavige oorkonde is gebruikt voor de redactio van de oorkonde van Bonaventura, bisschop van Ceos, die op 24 februari 1289 een aflaat verleent (zie Collectie Sint-Servaaskapittel, nr. 60). Voor de bevestiging van onderhavige oorkonde door Jan IV, bisschop van Luik, d.d. 1287 mei 8, zie Collectie Sint-Servaaskapittel, nr. 57.
Datering
Onderhavige oorkonde is gedateerd op 29 januari in het derde pontificaatsjaar van paus Martinus IV, dat loopt van 23 maart 1283 tot en met 22 maart 1284. Bijgevolg is deze oorkonde gedateerd in 1284.
Tekstuitgave
Het onderscheid tussen c en t is niet altijd goed zichtbaar.

Nummer 52
Osto van Thorn heeft zijn hoeve Cuevorde, gelegen bij het dorp Thorn, met de gebouwen, bouwwerken en alle toebehoren die hij in cijnsrecht hield van de abdis van Thorn, aan de abdis verkocht en overhandigd tegen een zekere koopsom die hij van haar heeft ontvangen in geteld geld, overhandigd en uitbetaald. Hij heeft deze hoeve met de gebouwen, bouwwerken en alle toebehoren overgedragen en afgestaan en heeft ten overstaan van abdis, convent en de leenmannen en vazallen zodanig gehandeld dat dit ten aanzien van deze verkoop, overdracht, afstand en levering voldoende was voor de abdis, conform het vonnis van haar leenmannen en vazallen, uitgesproken door Hendrik van Baexem, ridder, haar vazal, die daartoe gevraagd was samen met het aanwezige gevolg van leenmannen en vazallen van de abdis, zoals hieronder genoemd. En zo is door het bovenstaande vastgesteld tussen abdis, convent en haar mensen enerzijds en Osto anderzijds dat hij vrijwillig afstand heeft gedaan en afstand doet van iedere actie die hem om welke reden dan ook tot op de dag van vandaag zou kunnen toekomen tegen de abdis, het convent en hun mannen.
Hierbij waren, samen met de heer van Horn, de leenmannen en vazallen van de abdis aanwezig, namelijk: Hendrik van Baexem, Godfried Bert, ridders, Marsilius van Berg, Koenraad de Cimiterio (van de Kerkhof), Gijsbert van Bocholt, Jan de Curia, Lambert, zijn broer, Mathias, zoon van Godfried Bert; bovendien waren ook aanwezig de proost van Emmerik, de deken, cantor en scholaster van het Onze-Lieve-Vrouwekapittel te Maastricht en vele andere betrouwbare mannen.
Osto van Thorn heeft gevraagd aan Walram, heer van Valkenburg, Gozewijn, heer van Born, en Osto, zijn zoon, ridder, om te bezegelen en zij hebben op zijn verzoek bezegeld.
Gedaan en gegeven op 23 januari 1287.
Osto van Thorn verkoopt aan de abdis van Thorn de hoeve Cuevorde, gelegen bij Thorn, die hij van haar in cijns houdt.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 01.187A, archief Vrije Rijksheerlijkheid Thorn, inv. nr. 65.
Aantekeningen op de achterzijde: 1o door 13e/14e-eeuwse hand: Venditio curtis de Cuvorde. – 2o door 15e-eeuwse hand: Oysto, venditio de Koevort, V. – 3o door tweede helft 18e-eeuwse hand: Curtis de Cuevorde in censum data fuit ab abbatissa Thorensi ac reddita pretio retroaditur per presens instrumentum, Broeckmeulen. – 4o door 18e-eeuwse hand: 1286, A.
Bezegeling: drie bevestigingsplaatsen voor de aangekondigde zegels van Walram, heer van Valkenburg, Gozewijn, heer van Born, en Osto, zoon van Gozewijn, heer van Born (LS1, LS2 en LS3).
Afschriften
B. 18e eeuw, Ibidem, toegangsnr. 01.187B, archief Vrije Rijksheerlijkheid Thorn, inv. nr. 1629 = Codex of cartularium IV, 992-1762 (band notariële afschriften abdij Thorn), p. 51, met opgave van drie zegelplaatsen, eenvoudig afschrift. – C. laatste kwart 18e eeuw, Ibidem, toegangsnr. 01.187B, archief Vrije Rijksheerlijkheid Thorn, inv. nr. 1631, Cartularium, p. 17-19, onder de rubriek: Osto de Thorne cedit domine abbatisse Thorensi prediolum seu villam dictam Cuevorde anno 1286, met opgave van drie bezegelingsplaatsen, eenvoudig afschrift, naar A.
Uitgaven
a. Franquinet, Beredeneerde inventaris Thorn, 65-66, nr. 41(gedateerd 23 januari 1286), naar A. – b. Habets, Archieven Thorn, 58-59, nr. 65 (gedateerd 23 januari 1286), naar a.
Regest
Haas, Chronologische lijst, 81, nr. 211 (gedateerd 23 januari 1286).
Datering
Het gebruik van paasstijl in het bisdom Luik is verondersteld, zie Camps, ONB I, XXI, en Dillo en Van Synghel, ONB II, XVII.
Tekstuitgave
Het onderscheid tussen c en t is niet goed zichtbaar.

Nummer 52
Boudewijn Caseus en Jan Suevus, schepenen van Maastricht, maken bekend dat ten overstaan van hen Arnoud, gewezen werkmeester van de Sint-Servaaskerk te Maastricht, zijn echtgenote en hun kinderen erfrechtelijk afstand hebben gedaan en plechtig hebben afgezien van een jaarlijkse cijns van zeven schelling Luiks en vier penning, namelijk vier schelling Luiks ten behoeve van het altaar in de Sint-Servaaskerk, bij de tombe van de heilige Monulfus en Gondulfus, en de overige veertig penning Luiks ten behoeve van Garsilius, priester, pastoor van de Sint-Joriskapel te Maastricht, en van degene aan wie Garsilius deze veertig penning nalaat. Deze cijns is jaarlijks eeuwig te ontvangen uit het huis waar Hendrik de Oude, vleeshouwer, nu woont, met het aangrenzende erf, in twee termijnen, de ene helft op twee februari en de andere op één augustus. Arnoud heeft aan Garsilius en de priester van het altaar beloofd vrijwaring te verstrekken en elke rechtmatige klacht binnen jaar en dag af te doen. Desalniettemin heeft Arnoud ook aan Garsilius en de priester van het altaar beloofd het gehele tekort van de cijns aan te vullen zolang hij leeft.
Gedaan en gegeven op 3 mei 1284.
De tegenpartij heeft een gelijkaardige oorkonde.
Schepenen van Maastricht oorkonden dat Arnoud, gewezen werkmeester van de Sint-Servaaskerk te Maastricht, zijn echtgenote en hun kinderen afstand hebben gedaan van een jaarlijkse cijns van zeven schelling Luiks en vier penning, gevestigd op het huis (te Maastricht) waarin Hendrik de Oude, vleeshouwer, woont.
Originelen
A1. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002A, archief kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 454.
Aantekeningen op de achterzijde: 1o door 13e-eeuwse hand: Littera de diversis censibus. – 2o door 14e-eeuwse hand: De IIIIor solidis pertinentibus ad altare sanctorum Monulphi et Gundulphi et de XL denariis pertinentibus ad festum transfiguracionis, 17. – 3o door 16e-eeuwse hand: 1284. – 4o door 17e-eeuwse hand: III.
Bezegeling: twee bezegelingsplaatsen, vermoedelijk voor de aangekondigde zegels van Boudewijn Caseus en Jan Suevus, schepenen van Maastricht (LS1 en LS2).
[A2]. Niet voorhanden, maar bekend uit A1.
Afschrift
Niet voorhanden.
Uitgave
a. Nève, De dertiende-eeuwse schepenoorkonden, 57-58 (met onvolledige vertaling), nr. 1284.05.03, naar A1.
Regesten
Doppler, ‘Schepenbrieven’, 25-26, nr. 9. – Haas, Chronologische lijst, 79, nr. 204. – Nuyens, Inventaris Sint-Servaas, 102, nr. 454.
Ontstaan
Deze oorkonde is geschreven door een scriptor die schepenoorkonden van Maastricht mundeert en kan worden gelokaliseerd in het milieu van de schepenbank van Maastricht, zie Collectie Sint-Servaas, nr. 50 onder Ontstaan.
Tekstuitgave
Het onderscheid tussen c en t is niet altijd goed zichtbaar.

Nummer 53
Tussen abdis en convent van de abdij van Thorn enerzijds en de pastoor van Thorn anderzijds is een geschil ontstaan over de presentatie van de abdis, die namens de abdij het patronaatsrecht heeft van de parochiekerk van Thorn. Diezelfde pastoor van Thorn heeft en houdt dit de afgelopen vijf jaar. En sinds mensenheugenis ontvangt en is de abdij tot nu toe gewoon om twee derden van alle tienden van de parochie van Thorn te ontvangen, en de pastoor één derde. In deze parochie zijn zekere akkers gelegen, waarvan de abdij twee derden van de tienden en de pastoor één derde heeft, zoals zij die van alle andere akkers tot nu toe hebben. De pastoor beweert dat deze akkers al sinds mensenheugenis in cultuur gebracht zijn. En daarom zegt de pastoor dat dergelijke tienden als van nieuwe akkers volledig tot hem en zijn parochiekerk moeten behoren en hij vraagt in zijn naam en die van zijn kerk om deze tienden aan hem toe te wijzen.
Hierop antwoorden abdis en convent dat de abdij tot nu toe alle tienden van de parochie van Thorn ontving en hief, en deze kon en kan ontvangen en heffen krachtens de oude en goedgekeurde gewoonte, en dat de abdij de tienden van de genoemde akkers, waaruit haar [***] deze delen toekomt, al veertig jaar en langer geheven heeft en ontvangen heeft en deze vredig in haar bezit waren alsof ze deze kon heffen, zodat de abdij het recht om de tiend in deze akkers te heffen en deze akkers met tienden te belasten heeft opgeëist. Waarop de al genoemde pastoor repliceerde, omdat de genoemde tienden van de genoemde akkers novale tienden zijn, dat de abdij van Thorn niets kon of mocht bepalen tegen de parochiekerk van Thorn. Hierover hebben abdis en convent van Thorn aan de deken, en de pastoor van Thorn aan de cantor van de Onze-Lieve-Vrouwekerk van Maastricht, toevertrouwd dat zij volgens raadpleging van eerbare mannen, namelijk van de deken en het kapittel van de domkerk te Luik, ervoor moeten zorgen een uitspraak te doen volgens het recht of de tienden van de genoemde akkers voor twee derde aan abdis en convent dan wel onverdeeld aan de pastoor van Thorn zouden moeten toebehoren. En daarom verzoeken de deken en cantor van de Onze-Lieve-Vrouwekerk van Maastricht aan de deken en het kapittel van Luik om over de hiervoor gestelde zaken te antwoorden wat recht is. En de deken en de cantor hebben Jan van Thorn, de clericus die dit overhandigt, als hun vertegenwoordiger aangesteld om van de deken en het kapittel van Luik een advies te verkrijgen over wat recht is in de voornoemde zaak, en zij hebben er hun zegels aangehangen.
Gedaan op 3 juli 1287.
Beoorkond wordt het verzoek van deken en cantor van het Onze-Lieve-Vrouwekapittel te Maastricht namens abdis en convent van Thorn enerzijds en de pastoor van Thorn anderzijds om de deken en het kapittel van de domkerk van Luik te raadplegen inzake de beslechting van hun geschil over de novale tienden in de parochie van Thorn. Deken en cantor van het Onze-Lieve-Vrouwekapittel hebben Jan, pastoor van Thorn, als hun vertegenwoordiger aangesteld om dit juridisch advies te verwerven in Luik.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 01.187A, archief Vrije Rijksheerlijkheid Thorn, inv. nr. 66. Beschadigd met tekstverlies.
Aantekeningen op de achterzijde: 1o door 16e-eeuwse hand: Compositio inter capittulum et investitum Thorensem, 1367 (sic), T. – 2o door 17e-eeuwse hand: V.
Bezegeling: door het uitscheuren van het perkament onderaan kan niet meer worden vastgesteld of de aangekondigde bezegeling is aangebracht.
Uitgave
Niet eerder uitgegeven.
Regesten
Franquinet, Beredeneerde inventaris Thorn, 66-67, nr. 42. – Habets, Archieven Thorn, 59-60, nr. 66. – Haas, Chronologische lijst, 83, nr. 218.
Samenhang
Voor de overeenkomst tussen abdis en convent van de abdij van Thorn met de pastoor van Thorn, de scheidsrechtelijke uitspraak door deken en cantor van het Onze-Lieve-Vrouwekapittel te Maastricht, alsmede het verzoek aan de bisschop van Luik om deze te bekrachtigen, zie Collectie Thorn, respectievelijk nrs. 54, 55 en 58.
Tekstuitgave
De ontbrekende delen van woorden in A zijn waar mogelijk aangevuld.

Nummer 53
Jan, hertog van Lotharingen en Brabant, maakt aan zijn schout, schepenen en al zijn andere mannen te Maastricht bekend dat zijn rechten, die van de kerk van Luik en van zijn mannen wederzijds in de stad Maastricht reeds lang zijn onderscheiden door een verordening en bepaling van de Roomse keizers en koningen, van wie hij deze rechten heeft ontvangen en bezit, en dat onder meer door dezelfde verordening is vastgesteld dat zijn mensen die te Maastricht verblijven hun mout moeten malen op de molen van de Sint-Servaaskerk, die van deze kerk afhangt en die zij bezit. De hertog is de verdediger in wereldlijke zaken van de Sint-Servaaskerk en hij wil dan ook dat de kerk van dit eigen recht kan genieten en dat de mannen die deze molen erfrechtelijk van deze kerk houden, zich in dit deel over de verschuldigde vrijheid kunnen verheugen. Derhalve beveelt hij zijn getrouwen op grond van de verschuldigde trouw, waardoor ze aan hem gebonden zijn, om van nu af aan voortaan hun mout naar deze molen te brengen, en niet elders. Indien ze anders handelen, dan gelast hij zijn schout om de overtreders te dwingen om, indien nodig, uit hun eigen goederen de schade te herstellen zonder een ander bevel af te wachten.
Gedaan te Brussel, op 4 maart 1285.
Jan I, hertog van Brabant, gelast zijn mannen te Maastricht hun graan te laten malen in de molen van het Sint-Servaaskapittel te Maastricht.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002A, archief kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 819.
Aantekeningen op de achterzijde: 1o door 15e-eeuwse hand: Mandatum domini (door schrijfhand bovengeschreven) Iohannis (door schrijfhand bovengeschreven), ducis Iohannis (door latere hand bovengeschreven) Brabancie, ad scultetum penale super facto molendini brachii / cap/4. – 2o door 16e-eeuwse hand: anno 1284 / 98. – 3o door 17e-eeuwse hand:II / In capsula ducalium / excopiatum 6. – 4o door 18e-eeuwse hand: JO 17.
Bezegeling: één uithangend bevestigd zegel, dat aangekondigd is, namelijk: S1 van Jan I, hertog van Brabant, van bruine was, beschadigd, met CS1, gaaf. Voor een beschrijving en afbeelding van S1 en CS1, zie Venner, ‘Zegels’, nr. 51.
Afschriften
B. 17e eeuw, Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002A, archief kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 12 (cartularium) = Cartularium ecclesie collegialis Sancti Servati (aldus) Trajecti ad Mosam, tomus secundus, Documenta imperialia et ducalia, fol. 4r-4v, onder caput: Ducalia, en onder de rubriek: Mandatum domini Iohannis, ducis Brabantie, penale ad schultetum super facto molendini brasii, gewaarmerkt afschrift door Hendrik Lenssens, kapittelsecretaris en openbaar notaris, geadmitteerd door de Raad van Brabant, naar A. – C. vóór 1768, Ibidem, toegangsnr. 22.001A, Handschriftencollectie (voormalig) Gemeentearchief Maastricht, 14de-20ste eeuw, inv. nr. 199a (cartularium) = Diplomata Trajectensia de anno 800 ad 1664, p. 463, onder de rubriek: Mandatum Ioannis, ducis Brabantie, de molendino brasii ad ecclesiam Sancti Servatii pertinente, anno 1283, die martis post Letare, mogelijk naar A. – D. vóór 1768, Ibidem, toegangsnr. 22.001A, Handschriftencollectie (voormalig) Gemeentearchief Maastricht, 14de-20ste eeuw, inv. nr. 199a (cartularium) = Diplomata Trajectensia de anno 800 ad 1664, p. 465, onder de rubriek: 1285, Mandatum Ioannis, ducis Brabantie, de molendino brasii ad capitulum Sancti Servatii a hominibus ducis frequendando, anno Domini 1284, die qua cantatur Letare Ierusalem, mogelijk naar A.
Uitgave
Niet eerder uitgegeven.
Regesten
Doppler, ‘Verzameling [800-1273]’, 262, nr. 217. – Haas, Chronologische lijst, 79-80, nr. 207. – Nuyens, Inventaris Sint-Servaas, 150, nr. 819.
Datering
Het gebruik van de paasstijl door de hertogen van Brabant is aangenomen, zie Camps, ONB I, XXI.
Tekstuitgave
Het onderscheid tussen c en t is niet altijd goed zichtbaar.
Nummer 54
Guda, abdis, en het convent van de abdij van Thorn maken bekend dat zij Jan van Baexem, pastoor van Thorn, tien malder rogge en tien malder haver geven in de maat die in het gebied van de heerlijkheid van Horn gebruikelijk is en beloven die jaarlijks op 11 november te leveren zolang hij leeft. Jan belooft, voor zover dat aan hem is, op gevaar van verlies van de genoemde twintig malder dat, indien abdis en convent over de heffing van de novale tienden voor de twee derden in de kerken waarvan zij de patroon zijn van de paus of anders een bevestiging of vergunning zouden krijgen, dat hij daar dan, als dat al in zijn macht ligt, zijn instemming en steun aan zal geven. En indien daar een oorkonde moet over worden opgesteld om deze bevestiging of vergunning te verkrijgen, dan zal hij die met zijn eigen zegel bezegelen.
Jan, pastoor van Thorn, en abdis en convent van Thorn hebben bezegeld.
Gegeven op 13 juli 1287.
Guda (van Rennenberg), abdis, en convent van de abdij van Thorn geven aan Jan van Baexem, pastoor van Thorn, jaarlijks tien malder rogge en tien malder haver zolang hij leeft. Jan belooft op gevaar van verlies van deze schenking zijn goedkeuring te hechten aan een pauselijke of een andere bevestiging ten gunste van abdis en convent inzake de heffing van twee derden van de novale tienden in de kerken waarvan zij het patronaatsrecht hebben. Indien hiervoor een oorkonde moet worden opgesteld, dan zal hij die met zijn eigen zegel bezegelen.
Origineel
[A]. niet voorhanden, maar bekend uit B.
Afschrift
B. 14e eeuw, Maastricht, HCL, toegangsnr. 01.187A, archief Vrije Rijksheerlijkheid Thorn, inv. nr. 102a, naar [A].
Uitgave
a. Habets, Archieven Thorn I, 60, nr. 67, naar B.

Nummer 54
Boudewijn Caseus, Jan Suevus, Olbert Colsop en Godfried van Montenaken, schepenen van Maastricht, maken bekend dat zij als schepenen aanwezig waren en hebben gezien en gehoord dat Arnoud, dienaar van de Sint-Servaaskerk te Maastricht, heeft erkend en mondeling verklaard dat hij samen met Margareta, zijn echtgenote, oudste dochter van wijlen Woutulus, met dezelfde hand en unaniem voor eeuwig een jaarlijkse cijns van één mark Luiks heeft gegeven voor zes altaren in de Sint-Servaaskerk, namelijk vijf schelling Leuvens van vijf kleine oude penningen voor elk altaar. Ook heeft Arnoud daar op hetzelfde uur erkend dat hij aan deken en kapittel van de Sint-Servaaskerk een jaarlijkse cijns van één mark Luiks heeft gegeven voor zijn jaargetijde. Arnoud heeft een huis waarin Adam, maker van koperen potten, woont en de achtergelegen schuur aangewezen om de jaarlijkse cijnzen van twee mark Luiks uit te ontvangen. Uit dit huis en de schuur wordt aan schepen Jan Suevus wekelijks twee penning Luiks betaald en op Kerstmis altijd twee kapoenen als jaarlijkse cijns voor een allodium.
Gedaan op 20 juni 1285.
Schepenen van Maastricht oorkonden dat Arnoud, dienaar van de Sint-Servaaskerk te Maastricht, en zijn echtgenote Margareta een jaarlijkse cijns van één mark Luiks hebben geschonken, gevestigd op het huis met achterliggende schuur (te Maastricht) dat wordt bewoond door Adam, maker van koperen potten, ten bate van zes altaren in de kerk, alsmede eenzelfde jaarlijkse cijns aan deken en kapittel van Sint-Servaas voor zijn jaargetijde.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002A, archief kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 455.
Aantekeningen op de achterzijde: 1o door 15e-eeuwse hand: Arnoldi, officiati ecclesie, de XX solidis pertinentibus ad sex altaria; item de aliis XXti solidis pertinentibus ad suum anniversarium, 18 / a 33. – 2o door 16e-eeuwse hand: 326 / 1285.
Bezegeling: vier bevestigingsplaatsen, vermoedelijk voor de niet aangekondigde zegels van Boudewijn Caseus, Jan Suevus, Olbert Colsop en Godfried (Christofori of) van Montenaken, schepenen van Maastricht (LS1, LS2, LS3 en LS4).
Afschrift
Niet voorhanden.
Uitgaven
a. Doppler, ‘Schepenbrieven’, 26-27, nr. 10, naar A. – b. Nève, De dertiende-eeuwse schepenoorkonden, 63-64 (met onvolledige vertaling), nr. 1285.06.20, naar A.
Regesten
Haas, Chronologische lijst, 80, nr. 208. – Nuyens, Inventaris Sint-Servaas, 102, nr. 455.
Ontstaan
Deze oorkonde is geschreven door een scriptor die schepenoorkonden van Maastricht mundeert en kan worden gelokaliseerd in het milieu van de schepenbank van Maastricht, zie Collectie Sint-Servaas, nr. 50 onder Ontstaan.

Nummer 55
Alexander en Hendrik, respectievelijk deken en cantor van het Onze-Lieve-Vrouwekapittel te Maastricht, maken bekend dat zij aangesteld zijn als scheidrechters in het geschil tussen abdis en convent van de abdij van Thorn enerzijds en Jan, pastoor van de parochiekerk van Thorn, anderzijds inzake de novale tienden van die parochie, het kanonikaat en de prebende die Jan, plaatsvervangend pastoor van de kerk van Oirschot, heeft in het klooster van Thorn en die volgens hem bij zijn kerk hoorden, alsmede inzake bepaalde parochiale rechten van de pastoor, zoals beschreven in de oorkonde waarin daarover een compromis staat. Na het nauwgezet bekijken van de inhoud van het compromis en competente beraadslaging, na het inwinnen van advies van rechtsgeleerden en het doen van alles op de juiste wijze, hebben Alexander en Hendrik in dit geschil als volgt uitspraak gedaan: abdis en convent zullen voor zichzelf en voor het klooster, en Jan zal voor zichzelf en zijn kerk, zowel de oude als de novale tienden kunnen heffen en ontvangen op die akkers waarop ze dat tot dusverre gewoon waren en op diezelfde wijze. Van de toekomstige novale tienden zal de pastoor echter één derde en de abdij twee derden ontvangen, zoals zij dat hier rechtens moeten doen volgens de gewoonte die tot dusverre in acht is genomen door de domkerk van Luik en waarover Alexander en Hendrik door andere rechtsgeleerden zijn geïnstrueerd.
Ook verklaren zij dat Jan uit hoofde van zijn kerk geen enkel recht heeft op het kanonikaat en de prebende, omdat niet vaststaat of vast kan staan dat door een hogere, daartoe gemachtigde autoriteit, dit kanonikaat en deze prebende verbonden zijn aan de parochiekerk van Thorn of de parochiekerk aan het kanonikaat en de prebende. Zij bepalen tevens dat de klok die ’s ochtends gewoonlijk wordt geluid in het klooster, ook moet worden geluid voor de feestelijkheden van Kerstmis, Maria Lichtmis, Palmzondag, Pasen, alsmede bij de mis voor overleden vazallen, voor de familia van abdis en convent en voor iedereen van het convent, zoals dat in het klooster tot dusverre gewoonte is geweest. Verder verklaren zij dat de kapelaans van de altaren van het klooster geen giften mogen ontvangen van de parochianen van de pastoor bij de vier grote feesten, de dertig-dagen-vieringen en andere dodenmissen en speciale missen, tenzij eerst voor hen vaststaat dat de pastoor of zijn plaatsvervanger uit deze giften voldaan is. Voorts doen zij de uitspraak dat de dienstboden van abdis en convent die bij hen verblijven en inwonen, evenals de vier gebeneficieerden, die zij zusters noemen, voor hun persoon vrijgesteld zijn van parochierechten, tenzij zij van de pastoor of zijn plaatsvervanger de kerkelijke sacramenten ontvangen; maar deze dienstboden, deze zusters uit de huizen én de familia, indien zij deze zouden hebben buiten de immuniteit van het klooster, vallen onder de parochiale rechten. Eveneens verklaren Alexander en Hendrik dat de vier huizen die men dienstgebouwen noemt, waarvan één gelegen is richting het klooster en drie daar tegenover over de beek, behoren bij de kloostergebouwen en dat deze uitgezonderd zijn van de parochierechten, tenzij die huizen bewoond worden door personen die elders tot parochierechten verplicht zijn. Zij bevelen partijen om deze uitspraak in acht te nemen op straffe van wat in het compromis is opgenomen en behouden zich met instemming van partijen de macht voor tot verheldering of interpretatie, mocht er twijfel of onduidelijkheid ontstaan; partijen hebben zich echter vrijwillig en vrij aan hun uitspraken onderworpen.
Alexander en Hendrik hebben hun zegels aan deze oorkonde gehangen, samen met abdis en convent van Thorn, de pastoor van Thorn, en met Jan, proost van Sint-Andreas te Keulen, Jan van Geistingen, kanunnik te Kortessem, en Hendrik van Baexem, ridder, vader van Jan, pastoor van van de parochiekerk van Thorn, die bij dit alles aanwezig waren.
Abdis en convent van Thorn, en Jan, pastoor van Thorn, de voorgaande zaken accepterend en deze uitspraak goedkeurend, alsmede proost Jan van Geistingen en Hendrik van Baexem, gevraagd door beide partijen, hebben bezegeld.
Gedaan en gegeven op 14 juli 1287.
Alexander, deken, en Hendrik van Houthorne, cantor van het Onze-Lieve-Vrouwekapittel te Maastricht, doen uitspraak in het geschil tussen abdis en convent van de abdij van Thorn enerzijds en Jan, pastoor van de parochiekerk van Thorn, anderzijds inzake de novale tienden in de parochie van Thorn, het kanonikaat, zijn prebende en zekere parochiale rechten.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 01.187A, archief Vrije Rijksheerlijkheid Thorn, inv. nr. 68.
Aantekeningen op de achterzijde: 1o door 16e-eeuwse hand: Declaratio arbitralis ex parte capituli et pastoris in Thoren super decimis tam maioribus, minutis quam novalibus et multis aliis, 1287. ‒ 2o door 17e-eeuwse hand: T doorgestreept. ‒ 3o door 18e-eeuwse hand: I.
Bezegeling: vijf uithangend bevestigde zegels, die aangekondigd zijn, namelijk: S1 van Alexander, deken van het Onze-Lieve-Vrouwekapittel te Maastricht, van bruine was, beschadigd, met op de zegelstaart decanus. ‒ S3 van Guda van Rennenberg, abdis van Thorn, van bruine was, beschadigd, met op de zegelstaart abbatissa. ‒ S4 van het convent van de abdij van Thorn, van bruine was, beschadigd, met op de zegelstaart conventus. ‒ S5 van Jan van Baexem, pastoor van de parochiekerk van Thorn, van bruine was, beschadigd, met op de zegelstaart investitus. ‒ S6 van Jan, proost van het Sint-Andreaskapittel te Keulen, van bruine was, licht beschadigd, met op de zegelstaart [***un***]; en drie bevestigingsplaatsen, vermoedelijk voor de overige drie overige aangekondigde zegels van Hendrik, cantor van het Onze-Lieve-Vrouwekapittel te Maastricht, (LS2), van Jan van Geistingen, kanunnik van het Sint-Pieterskapittel te Kortessem, met op de zegelstaart Iohannes de (LS7) en van Hendrik van Baexem, ridder, met op de zegelstaart H. de (LS8), Voor een beschrijving en afbeelding van S1, S3, S4, S5 en S6, zie Venner, ‘Zegels Thorn’, respectievelijk 24-25, 34, 32-34, 35 en 20-21.
Afschriften
B. eerste helft 15e eeuw, Ibidem, toegangsnr. 01.187B, archief Vrije Rijksheerlijkheid Thorn, inv. nr. 1628 (voorheen cartularium nr. 1) = Cartularium abbatiae imperialis Thorensis, 966-1600, p. 98-99 (oude fol. 53v-54r), onder de rubriek: E, Concordia inter abbatissam et conventum Thorensem cum Iohanne de Baexen, investito parrochialis ecclesie Thorensis, naar A. – C. 1669, Ibidem, toegangsnr. 01.187B, archief Vrije Rijksheerlijkheid Thorn, inv. nr. 1629 = Codex of cartularium IV, 992-1762 (band notariële afschriften abdij Thorn), p. 53-55, authentiek afschrift door J. Bachuys, apostolisch notaris, naar A.
Uitgave
Niet eerder uitgegeven.
Regesten
Franquinet, Beredeneerde inventaris Thorn, 67-69, nr. 43 (gedateerd 1287 juli 29). – Habets, Archieven Thorn, 60-61, nr. 68 (gedateerd 1287 juli 29). – Haas, Chronologische lijst, 83, nr. 219.
Samenhang
Voor het verzoek om juridisch advies door deken en cantor van het Onze-Lieve-Vrouwekapittel te Maastricht aan deken en kapittel van de domkerk te Luik, alsmede het verzoek aan de bisschop van Luik om de scheidsrechtelijke uitspraak te bekrachtigen, zie respectievelijk nrs. 53 en 58.

Nummer 55
Boudewijn Caseus en Jan Suevus, schepenen van Maastricht, maken bekend dat zij als schepenen aanwezig waren en hebben gezien en gehoord dat Arnoud, dienaar van de Sint-Servaaskerk te Maastricht, zijn echtgenote en hun kinderen erfrechtelijk afstand hebben gedaan en plechtig afgezien van een jaarlijkse cijns van één mark Luiks ten behoeve van deken en kapittel van de Sint-Servaaskerk, elk jaar eeuwig te ontvangen op Allerheiligen uit het huis waar Arnoud nu woont en dat van wijlen Woutulus, zijn schoonvader was, en dit zonder enig gewin te ontvangen of te betalen onmiddellijk na de cijns van vijftien schelling Luiks en vier kapoenen als jaarlijkse cijns voor een allodium aan de grondheer van het huis. En zij hebben zoveel gedaan dat ten tijde van de afstand in alle opzichten aan deken en kapittel is voldaan. Arnoud heeft beloofd vrijwaring te verstrekken aan deken en kapittel en elke rechtmatige klacht binnen jaar en dag af te doen; en indien de cijns binnen jaar en dag zal worden uitgewonnen, wat in de volkstaal bescodden wordt genoemd, zal hij zoveel penningen moeten afstaan aan deken en kapittel over een evenlange tijdspanne als hij voor de verkoop van de cijns onder zich heeft gehouden. En om dit te bewerkstelligen heeft hij de schepenen Jan Suevus en Boudewijn Caseus als borgen aangesteld.
Gedaan op 25 juni 1285.
Schepenen van Maastricht oorkonden dat Arnoud, dienaar van de Sint-Servaaskerk te Maastricht, zijn echtgenote en hun kinderen afstand hebben gedaan van een jaarlijkse cijns van één mark Luiks, gevestigd op zijn woonhuis (te Maastricht), ten behoeve van deken en kapittel van Sint-Servaas.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002A, archief kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 456.
Aantekeningen op de achterzijde: 1o door 15e-eeuwse hand: De XXti solidis quos Henricus Specht emit ad anniversarium domini Ottonis de Iuliaco, prepositi, 19 / S / III / c 31. – 2o door 16e-eeuwse hand: 1285 / 182.
Bezegeling: twee uithangend bevestigde zegels, die niet aangekondigd zijn, namelijk: S1 van Boudewijn Caseus, schepen van Maastricht, van bruine was, beschadigd. – S2 van Jan Suevus, schepen van Maastricht, van bruine was, beschadigd. Voor een beschrijving en afbeelding van S1 en S2, zie Venner, ‘Maastrichtse schepenzegels’, 170-171, afb. 17, en Idem, ‘Zegels klooster Sint-Gerlach’, 162.
Afschrift
Niet voorhanden.
Uitgave
a. Nève, De dertiende-eeuwse schepenoorkonden, 64-65 (met onvolledige vertaling), nr. 1285.06.25, naar A.
Regesten
Doppler, ‘Schepenbrieven’, 27, nr. 11. – Haas, Chronologische lijst, 80, nr. 209. – Nuyens, Inventaris Sint-Servaas, 102, nr. 456.
Ontstaan
Deze oorkonde is geschreven door een scriptor die schepenoorkonden van Maastricht mundeert en kan worden gelokaliseerd in het milieu van de schepenbank van Maastricht, zie Collectie Sint-Servaas, nr. 50 onder Ontstaan.
Tekstuitgave
Het onderscheid tussen c en t is niet altijd goed zichtbaar.

Nummer 56
Gegeven door middel van een afschrift onder het zegel van broeder Willem, proost van Sint-Gerlach, van de Premonstratenzerorde.
In naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.
– – – (hierna volgt de tekst van de gekopieerde oorkonde, zie Van Synghel, Oorkonden Sint-Gerlach, 30-33, nr. 3).
Gegeven door middel van een afschrift op 9 augustus 1287.
Willem, proost van Sint-Gerlach te Houthem, geeft een afschrift van de oorkonde d.d. (1231 december 25-) 1232 (september 23) inzake de verkoop door Jan Gruszere van cijnsplichtige akkers te Houthem aan het klooster Sint-Gerlach, met instemming van de Onze-Lieve-Vrouwekerk te Thorn.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 01.187A, archief Vrije Rijksheerlijkheid Thorn, inv. nr. 69. Gelinieerd.
Aantekeningen op de achterzijde: 1o door 17e-eeuwse hand: Ioannes Crasgert vendidit agros censuales cum consensu capituli, 1287, V doorgestreept. – 2o door 18e-eeuwse hand: C.
Bezegeling: één uithangend bevestigd zegel, dat aangekondigd is, namelijk: S1 van Willem proost van Sint-Gerlach te Houthem, van groene was, beschadigd. Voor een beschrijving en afbeelding van S1, zie Venner, ‘Zegels Thorn’, 34-35.
Uitgave
Niet eerder uitgegeven.
Regesten
Habets, Archieven Thorn, 61-62, nr. 69. – Haas, Chronologische lijst, 83, nr. 220.

Nummer 56
Olbert, Godfried Christofori en Robert de Moneta, schepenen van Maastricht, maken bekend dat ten overstaan van hen Gerard van Boxberc afstand heeft gedaan van een jaarlijkse cijns van achttien schelling Luiks, elk jaar te ontvangen uit het huis van Reinier, zoon van wijlen Anton, dat eertijds van Godfried van Wijlre en zijn echtgenote en kinderen was, ten bate van zes altaren in de Sint-Servaaskerk te Maastricht, namelijk het altaar in de crypte onder het Heilig Kruis, dat van de heilige Nicolaas, van Laurentius, in het midden van de kerk en op het nieuwe werk. Zij hebben plechtig afgezien van deze cijns zodat aan alle eisen is voldaan. Gerard heeft beloofd vrijwaring te verstrekken binnen jaar en dag, een rechtmatige klacht af te doen, zoals gebruikelijk, en hij heeft deze goederen als allodium verkocht en zal hiervoor vrijwaring verstrekken. Ook heeft hij beloofd, indien de genoemde cijns zou worden uitgewonnen, om zoveel penningen te lenen als hij heeft ontvangen ter gelegenheid van de verkoop en gedurende dezelfde tijdspanne. Over alle bedingen heeft hij al zijn goederen als onderpand gesteld.
Olbert, Godfried en Robert hebben bezegeld.
Gedaan op 6 oktober 1285.
Schepenen van Maastricht oorkonden dat Gerard van Boxberc een jaarlijkse cijns van achttien schelling Luiks, gevestigd op het huis van Reinier, zoon van wijlen Anton, heeft overgedragen ten bate van zes altaren in de Sint-Servaaskerk te Maastricht.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002H, archief Broederschap der kapelanen van Sint-Servaas te Maastricht, 1139-1797, inv. nr. 143.
Aantekening op de achterzijde: 1o door 18e-eeuwse hand: 1285 6 octobris.
Bezegeling: twee uithangend bevestigde zegels, die aangekondigd zijn, namelijk: S2 tweede zegel van Godfried Christofori (of van Montenaken), schepen van Maastricht, van bruine was, beschadigd. – S3 van Robert de Moneta, schepen van Maastricht, van bruine was, beschadigd; en één bevestigingsplaats, vermoedelijk voor het aangekondigde zegel van Olbert (Colsop), schepen van Maastricht (LS1). Voor een beschrijving en afbeelding van S2 en S3, zie Venner, ‘Maastrichtse schepenzegels’, 175, afb. 34 en 175, afb. 36.
Afschrift
Niet voorhanden.
Uitgaven
a. Willemsen, ‘Inventaire’, 186-187, nr. 17, naar A. – b. Nève, De dertiende-eeuwse schepenoorkonden, 65-66 (met onvolledige vertaling), nr. 1285.10.06, naar A.
Regesten
Doppler, ‘Schepenbrieven’, 27-28, nr. 12. – Haas, Chronologische lijst, 80, nr. 210. – Nuyens, Inventaris Sint-Servaas, 219, nr. 143.
Ontstaan
Deze oorkonde is geschreven door een scriptor die schepenoorkonden van Maastricht mundeert en kan worden gelokaliseerd in het milieu van de schepenbank van Maastricht, zie Collectie Sint-Servaas, nr. 38 onder Ontstaan.
Tekstuitgave
Het onderscheid tussen c en t is niet altijd goed zichtbaar.
Nummer 57
Guda van Rennenberg, abdis, en het convent van de abdij van Thorn maken bekend dat het billijk is dat degenen die God dienen, aangezien het nodig is, de personen namelijk die voor de dienst van God bestemd zijn, niet met tijdelijke zaken belast worden en zorgvuldig ondersteund worden, opdat ze de geestelijke zaken, die de wereldlijke ver te boven gaan, niet in de steek laten.
Daarom maken zij aan de gemeenschap bekend, omdat ze op grond van deze overweging behoefte hebben aan de dienst van geschikte personen, voor henzelf aangenaam en voor het klooster noodzakelijk, over wie zij en het klooster niet beschikten, dat zij twaalf begijnen uitgekozen hebben om altijd God en de Heilige Maagd Maria, hun genoemde klooster, henzelf en ieder van hen, zo nodig altijd als beneden beschreven te dienen. Deze begijnen wil de abdis, na voorafgaand overleg met het convent, op grond van advies van vrome en geestelijke mannen, voorzien van het deel van de abdijgoederen, van het toekomstige geld en de renten die tot de abdij horen, en van de goederen die verkregen en verworven zijn van Mabilia, weduwe van wijlen Hendrik, voogd van Eisden, en haar kinderen, die ze van de abdis in leen bezaten. En zij heeft hen van het genoemde deel van deze goederen willen voorzien, zoals hierna weergegeven zal worden, waarbij zij deze aan de begijnen in leen overdraagt onder de volgende voorwaarden, opdragend en besluitend dat de voornoemde goederen zullen behoren tot de genoemde begijnen en de andere onderstaande goederen tot het convent van het klooster, onder voorbehoud van het ererecht van de te zijner tijd zittende abdis van het klooster, zoals beneden benoemd en onderscheiden. Dit zullen echter de goederen zijn die door de genoemde abdis verkregen zijn van de genoemde Mabilia en haar kinderen: ongeveer 22 bunder akkerland, gelegen in de akkers van Eisden, met een weiland in de beneden beschreven plaatsen, in alle percelen; deze percelen liggen: een halve bunder gelegen aan de Ketelt, vijf rotulen of morgen, die Mechteld hebben toebehoord; vijf morgen (er tegenover gelegen), een bunder aan de Binsskuelen; twee bunder aan de Steinacker; een bunder aan het Cruijtz; een bunder, geheten de Qwytbunder, een halve bunder, geheten het Vaerlant; twee bunder, die hebben toebehoord aan Maarten en Hammo; een morgen bij de Trichterweg; vijf morgen achter de hof van Thorn, achter de hoeve, een morgen bij de Mueder, een morgen bij de weide, Groetmugen geheten; zeven morgen bij de Putt; zes en een halve morgen met een stuk weiland bij Vijß Wincker, drie bunder in het bosch, bij de heide een bunder, een bunder bij de Hugenacker, een halve bunder achter de hoeve, zestien schellingen en twaalf kapoenen jaarlijkse cijns, gelegen in het dorp Eisden, waarvan volgende personens het volgende moeten betalen: Thomas twee schelling en vier kapoenen, Arnoud twee schelling en vier kapoenen, Lambert vier schelling en vier kapoenen van een bunder en een stuk, Sibert twee schelling en vier kapoenen, Alard twaalf penning en twee kapoenen, Joris twee penning en twee kapoenen, Vinkinius twee penning en twee kapoenen en twee hoenders, Goddart Hamel twaalf penning en twee kapoenen, Magster twaalf penning en twee kapoenen, Hendrik, wijnboer, zes penning en twee kapoenen, Hendrik, wagenmaker, twaalf penning (en) twee kapoenen, Oda Smyetz twaalf penning en twee kapoenen. De abdis wil dat deze landerijen en cijnspenningen aan de voornoemde begijnen toebehoren op de genoemde wijze en de kapoenen en hoenders tot haar convent, samen met de eigendomsrechten en keurmeden van de genoemde goederen, die voor altijd in het bezit blijven van de genoemde begijnen. Zij wil en besluit dat de renten en opbrengsten, afkomstig van de voornoemde landen in koren en geld, jaarlijks in gelijke porties worden verdeeld en uitgedeeld en dat de zestien schelling voor het gemeenschappelijke gebruik van de begijnen, namelijk voor hout en kaarsen, aan hen worden overgedragen, maar dat de genoemde kapoenen en hoenders en keurmeden aan het genoemde convent samen met de eigendomsrechten volgens het algemene gebruik van het convent worden overhandigd op een dergelijke wijze en manier dat door het convent aan de begijnen voor de genoemde kapoenen, hoenders en keurmeden zes schellingen sterling voor altijd jaarlijks met Kerstmis betaald worden en gelijkelijk onder de begijnen verdeeld. Met de genoemde goederen beleent zij Ida, weduwe van Hendrik, vroeger Pauwens geheten, ten behoeve van haar en haar medebegijnen. In deze leenbrief bepalen abdis en convent van Thorn dat voor het recht van de dode hand, heergeweide genoemd, dat de abdis en het covent te zijner tijd zal toebehoren, volgens Luiks gebruik tien schelling betaald moet worden, en voor het leen of beneficie van de abdis dat met instemming van het convent aan de begijnen gegeven en in eigendom overgedragen is.
Ze legt de begijnen ook de plicht of dienst op dat bij ziekte van een kloosterzuster één van de begijnen, die geschikt en nodig is, naar de zieke moet komen en ze haar, zolang de ziekte duurt, moet dienen in alles wat gevraagd wordt, en bij haar zitten terwijl ze gebeden uitspreekt totdat het lichaam aan de aarde is toevertrouwd. Bij alle hoogfeesten en jaargetijden die in de abdij worden gehouden, moeten de begijnen samenkomen in de abdij en daar moeten enkelen van hen de kosteres assisteren bij het luiden van de klok en bij andere noodzakelijke diensten, als er om gevraagd wordt.
De abdis draagt op en bepaalt dat, indien een van de begijnen aangeklaagd wordt dat ze ongehoorzaam is ten opzichte van de meesteres of oudste of dat van de oudste of andere geloofwaardige mensen of iemand anders een gerucht of faam de abdis of het convent van Thorn bereikt over openbare onbehoorlijke zaken of andere openbare schandalen en laster die de andere zusters niet zonder schande mogen verbergen, dan zal de overtreedster zonder weerwoord verstoten worden en zal de verstotene niet meer deelhebben aan het gezelschap van de begijnen en niet meer genieten van het voorrecht van de abdij.
Ook draagt de abdis op en bepaalt dat, indien enkele of vele begijnen uittreden, de abdis te zijner tijd een andere of anderen met goede omgangsvormen en goede naam en passende leeftijd zal aanstellen na overleg met drie of vier van de oudste kloosterjuffers, in naam van God en met een goed geweten, en dat zij van alle overtredingen kennis zal nemen en ze bestraffen.
Wat de abdis heeft opgedragen over de diensten die moeten worden uitgevoerd bij de lichamen van de kloosterjuffers, namelijk dat begijnen bij de dode lichamen moeten zitten, dat draagt ze op en bepaalt ze ook voor de dode lichamen van kanunniken die in het klooster woonachtig zijn; en abdis en convent willen dat de door de abdis verleende gave ongeschonden tot nut en voordeel van het klooster geobserveerd en uitgevoerd wordt.
Als getuigen bij deze verordening waren volgende leenmannen van de abdij en andere vrome mannen aanwezig: Jan, proost van de Sint-Andreaskerk te Keulen en aartsdiaken van Luik, Michael, scholaster van de Onze-Lieve-Vrouwekerk te Maastricht en kanunnik van de abdij van Thorn, Jan, pastoor, Philips en Frank, priesters en vicarissen, Hendrik van Baarle, ridder, Marcelis van Berg, Erhard van Awirs, Jan Gepell, Gielman, Reimboud, Gijsbert van Bocholt, Knoup van Geistingen, Jan en Lambert, broers en bedienaars van de abdij van Thorn; Godfried Hermans Olmeke, Hendrik Hoelbar, Dirk Haspegouere, Gerard Neeff, leenman van de abdij in Eisden, en anderen, zowel schepenen als leenmannen.
Abdis en convent hebben bezegeld.
Gegeven op 24 augustus 1287.
Guda van Rennenberg, abdis, en het convent van de abdij van Thorn stichten een begijnhof te Thorn voor twaalf begijnen en wijzen daartoe abdijgoederen, renten en inkomsten aan te Eisden, afkomstig uit de goederen van Mabilia, weduwe van Hendrik, voogd van Eisden en haar kinderen, waarmee zij de begijn Ida, weduwe van Hendrik Pauwens, belenen. Tevens stellen zij bepalingen op ten aanzien van het gebruik van deze goederen en inkomsten en leggen de verplichtingen van de begijnen vast.
Origineel
[A]. Niet voorhanden.
Vertalingen
B. 17e eeuw, Maastricht, HCL, toegangsnr. 01.187A, archief Vrije Rijksheerlijkheid Thorn, inv. nr. 70, vertaling in de taal van de streek, van [A]. – [C]. niet voorhanden, maar bekend uit Habets, Archieven Thorn, 62-63, Duitse vertaling.
Uitgave
Niet eerder uitgegeven.
Regest
Habets, Archieven Thorn, 62-63, nr. 70.

Nummer 57
Jan, bisschop van Luik, prijst en keurt de aflaten goed die door de aartsbisschoppen en bisschoppen zijn verleend aan degenen die aalmoezen hebben gegeven of de helpende hand hebben uitgestoken ten behoeve van een stenen brug over de Maas te Maastricht, zoals in de oorkonde staat waar dit stuk aan getransfigeerd is, en hij verleent zijn instemming en toestemming.
Jan heeft bezegeld.
Gegeven op 8 mei 1287.
Jan IV (van Vlaanderen), bisschop van Luik, hecht zijn goedkeuring aan de aflaatoorkonde d.d. 1284 januari 29 van vier aartsbisschoppen en vijftien bisschoppen inzake de bouw van een stenen brug over de Maas te Maastricht.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002A, archief kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 440. Oorspronkelijk getransfigeerd aan de aflaatoorkonde d.d. 1284 januari 29.
Aantekening op de achterzijde: 1e door 17e-eeuwse hand: In capsula episcopalium, excopiatum numero 5o.
Bezegeling: één bevestigingsplaats, vermoedelijk voor het aangekondigde zegel van Jan IV van Vlaanderen, bisschop van Luik (LS1).
Afschriften
B. eerste helft 17e eeuw (vóór 1648), Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002A, archief kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 11 (cartularium) = Cartularium ecclesiae collegialis Sancti Servatii Traiecti ad Mosam, tomus primus, pontificalia et episcopalia, fol. 5r, onder caput: Episcopalia, afschrift geauthenticeerd door Hendrik Lenssens, kapittelsecretaris en openbaar notaris, geadmitteerd door de Raad van Brabant, naar A. – [C]. niet voorhanden, maar bekend uit D, cartularium van het Sint-Servaaskapittel te Maastricht = Liber A, fol. 1v en 173. – D. vóór 1768, Ibidem, toegangsnr. 22.001A, Handschriftencollectie (voormalig) Gemeentearchief Maastricht, 14de-20ste eeuw, inv. nr. 199a (cartularium) = Diplomata Trajectensia de anno 800 ad 1664, p. 466, onder de rubriek: Episcopus Leodiensis approbat et laudat indulgentias datas ab archiepiscopis et episcopis eis qui contibuunt (aldus) ad refectionem pontis Mose, 10 maii 1284, gewaarmerkt afschrift door G.J. Lenarts, stadssecretaris van Maastricht, mogelijk naar A.
Uitgave
a. Schaepkens, ‘Archives’, 166, naar A.
Regesten
Doppler, ‘Verzameling [800-1273]’, 263, nr. 220. – Haas, Chronologische lijst, 82, nr. 215. – Nuyens, Inventaris Sint-Servaas, 100, nr. 440.
Samenhang
Voor de aflaatoorkonde van de vier aartsbisschoppen en vijftien bisschoppen d.d. 1284 januari 29, zie Collectie Sint-Servaas, nr. 51.

Nummer 58
Guda, abdis, en het convent van de abdij van Thorn én Jan, pastoor van Thorn, maken aan Jan (van Vlaanderen), bisschop van Luik, bekend dat, aangezien volgens een oud, sinds mensenheugenis verworven gebruik twee derden van de novale en oude tienden van de plaats en het grondgebied van Thorn aan abdis en convent zijn toegekomen en toekomen en één derde aan pastoor Jan en aan diens voorgangers op grond van hun aanstelling, en aangezien er hierover en over enkele andere rechten van de parochie tussen beide partijen een geschil is ontstaan, zij de beslissing aan integere mannen hebben toevertrouwd, namelijk aan Alexander en meester Hendrik, respectievelijk deken en cantor van de Onze-Lieve-Vrouwekerk te Maastricht. Deze hebben in hun scheidsrechtelijke uitspraak verordonneerd, zoals in de hierover opgestelde oorkonde uitvoeriger omschreven staat, dat de genoemde twee derden van de tienden, zowel opgebracht als op te brengen in de genoemde parochie, bestemd is en moet zijn voor de abdis en het convent en één derde voor de pastoor en diens opvolgers, zoals tot nu toe overeengekomen is. Deze verordening hebben abdis en convent van Thorn én Jan, pastoor van Thorn, gezien het nut voor hen, goedgekeurd, met de belofte dit ongeschonden te respecteren en het verzoek aan de bisschop van Luik om met het voorgaande in te stemmen, dit goed te keuren en door zijn bisschoppelijk gezag te bevestigen.
Guda, het convent en Jan bezegelen.
Gegeven op 1 oktober 1287.
Guda (van Rennenberg), abdis, en het convent van de abdij van Thorn alsmede Jan, pastoor van Thorn, verzoeken Jan (van Vlaanderen), bisschop van Luik, de uitspraak van de scheidslieden te bekrachtigen inzake hun geschil over de tienden te Thorn.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 01.187A, archief Vrije Rijksheerlijkheid Thorn, inv. nr. 71.
Aantekeningen op de achterzijde: 1o door 17e-eeuwse hand: Compositio decimarum inter abbatissam et capitulum ex una necnon pastorem Thorensem ex alia parte partibus. – 2o door 17e-eeuwse hand: 1287. – 3o door 17e-eeuwse hand: V boven doorgestreepte letter. – 4o door 18e-eeuwse hand: J.
Bezegeling: drie uithangend bevestigde zegels die aangekondigd zijn, namelijk: S1 van de abdij van Thorn, van bruine was, beschadigd. – S2 van Guda van Rennenberg, abdis van Thorn, van bruine was, beschadigd. – S3 van Jan, pastoor van Thorn, van bruine was, licht beschadigd. Voor een beschrijving en afbeelding van S1, S2 en S3, zie Venner, ‘Zegels Thorn’, respectievelijk 32-33, 34 en 35.
Uitgave
Niet eerder uitgegeven.
Regesten
Franquinet, Beredeneerde inventaris Thorn, 71, nr. 45. – Habets, Archieven Thorn, 63, nr. 71. – Haas, Chronologische lijst, 84, nr. 221.
Samenhang
Voor het verzoek om juridisch advies door deken en cantor van het Onze-Lieve-Vrouwekapittel te Maastricht aan deken en kapittel van de domkerk te Luik, alsmede de scheidsrechtelijke uitspraak, zie respectievelijk nrs. 53 en 55.

Nummer 58
Godfried, zoon van Florens, en Olbert, schepenen van Maastricht, maken bekend dat ten overstaan van hen Florens, hun medeschepen, namens abt en convent van Val-Dieu een huis, gelegen bij het huis van Hac, bij de brug, erfrechtelijk heeft gegeven aan Godfried Ulnere tegen een wekelijkse cijns van veertien penning Luiks en een jaarlijkse cijns van drie kapoenen. Florens zal de oven van het huis zodanig houden dat hij erom heen kan lopen en deze herstellen als het noodzakelijk is; hij zal de twee ramen in het hoger gelegen deel van het huis niet breken, maar ze zo houden dat ze licht geven door het huis. De schepenen hebben gezien dat Florens de volledige macht heeft om het huis erfrechtelijk uit te geven en een bijzondere volmacht heeft van abt en convent. En hij zal het huis zo houden dat het water zijn loop zal hebben door het huis, zoals tot op heden.
Florens heeft samen met Godfried en Olbert bezegeld.
Gegeven op 25 juni 1287.
Elke partij heeft een volkomen gelijke oorkonde.
Schepenen van Maastricht oorkonden dat Florens, hun medeschepen, namens abt en convent van Val-Dieu (te Aubel) een huis, gelegen bij het huis van Hac aan de brug te Maastricht, aan Godfried Ulnere heeft gegeven tegen een wekelijkse cijns van veertien penning Luiks en een jaarlijkse cijns van drie kapoenen.
Originelen
A1. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002A, archief kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 457.
Aantekeningen op de achterzijde: 1o door 15e-eeuwse hand: De censu Vallis Dei / p 23. – 2o door 16e-eeuwse hand: XIIII denarii III capones in ponte. – 3o door 16e-eeuwse hand: 1287 / 102.
Bezegeling: één uithangend bevestigd zegel, dat aangekondigd is, namelijk: S3 Florens, (zoon van wijlen Gozewijn Rufus), schepen van Maastricht, van bruine was, beschadigd; en twee bevestigingsplaatsen, vermoedelijk voor de aangekondigde zegels van Godfried, zoon van Florens, en Olbert (Colsop), schepenen van Maastricht (LS1 en LS2). Voor een beschrijving en afbeelding van S3, zie Venner, ‘Zegels klooster Sint-Gerlach’, 164.
[A2]. Niet voorhanden, maar bekend uit A1.
Afschrift
Niet voorhanden.
Uitgave
a. Nève, De dertiende-eeuwse schepenoorkonden, 67-68 (met onvolledige vertaling), nr. 1287.06.25, naar A1.
Regesten
Doppler, ‘Schepenbrieven’, 28-29, nr. 13. – Haas, Chronologische lijst, 82, nr. 216. – Nuyens, Inventaris Sint-Servaas, 102, nr. 457.
Ontstaan
Deze oorkonde is geschreven door een scriptor die schepenoorkonden van Maastricht mundeert en kan worden gelokaliseerd in het milieu van de schepenbank van Maastricht, zie Collectie Sint-Servaas, nr. 38 onder Ontstaan.
Tekstuitgave
Het onderscheid tussen c en t is niet altijd goed zichtbaar.

Nummer 59
Osto van Thorn genaamd van Cuevorde maakt bekend dat tussen hem en abdis en convent van de abdij van Thorn onenigheid is ontstaan over de verkoop van een lijfrente van vijftig mark Luiks, die de abdij hem eertijds verschuldigd was zolang hij zou leven en waarover door hem met abdis en convent een contract is gemaakt, alsmede over de oorkonden en de gang van zaken betreffende de verkoop en over diverse andere kwesties. Uiteindelijk zijn zij hierover vrijwillig overeengekomen, geleid door de raad van verstandige mannen, om een uitspraak te verkrijgen over het contract, de gang van zaken van de genoemde verkoop en over de bewijsstukken betreffende dat contract en meerdere andere zaken. Daartoe heeft Osto volgende oordeelkundige mannen gekozen: meester Wolter, kapelaan van de paus en professor in beide rechten, van de Sint-Servaaskerk, en meester Hendrik, van de Onze-Lieve-Vrouwekerk te Maastricht, cantores van beide kerken. Abdis en convent hebben volgende personen gekozen: Michael, scholaster, en Adolf, kanunniken van de Onze-Lieve-Vrouwekerk te Maastricht. Deze zouden onderzoeken wat zij over het contract, de gang van zaken en bewijsstukken zouden kunnen verklaren, interpreteren en veranderen of corrigeren, indien zij in die onderzochte stukken iets zouden vinden om te verklaren, veranderen of corrigeren. En daarbij beloven beide partijen dat zij zich voortaan aan de verklaring, interpretatie, verandering of correctie door de voornoemde cantores, de scholaster en Adolf moeten houden.
Op de dag die vastgesteld is over de voornoemde zaken, namelijk donderdag na het octaaf van Driekoningen, hebben de genoemde cantores, de scholaster en Adolf met de genoemden te Maastricht in het huis van de scholaster het contract, de werkwijze en de bewijsstukken, opgemaakt over deze zaak en over verschillende andere zaken tussen abdis en convent en Osto, nauwkeurig onderzocht en zij hebben uitgesproken dat het verkoopcontract, de wijze en gang van zaken daarover rechtvaardig en wettig hebben plaatsgevonden, en ook dat de bewijsstukken over deze zaak en een aantal andere zaken tussen partijen juist opgesteld waren, dat er niets in hoefde veranderd of verbeterd te worden en dat Osto van Thorn geen recht heeft om iets te eisen over de voornoemde zaken. De abdis, de dekanes Heilwich en Mechteld, kloosterzusters, en de kanunniken van Thorn waren samen met Osto aanwezig en hebben de genoemde verklaring en interpretatie voor zichzelf en voor het klooster aanvaard en er uit vrije wil en uitdrukkelijk mee ingestemd. Osto heeft zich volledig onderworpen aan het oordeel van de cantores, de scholaster en Adolf en aan de wil en gunst van abdis en convent over alle controversen en betwistingen, zowel feitelijk als rechtelijk, die tot op de huidige dag en uit welke oorzaak dan ook tussen hem en abdis en convent gerezen zijn. En na ontvangst van de vrijgevige begunstiging die abdis en convent aangaande haar weldaden aan Osto hebben verleend door het oordeel van de genoemde cantores, scholaster en Adolf, waarin hij vrijelijk en uitdrukkelijk erkent geheel voldaan te zijn, ziet hij geheel tevreden af van en verwerpt hij iedere actie die hem toekomt of zou kunnen toekomen tegen abdis en convent van Thorn tot op deze dag en hij bevestigt met een plechtige eed, gedaan met de hand en onder aanraking van de heilige evangeliën, dat hij, een ander of anderen, noch abdis en convent noch de vazallen van het convent, de hoevenaars, pachters en andere mannen van abdis en convent, noch hun personen noch hun zaken zal lastig vallen, direct of indirect, zwijgend of verborgen, met raad of met hulp. En hij verplicht zich tot al deze zaken onder de genoemde eed en op straffe van vijftig pond Leuvens, door hem te betalen aan abdis en convent indien hij in de toekomst zou ingaan tegen het voornoemde, waarbij hij voor het geval hij in in gebreke blijft, volgende edelen als borgen aanstelt voor abdis en convent: Walram, heer van Valkenburg en Monschau, Christiaan, heer van Limbricht, ridder, en Otto, zoon van de heer van Born, en elk van hen met volle aansprakelijkheid. Osto heeft bovendien afgezien van de excepties wegens bedrog en dwang, wegens het niet betalen van de koopprijs, en van iedere verdediging van recht en feit, zowel canoniek als civiel, waarmee hij tegen het voorafgaande zou kunnen ingaan.
Walram, heer van Valkenburg en Monschau, Christiaan van Limbricht en Otto, zoon van de heer van Born, nemen de last van de voornoemde borg en verplichting op zich en hebben bezegeld, samen met abdis en convent van Thorn.
Otto, zoon van de heer van Born, heeft het zegel van Christiaan, heer van Limbricht, gebruikt omdat hij geen eigen zegel heeft. Op verzoek van Osto van Thorn hebben ook de voornoemde cantores, de scholaster en Adolf, alsmede Hendrik, deken van de Onze-Lieve-Vrouwekerk te Maastricht, en Koenraad van Nythusen, kanunnik van de Sint-Servaaskerk te Maastricht, zijn bloedverwant, die bij alles aanwezig waren, bezegeld.
Gegeven op 19 januari 1289.
Osto van Thorn genaamd van Cuevorde onderwerpt zich aan de uitspraak van de scheidslieden inzake het geschil tussen hem en abdis en convent van de abdij van Thorn betreffende het contract, de oorkonden en de gang van zaken rond de verkoop van een lijfrente van 50 mark Luiks en hij belooft noch de abdis en convent noch hun vazallen, hoevenaars, pachters en andere mannen hierover ooit nog lastig te vallen.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 01.187A, archief Vrije Rijksheerlijkheid Thorn, inv. nr. 72. Beschadigd.
Aantekeningen op de achterzijde: 1o door eind 13e-eeuwse hand: Solutione de Oystone. – 2o door 17e-eeuwse hand: Quitancia Oystonis de Thoren capitulo facta super quadam pensione summa perpetuo quitata, 1288. ‒ 3o door 17e-eeuwse hand: T doorgestreept. ‒ 4o door 18e-eeuwse hand: V. ‒ 5o door 18e-eeuwse hand: Q.
Bezegeling: zes uithangend bevestigde zegels, die aangekondigd zijn, namelijk: S4 van Christiaan, heer van Limbricht, ridder, van bruine was, beschadigd. – S7 van Wolter, cantor van het Sint-Servaaskapittel te Maastricht, van bruine was, beschadigd, met CS7, klassiek intaglio. – S8 van Hendrik, cantor van het Onze-Lieve-Vrouwekapittel te Maastricht, van bruine was, licht beschadigd. – S9 van Michiel, scholaster van het Onze-Lieve-Vrouwekapittel te Maastricht, van bruine was, beschadigd. – S10 van Adolf, kanunnik van het Onze-Lieve-Vrouwekapittel te Maastricht, van bruine was, beschadigd. – S11 van Hendrik, deken van het Onze-Lieve-Vrouwekapittel te Maastricht, van bruine was, beschadigd; en vijf bevestigingsplaatsen voor de aangekondigde zegels van Walram, heer van Valkenburg en Monschau, Christiaan, heer van Limburg, de abdis van Thorn, het convent van de abdij van Thorn en Koenraad van Nythusen, kanunnik van het Sint-Servaaskapittel te Maastricht. Voor een beschrijving en afbeelding van S4, S7, S8, S9, S10 en S11, zie Venner, ‘Zegels Thorn’, respectievelijk 46, 27, 26, 25, 26 en 25.
Uitgaven
a. Franquinet, Beredeneerde inventaris Thorn, 71-75, nr. 46, naar A. – b. Habets, Archieven Thorn, 64-66, nr. 72, naar a.
Regest
Haas, Chronologische lijst, 86, nr. 227.
Datering
Het gebruik van paasstijl in het bisdom Luik is verondersteld, zie Camps, ONB I, XXI, en Dillo en Van Synghel, ONB II, XVI.

Nummer 59
Godfried, (zoon) van Florens, Boudewijn Caseus en Robert de Moneta, schepenen van Maastricht, maken bekend dat Jan van Cadier en zijn zoon Macharius afstand hebben gedaan van een jaarlijkse cijns van tien schelling Luiks, te ontvangen uit hun huis in Wyck, bij het huis van Maarten de Forum, ten behoeve van Aleid, weduwe van Dirk van Wyck, begijn, en zoveel hebben gedaan dat aan alle eisen is voldaan. Zij hebben beloofd vrijwaring te verstrekken binnen jaar en dag, een rechtmatige klacht af te doen en zoveel penningen te overhandigen aan Aleid over een evenlange tijdspanne als ze van haar hebben ontvangen voor de verkoop, indien deze cijns zou worden uitgewonnen. Ook zullen ze Dirk en Ida, hun kinderen, overhalen om afstand te doen van de cijns zoveel als voldoende zal zijn, wanneer zij tot de jaren des onderscheids zijn gekomen. En om dit te bewerkstelligen heeft Jan zijn zwager, Gozewijn van Itteren, als schuldenaar aangesteld en Robert de Moneta en Jan van Susghen als borgen. De ene helft van de cijns moet worden betaald op 24 juni, de andere met Kerstmis.
Gegeven op 24 april 1288.
Schepenen van Maastricht oorkonden dat Jan van Cadier en Macharius, zijn zoon, afstand hebben gedaan van een jaarlijkse cijns van tien schelling Luiks, gevestigd op hun huis in Wyck (te Maastricht), ten behoeve van Aleid, begijn, weduwe van Dirk van Wyck.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002A, archief kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 458.
Aantekeningen op de achterzijde: 1o door 13e-eeuwse hand: Non est datum. – 2o door 15e-eeuwse hand: In Wiich / R. – 3o door 16e-eeuwse hand: 1288 / 367.
Bezegeling: twee uithangend bevestigde zegels, die niet aangekondigd zijn, namelijk: S1 van Godfried, zoon van Florens, schepen van Maastricht, van bruine was, beschadigd. – S3 van Robert de Moneta, schepen van Maastricht, van bruine was, beschadigd; en één bevestigingsplaats, vermoedelijk voor het niet aangekondigde zegel van Boudewijn Caseus, schepen van Maastricht (LS2). Voor een beschrijving en afbeelding van S1, zie Venner, ‘Zegels klooster Sint-Gerlach’, 163, en van S3, zie Idem, ‘Maastrichtse schepenzegels’, 174, nr. 36, en 175.
Afschrift
Niet voorhanden.
Uitgave
a. Nève, De dertiende-eeuwse schepenoorkonden, 72-73 (met onvolledige vertaling), nr. 1288.04.24, naar A.
Regesten
Doppler, ‘Schepenbrieven’, 29, nr. 14. – Haas, Chronologische lijst, 84, nr. 223. – Nuyens, Inventaris Sint-Servaas, 102, nr. 458.
Ontstaan
Deze oorkonde is geschreven door een scriptor die schepenoorkonden van Maastricht mundeert en kan worden gelokaliseerd in het milieu van de schepenbank van Maastricht, zie Collectie Sint-Servaas, nr. 38 onder Ontstaan.
Tekstuitgave
Het onderscheid tussen c en t is niet altijd goed zichtbaar.

Nummer 60
Rooms-koning Adolf heeft alle schenkingen en giften bevestigd, gedaan aan de abdij van Thorn door graaf Ansfried in Kessel, gelegen in de gouw Maasland, en in Echt, in het bisdom Luik, met alle rechten en toebehoren die Ansfried hield en bezat van het keizerrijk, zoals Adolf heeft opgemaakt uit de privileges die wijlen zijn voorganger, rooms-koning Otto, aan Ansfried heeft verleend. Adolf bevestigt deze privileges en vernieuwt, keurt goed en bekrachtigt ook de privileges die Otto heeft toegestaan en verleend aan Ansfried, die Ansfried op gelijke wijze heeft verleend aan de abdij van Thorn alsof de inhoud hiervan woordelijk in deze oorkonde zou zijn opgenomen. Hij staat abdis en convent van de abdij van Thorn toe dat zij alles wat in deze privileges is uitgedrukt, vreedzaam en rustig bezitten met het recht en de gewoonte zoals de graaf dit gebruikte, zonder om het even welk beletsel.
Adolf heeft bezegeld.
Gegeven te Keulen, op 15 september 1292.
Rooms-koning Adolf bevestigt en hernieuwt de door rooms-koning Otto I bevestigde en hernieuwde schenking door Ansfried te Kessel en Echt aan de abdij van Thorn d.d. 950.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 01.187A, archief Vrije Rijksheerlijkheid Thorn, inv. nr. 73. Beschadigd met tekstverlies.
Aantekening op de achterzijde: 1o door 17e-eeuwse hand: Littere ratificationis Adulphi, Romanorum regis, bonorum donationis existentium in loco Casallo, s[ito in] pago de Masselant, et in pago de [Ey]ck per Amfridum (sic), comitem, ecclesie Thorensi facte, 1292.
Bezegeling: één uithangend bevestigd zegel, dat aangekondigd is, namelijk: S1 van Adolf, rooms-koning, van witte was, zwaar beschadigd. Voor een beschrijving en afbeelding van S1, zie Venner, ‘Zegels Thorn’, 37-38.
Afschrift
B. vóór april 1640, Ibidem, toegangsnr. 01.187B, archief Vrije Rijksheerlijkheid Thorn, inv. nr. 1628 (voorheen cartularium nr. 1) = Cartularium abbatiae imperialis Thorensis, 966-1600, p. 21-22, gewaarmerkt afschrift door Jacobus Vrancx, naar A.
Uitgaven
a. Franquinet, Beredeneerde inventaris Thorn, 75-76, nr. 47, naar A. – b. Habets, Archieven Thorn, 66-67, nr. 73, naar a.
Regesten
Böhmer-Samanek, Regesten 1273–1313, 38, nr. 84. – Bormans en Halkin, Table Chronologique, XI-2, 436. – Haas, Chronologische lijst, 93, nr. 252.
Ontstaan en samenhang
Voor de hieronder bevestigde oorkonde, zie Collectie Thorn, nr. 1. Op 15 september 1292 zijn door rooms-koning Adolf nog twee andere bevestigings- en hernieuwingsoorkonden verleend aan de abdij van Thorn (zie Collectie Thorn, nrs. 61 en 62), alsmede een vidimus met bevestiging van de oorkonde van de graaf van Gelre op 17 september 1292 (zie Collectie Thorn, nr. 63). De drie bevestigingsoorkonden d.d. 15 september 1292 hebben een nagenoeg gelijkluidend dictaat.
Tekstuitgave
De lacunes in A zijn aangevuld naar B.

Nummer 60
Bonaventura, bisschop van Ceos, wijbisschop van Jan, bisschop van Luik, maakt aan proost, deken en kapittel van Sint-Servaas te Maastricht bekend dat hij, aangedaan door de uitmuntende heiligheid van hun kerkpatroon de heilige Servaas en door hun devotie, één jaar van de opgelegde boete vermindert voor allen die echt berouw hebben en hebben gebiecht, en die op het feest van Sint-Servaas en in het octaaf ervan, op het feest van de bisschoppen Monulfus en Gondulfus en gedurende acht dagen eraan voorafgaand, op de nachtwake en de wijdingsdag van de Sint-Servaaskerk en gedurende de acht daaropvolgende dagen en op de afzonderlijke dagen van de genoemde octaven en ook op de dag van de translatie van Sint-Servaas, uit devotie naar deze kerk komen om de goddelijke gunst van verzoening te vragen.
Gedaan op 24 februari 1289.
Bonaventura heeft bezegeld.
Bonaventura, bisschop van Ceos, wijbisschop van Jan (IV van Vlaanderen), bisschop van Luik, bericht aan proost, deken en kapittel van Sint-Servaas te Maastricht dat hij een aflaat verleent van één jaar aan degenen die na gebiecht te hebben en ter communie te zijn geweest de Sint-Servaaskerk bezoeken op de feesten van de heilige Servaas, Monulfus en Gondulfus, van de kerkwijding en van de overbrenging van de relieken van Sint-Servaas.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002A, archief kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 64.
Aantekeningen op de achterzijde: 1o door 14e-eeuwse hand: Indulgencia episcopi Leodiensis pro festis sanctorum Seruacii, Monulphi et Gendulphi et eorum octavis (hierna toegevoegd) et dedicacionis ecclesie. – 2° door 15e-eeuwse hand: Indulgencie unius anni / 36 / x/A. – 3° door 17e-eeuwse hand: 22, in capsula episcoporum / excop. num. 6°.
Bezegeling: één uithangend bevestigd zegel, dat aangekondigd is, namelijk: S1 van Bonaventura, bisschop van Ceos en wijbisschop van Luik, van bruine was, beschadigd. Voor een beschrijving en afbeelding van S1, zie Venner, ‘Zegels’, nr. 13.
Afschrift
B. eerste helft 17e eeuw (vóór 1648), Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002A, archief kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 11 (cartularium) = Cartularium ecclesiae collegialis Sancti Servatii Traiecti ad Mosam, tomus primus, pontificalia et episcopalia, fol. 6r-7r, onder caput: Episcopalia, en onder de rubriek: Indulgentia episcopi Leodiensis pro festis sancti Seruatii, sanctorum Monulphi et Gondulphi et eorum octavis et dedicationis ecclesie, afschrift geauthenticeerd door Hendrik Lenssens, kapittelsecretaris en openbaar notaris, geadmitteerd door de Raad van Brabant, naar A.
Uitgave
a. Bock en Willemsen, Antiquités sacrées, Appendices, nr. 3 (gedateerd 1289 maart 8), naar A.
Regesten
Doppler, ‘Verzameling [800-1273]’, 263-264, nr. 221 (gedateerd 1289 maart 8). – Haas, Chronologische lijst, 86, nr. 228. – Nuyens, Inventaris Sint-Servaas, 55, nr. 64.
Ontstaan en samenhang
Voor de redactio van onderhavige oorkonde is gebruik gemaakt van de oorkonde d.d. 1284 januari 29, waarin vier aartsbisschoppen en vijftien bisschoppen een aflaat verlenen (zie Collectie Sint-Servaas, nr. 51). Voor de aflaatverleningen aan het Sint-Servaaskapitttel, zie Koldeweij, Der Gude Sente Servas, 6-8, met afbeelding van onderhavige oorkonde.
Datering
Het gebruik van de paasstijl in het bisdom Luik is verondersteld, zie Camps, ONB I, XXI, en Dillo en Van Synghel, ONB II, XVII.
Tekstuitgave
Het onderscheid tussen c en t is niet altijd goed zichtbaar.

Nummer 61
Rooms-koning Adolf heeft alle schenkingen en giften bevestigd, gedaan aan de abdij van Thorn door wijlen graaf Ansfried in Medemblik en in het graafschap Friesland, in de plaats die Nedermaasland wordt genoemd, in het bisdom Utrecht, met alle rechten en toebehoren die Ansfried hield en bezat van het keizerrijk, zoals Adolf heeft opgemaakt uit de privileges die wijlen rooms-koning Otto aan Ansfried heeft verleend. Adolf bevestigt deze privileges en vernieuwt, keurt goed en bekrachtigt ook de privileges die Otto heeft toegestaan en verleend aan Ansfried, die Ansfried op gelijke wijze heeft verleend aan de abdij van Thorn alsof de inhoud hiervan woordelijk in deze oorkonde zou zijn opgenomen. Hij staat abdis en convent van de abdij van Thorn toe dat zij alles wat in deze privileges is uitgedrukt, vreedzaam en rustig bezitten met het recht en de gewoonte zoals de graaf dit gebruikte, zonder om het even welk beletsel.
Adolf heeft bezegeld.
Gegeven te Keulen, op 15 september 1292.
Rooms-koning Adolf bevestigt abdis en convent van Thorn in het bezit van de goederen te Medemblik, in het graafschap Friesland en in Nedermaasland die graaf Ansfried aan de abdij had gegeven na deze zelf van rooms-koning Otto III te hebben ontvangen.
Originelen
A1. Maastricht, HCL, toegangsnr. 01.187A, archief Vrije Rijksheerlijkheid Thorn, inv. nr. 74-1.
A2. Ibidem, toegangsnr. 01.187A, archief Vrije Rijksheerlijkheid Thorn, inv. nr. 74-2.
Uitgave
a. Dijkhof, OHZ V, 235-236, nr. 2749, naar A1 en A2.

Nummer 61
Bruno en Levalus, schepenen van Maastricht, maken bekend dat zij als schepenen aanwezig waren toen Florens, hun medeschepen, een jaarlijkse cijns van zes penning heeft gekocht van Reinier, zoon van Frank Proost, en diens zoon Jan, die zij ontvangen uit het huis waar vrouwe Bela van Haasdal in woont, buiten de Minderbroederspoort; ook drie penning en één obool en een kwart van een kapoen, die zij jaarlijks ontvangen uit het huis, genaamd van Linne. Zij hebben in naam van en ten behoeve van abt en convent van Val-Dieu afstand gedaan van deze goederen en er van afgezien zodat aan alle eisen is voldaan. Zij hebben beloofd vrijwaring te verstrekken binnen jaar en dag en een rechtmatige klacht af te doen, zoals in dergelijke gevallen gebruikelijk. En om dit te bewerkstelligen hebben zij als onderpand een jaarlijkse cijns van acht penning met een halve kapoen op het huis van Jan Nagels gevestigd.
Gegeven op 15 september 1289.
Schepenen van Maastricht oorkonden dat Florens, hun medeschepen, een jaarlijkse cijns van zes penning, gevestigd op een huis waarin vrouwe Bela van Haasdal woont, gelegen buiten de Minderbroederspoort (te Maastricht), heeft gekocht van Reinier, zoon van Frank Proost, en diens zoon Jan, alsmede een jaarlijkse cijns van drie penning, één obool en een kwart van een kapoen, te ontvangen uit het huis, genaamd van Linne. Reinier en Jan hebben afstand gedaan van deze goederen ten behoeve van de abdij van Val-Dieu (te Aubel).
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002A, archief kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 459.
Aantekeningen op de achterzijde: 1o door 14e-eeuwse hand: Littere Vallis Dei sigellate (aldus) sigellis (aldus) scabinorum Traiectensium super censu acquisito supra domum, sittam (aldus) iuxta fratres Minores in Traiecto, ad opus dicte Vallis Dei. – 2o door 15e-eeuwse hand: R. / c 23. – 3o door 16e-eeuwse hand: 288 / 1289.
Bezegeling: één uithangend bevestigd zegel, dat niet aangekondigd is, namelijk: S2 eerste zegel van Levalus (de Lata Platea), schepen van Maastricht, van bruine was, beschadigd; en één bevestigingsplaats, vermoedelijk voor het niet aangekondigde zegel van Bruno (supra Domum), schepen van Maastricht (LS1). Voor een beschrijving en afbeelding van S2, zie Venner, ‘Maastrichtse schepenzegels’, 176, nr. 42, en 177.
Afschrift
Niet voorhanden.
Uitgave
a. Nève, De dertiende-eeuwse schepenoorkonden, 74-75 (met onvolledige vertaling), nr. 1289.09.15, naar A.
Regesten
Doppler, ‘Schepenbrieven’, 29-30, nr. 15. – Haas, Chronologische lijst, 87, nr. 231. – Nuyens, Inventaris Sint-Servaas, 102, nr. 459.
Ontstaan
Onderhavige oorkonde is geschreven door een scriptor die schepenoorkonden van Maastricht mundeert voor de abdij van Val-Dieu te Aubel d.d. 1289 november 15 (zie Collectie Sint-Servaaskapittel, nr. 62), voor de Broederschap der kapelanen van Sint-Servaas te Maastricht d.d. 1290 januari 28 (zie Collectie Sint-Servaaskapittel, nr. 63), een priester te Maastricht d.d. 1290 mei 26 (zie Collectie Sint-Servaaskapittel, nr. 64) en voor het Sint-Servaaskapittel te Maastricht d.d. 1290 november 8 (zie Collectie Sint-Servaaskapittel, nr. 65). Bijgevolg kan deze scriptor worden gelokaliseerd in het milieu van de schepenbank van Maastricht.
Tekstuitgave
Het onderscheid tussen c en t is niet altijd goed zichtbaar.

Nummer 62
Rooms-koning Adolf heeft het welwillende privilege, de vrijheden en rechten bevestigd, verleend aan de abdij van Thorn door wijlen rooms-koning Hendrik inzake de markt, tol en het rechtsgebied van Thorn én de kerken van Beek, Hemert en Avezaath, met alle nadere bepalingen alsof de inhoud hiervan woordelijk in deze oorkonde zou zijn opgenomen, vernieuwd, goedgekeurd en bekrachtigd.
Adolf heeft bezegeld.
Gegeven te Keulen, op 15 september 1292.
Rooms-koning Adolf bevestigt en hernieuwt de vrijheden en rechten door rooms-koning Hendrik II aan het klooster van Thorn geschonken inzake de markt, de tol en het rechtsgebied van Thorn en de kerken van Beek, Hemert en Avezaath.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 01.187A, archief Vrije Rijksheerlijkheid Thorn, inv. nr. 75. Beschadigd met tekstverlies.
Aantekeningen op de achterzijde: 1o door 14e-eeuwse hand: Auesate. – 2o door 17e-eeuwse hand: Confirmatio Adolphi, Romanorum regis de mercatu [in] Thoren per Henricum, imperatorem, concesso ac eciam iur[a] ecclesiarum de Beeck, Hamerick et Auezaet; V.
Bezegeling: één bevestigingsplaats voor het aangekondigde zegel van Adolf, rooms-koning (SD1).
Uitgaven
a. Lünig, Das Teutsche Reichs-Archiv, XI, 920, nr. 73, naar A. – b. Wolters, Notice historique Thorn, 99-100, nr. 15, naar a. – c. Franquinet, Beredeneerde inventaris Thorn, 78-79, nr. 49, naar A. – d. Habets, Archieven Thorn, 69, nr. 75, naar c.
Regesten
Böhmer-Samanek, Regesten 1273–1313, 39, nr. 86. – Haas, Chronologische lijst, 94, nr. 254.
Ontstaan en samenhang
Voor de hieronder bevestigde oorkonde, zie Collectie Thorn, nr. 4. Op 15 september 1292 zijn door rooms-koning Adolf nog twee andere bevestigings- en hernieuwingsoorkonden verleend aan de abdij van Thorn (zie Collectie Thorn, nrs. 60 en 61), alsmede een vidimus met bevestiging van de oorkonde van de graaf van Gelre op 17 september 1292 (zie Collectie Thorn, nr. 63). De drie bevestigingsoorkonden d.d. 15 september 1292 hebben een nagenoeg gelijkluidend dictaat.
Tekstuitgave
De lacunes in A zijn aangevuld naar druk c.

Nummer 62
Florens, Olbert en Bruno, schepenen van Maastricht, maken bekend dat Reinier van Trappis, Ida, zijn echtgenote, en hun kind afstand hebben gedaan van een jaarlijkse cijns van veertig schelling Leuvens en zes kapoenen, te ontvangen uit het huis waar Gillis Cumene in woont, ten behoeve van abt en convent van Val-Dieu en er van afgezien zodat aan alle eisen is voldaan. Zij hebben beloofd vrijwaring te verstrekken binnen jaar en dag en een rechtmatige klacht af te doen, zoals in dergelijke gevallen gebruikelijk.
Gegeven op 15 november 1289.
Schepenen van Maastricht oorkonden dat Reinier van Trappis, Ida, zijn echtgenote, en hun kind afstand hebben gedaan van een jaarlijkse cijns van veertig schelling Leuvens en zes kapoenen, gevestigd op het huis waar Gillis Cumene in woont, ten behoeve van de abdij van Val-Dieu (te Aubel).
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002A, archief kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 460.
Aantekeningen op de achterzijde: 1o door 15e-eeuwse hand: De domo bommis / q 23. – 2o door 16e-eeuwse hand: 1289.
Bezegeling: twee uithangend bevestigde zegels, die niet aangekondigd zijn, namelijk: S1 van Florens, (zoon van wijlen Gozewijn Rufus), schepen van Maastricht, van bruine was, beschadigd. – S2 van Olbert Colsop, schepen van Maastricht, van bruine was, beschadigd; en één bevestigingsplaats, vermoedelijk voor het niet aangekondigde zegel van Bruno (supra Domum), schepen van Maastricht (LS3). Voor een beschrijving en afbeelding van S1, zie Venner, ‘Zegels klooster Sint-Gerlach’, 164, en van S2, zie Idem, ‘Maastrichtse schepenzegels’, 174, nr. 32, en 175.
Afschrift
Niet voorhanden.
Uitgave
a. Nève, De dertiende-eeuwse schepenoorkonden, 75, nr. 1289.11.15 (met onvolledige vertaling), naar A.
Regesten
Doppler, ‘Schepenbrieven’, 30, nr. 16. – Haas, Chronologische lijst, 87, nr. 232. – Nuyens, Inventaris Sint-Servaas, 102, nr. 460.
Ontstaan
Deze oorkonde is geschreven door een scriptor die schepenoorkonden van Maastricht mundeert en kan worden gelokaliseerd in het milieu van de schepenbank van Maastricht, zie Collectie Sint-Servaas, nr. 61 onder Ontstaan.

Nummer 63
Adolf, rooms-koning, maakt bekend dat hij de hieronder geschreven oorkonde heeft gezien en gehoord die niet is doorgehaald noch uitgewist noch in enig onderdeel verdacht is, bezegeld door Reinald, graaf van Gelre, Willem, heer van Horn, Walram, heer van Valkenburg, Gozewijn, heer van Born, Gerard van Batenburg en Dirk, voogd van Roermond, en met de volgende inhoud:
‒ ‒ ‒ (hierna volgt de tekst van Van Synghel, DONB, nr. 1282.12.12).
Adolf, rooms-koning, hecht op verzoek van abdis en convent van de abdij van Thorn zijn goedkeuring aan het bovenstaande zoals dit naar behoren lijkt te zijn gedaan, keurt de oorkonde, bezegeld met de genoemde zegels en overgedragen aan de abdij, op alle punten goed, bevestigt deze en versterkt ze door de bevestiging van zijn majesteitszegel.
Gegeven te Keulen, op 17 september 1292.
Rooms-koning Adolf vidimeert en bevestigt op verzoek van abdis en convent van de abdij van Thorn de oorkonde van Reinald I, graaf van Gelre, d.d. 1282 december 12, inzake de afstand van rechten op belastingen en beden door Willem II, heer van Horn (en Altena), als voogd van het land van Thorn.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 01.187A, archief Vrije Rijksheerlijkheid Thorn, inv. nr. 76.
Uitgave
a. Van Synghel, DONB, nr. 1292.09.17, zie http://www.donb.nl/database/weergave/oorkonde/12920917uitgaveDONB2011, naar A.

Nummer 63
Jan Suevus, Florens en Frank, schepenen van Maastricht, maken bekend dat Herbert van de Nieuwstraat, zijn echtgenote en hun kinderen afstand hebben gedaan van een jaarlijkse rente van dertig schelling Luiks ten behoeve van heer Dirk van Eynenberg, heer Udo, kanunnik van het Sint-Servaaskapittel te Maastricht, heer Lambert van Tweebergen en heer Lambert Grinart, ridders, procuratoren van het altaar dat wijlen Godfried van Scherwier heeft gesticht en dat ze er van hebben afgezien zodat aan alle eisen is voldaan. De ene helft van deze rente moet worden betaald op 24 juni, de andere op Kerstmis. Van deze rente zal twintig schelling als allodiale goederen uit de helft van de woning van de kinderen van wijlen Herbert van Tweebergen worden ontvangen, de resterende tien schelling Luiks uit het huis van wijlen Maniard, gelegen aan de (Maas)brug, en dit zonder in de toekomst enig gewin te ontvangen of betalen. Indien de genoemde goederen worden uitgewonnen, is Herbert gehouden vrijwaring te verstrekken en een rechtmatige klacht af te doen gedurende jaar en dag, en zoveel penningen te overhandigen als hij over een evenlange tijdspanne van de procuratoren heeft ontvangen als de goederen worden uitgewonnen. Voor al deze bedingen heeft hij de schepen Jan Suevus, diens zoon Hendrik, Gozewijn Morin en Boudewijn, zoon van Boudewijn Caseus, als borgen aangesteld om op hun eigen kosten in een huis te gaan liggen volgens het gebruik van de stad Maastricht. En indien zij bij andere zekerheidsstellingen zouden zijn betrokken, dan zullen zij andere geschikte personen in hun plaats aanstellen; en wanneer zij daar gedurende twee weken hebben ingelegen, dan zullen de procuratoren op kosten van de debiteur het tekort van diegenen die inliggen, tegen rente kunnen lenen; en indien één van de borgen binnen twee weken zou overlijden, dan zal Herbert iemand anders in plaats van de overledene aanstellen en zal zijn vader gehouden zijn het tekort van Boudewijn aan te vullen, en dit alles onder verbeurte van een geldboete.
Gegeven op 28 januari 1290.
Schepenen van Maastricht oorkonden dat Herbert van de Nieuwstraat, zijn echtgenote en hun kinderen afstand hebben gedaan van een jaarlijkse rente van dertig schelling Luiks, waarvan twintig schelling gevestigd is op het halve huis van de kinderen van wijlen Herbert van Tweebergen en tien op het huis van Maniard, gelegen aan de Maasbrug te Maastricht, ten behoeve van Dirk van Eynenberg, Udo, kanunnik van het Sint-Servaaskapittel te Maastricht, Lambert van Tweebergen en Lambert Grinart, ridders, procuratoren van het altaar dat wijlen Godfried van Scherwier heeft gesticht.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002H, archief Broederschap der kapelanen van Sint-Servaas te Maastricht, 1139-1797, inv. nr. 144.
Aantekeningen op de achterzijde: 1o door eind 13e-eeuwse hand: Nota quod cum ista littera et cum (hierna doorgestreepte a) alia requiruntur nisi solum XXX solidi bone monete. – 2o door 17e-eeuwse hand: Duobus Montibus.
Bezegeling: één uithangend bevestigd zegel, dat niet aangekondigd is, namelijk: S1 van Jan Suevus, schepen van Maastricht, van bruine was, beschadigd; en twee bevestigingsplaatsen, vermoedelijk voor de niet aangekondigde zegels van Florens, (zoon van wijlen Gozewijn Rufus), en Frank (van Rufus Clippeus), schepenen van Maastricht (LS2 en LS3). Voor een beschrijving en afbeelding van S1, zie Venner, ‘Zegels klooster Sint-Gerlach’, 162.
Afschrift
Niet voorhanden.
Uitgaven
a. Willemsen, ‘Inventaire’, 187-188, nr. 18, naar A. – b. Nève, De dertiende-eeuwse schepenoorkonden, 75-77 (met onvolledige vertaling), nr. 1290.01.28, naar A.
Regesten
Doppler, ‘Schepenbrieven’, 30-31, nr. 17. – Haas, Chronologische lijst, 87, nr. 233. – Nuyens, Inventaris Sint-Servaas, 219, nr. 144.
Ontstaan
Deze oorkonde is geschreven door een scriptor die schepenoorkonden van Maastricht mundeert en kan worden gelokaliseerd in het milieu van de schepenbank van Maastricht, zie Collectie Sint-Servaas, nr. 61 onder Ontstaan.
Datering
Het gebruik van de paasstijl in het bisdom Luik is verondersteld, zie Camps, ONB I, XXI, en Dillo en Van Synghel, ONB II, XVII.
Tekstuitgave
Het onderscheid tussen c en t is niet altijd goed zichtbaar.

Nummer 64
Jan, hertog van Lotharingen, Brabant en Limburg, maakt bekend dat hij de jaarcijnzen bij Berkt in de parochie Bergeijk, oplopend tot twintig schelling of minder, waarover hij een geschil had met abdis en convent van de abdij van Thorn, voor eeuwig aan hen overdraagt, behoudens het recht dat hij heeft in de voornoemde parochie. Daarom beveelt hij zijn ontvangers van de cijnzen en al zijn andere functionarissen om abdis en convent vredig van de cijnzen te laten genieten.
Gegeven op 15 september 1293.
Jan I, hertog van Brabant, schenkt aan abdis en convent van de abdij van Thorn de jaarcijnzen in de parochie Bergeijk, waarover hij met hen een geschil had.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 01.187A, archief Vrije Rijksheerlijkheid Thorn, inv. nr. 78.
Uitgave
a. Camps, ONB I, 607-608, nr. 500, naar A.

Nummer 64
Boudewijn Caseus, Jan Suevus en Florens, schepenen van Maastricht, maken bekend dat ten overstaan van hen Arnoud, werkmeester, zijn echtgenote en hun kinderen afstand hebben gedaan van een jaarlijkse cijns van twintig schelling Luiks ten behoeve van Garsilius, priester van de Sint-Joriskapel te Maastricht, of aan wie Garsilius deze cijns zou hebben afgestaan om deze te innen; en ze hebben ervan afgezien zodat aan alle eisen is voldaan op een dusdanige manier dat in de toekomst geen verdere heffing uit deze cijns kan worden gevraagd of betaald. Deze cijns zal elk jaar worden ontvangen uit het huis dat van Hendrik Hellincharst was, gelegen tussen het huis van wijlen Jacob Tuttentut en Nicola van Vondere, de ene helft op twee februari en de andere op één augustus. Zij hebben onder verband van al hun goederen beloofd vrijwaring te verstrekken gedurende jaar en dag en een rechtmatige klacht af te doen, zoals in dergelijke zaken gebruikelijk, en over het voorgaande naar burgerlijk recht terecht zal staan als een leek. Indien deze cijns echter zou worden uitgewonnen, dan zal Arnoud als schadevergoeding één mark Luiks aan Garsilius geven. En over alle bedingen hebben zij de schepen Jan Suevus, Lodewijk, zoon van de schepen Boudewijn Caseus, Wijnand Peret en Jan, zoon van Arnoud, wercmeister, als borgen aangesteld.
De schepenen hebben bezegeld.
Gegeven op 26 mei 1290.
Schepenen van Maastricht oorkonden dat Arnoud, werkmeester, zijn echtgenote en hun kinderen afstand hebben gedaan van een jaarlijkse cijns van twintig schelling Luiks, gevestigd op het huis dat van Hendrik Hellincharst was (te Maastricht), ten behoeve van Garsilius, priester van de Sint-Joriskapel te Maastricht.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002A, archief kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 461.
Aantekeningen op de achterzijde: 1o door 15e-eeuwse hand: De XXti solidis pertinentibus ad festum transfiguracionis. 20. – 2o door 15e-eeuwse hand: Circa Atrium / 284 / m 43. – 3o door 15e-eeuwse hand: 1290.
Bezegeling: één uithangend bevestigd zegel, dat aangekondigd is, namelijk: S2 van Jan Suevus, schepen van Maastricht, van bruine was, beschadigd; en twee bevestigingsplaatsen, vermoedelijk voor de aangekondigde zegels van Boudewijn Caseus en Florens, (zoon van wijlen Gozewijn Rufus), schepenen van Maastricht (LS1 en LS3). Voor een beschrijving en afbeelding van S2, zie Venner, ‘Zegels klooster Sint-Gerlach’, 162.
Afschrift
Niet voorhanden.
Uitgave
a. Nève, De dertiende-eeuwse schepenoorkonden, 77-78 (met onvolledige vertaling), nr. 1290.05.26, naar A.
Regesten
Doppler, ‘Schepenbrieven’, 31-32, nr. 18. – Haas, Chronologische lijst, 88, nr. 234. – Nuyens, Inventaris Sint-Servaas, 103, nr. 461.
Ontstaan
Deze oorkonde is geschreven door een scriptor die schepenoorkonden van Maastricht mundeert en kan worden gelokaliseerd in het milieu van de schepenbank van Maastricht, zie Collectie Sint-Servaas, nr. 61 onder Ontstaan.
Lokalisering
Blijkens één van de dorsale aantekeningen is de woning van Hendrik Hellincharst gelegen nabij het Vrijthof te Maastricht.
Tekstuitgave
Het onderscheid tussen c en t is niet altijd goed zichtbaar.
Nummer 65
Guda, abdis van Thorn, maakt bekend dat Jan van Leveroy en zijn zussen Erkenrade en Margareta in haar tegenwoordigheid middels de raad en bepaling van eerbare en verstandige mannen, namelijk Dirk, voogd van Roermond, Gerard, heer van Karken, Gerard van Uitwijk, ridders, en van hun andere gemeenschappelijke bloedverwanten een overeenkomst hebben gesloten inzake de verdeling van de erfgoederen te Leveroy, die zij van de abdis of het convent in cijns, pacht en als keurmedig houden, te Weert en elders, die hen na de dood van hun ouders krachtens erfopvolgingsrecht zijn toegevallen. Jan heeft beloofd het eigendomsrecht en bezit van die goederen te houden zoals hij die van het klooster houdt. Hij belooft nu te goeder trouw en verplicht zich door deze oorkonde dat hij en zijn erfgenamen jaarlijks aan zijn zussen Erkenrade en Margareta wegens hun aandeel in de eerder genoemde goederen die hen toekomen krachtens het erfopvolgingsrecht, een jaarlijkse eeuwigdurende cijns van één mark Luiks uit de molen en andere goederen van Leveroy te geven, die hij aan elk van de zusters volgens hun vrije wilsbeschikking erfelijk onder iedere titel van vervreemding kan overdragen, onder voorbehoud van elk recht van de hof van de abdij te Thorn, aan wie dan ook. Ook zal Jan aan Erkenrade en Margareta, zolang zij leven, jaarlijks vier mark Luiks en twaalf malder rogge Wessemse maat leveren, die hij afgemeten in eigen zakken over de Maas of op de veerplaats, Ool genoemd, op zijn eigen kosten, vervoer en risico zal leveren op de hierna vastgelegde tijdstippen. Bovendien zal Jan aan Erkenrade en Margareta jaarlijks en erfelijk drie mark Luiks minus vijf schelling betalen, die krachtens het erfopvolgingsrecht afkomstig zijn van de erfenis van hun overleden broer Rutger, op een dusdanige manier dat het totaal van het voornoemde geld en de rente van de genoemde inkomsten in drie gelijke delen in drie termijnen, op elf november, met Kerstmis en met Pasen, elk jaar door Jan zullen worden betaald uit zijn goederen te Leveroy, de molen en alle andere toebehoren die van de abdij worden gehouden. Verder is overeengekomen tussen Jan en zijn zussen dat, indien Erkenrade of Margareta overlijdt, de helft van die vier mark en twaalf malder rogge waarvan zij levenslang het vruchtgebruik heeft, zal toevallen aan Jan of zijn erfgenamen; de andere helft, twee mark en zes malder rogge, is voor de overblijvende zuster, zolang ze leeft. Indien de overblijvende zuster sterft, dan zal haar vier mark en twaalf malder rogge met de zes malder en twee mark die door de overleden zuster aan Jan waren nagelaten, waarvan zij levenslang het vruchtgebruik had, erfelijk aan Jan en zijn erfgenamen toevallen. En voor de betaling van de genoemde afdrachten door Jan en ter zekerstelling voor zijn zussen dienen de molen en zijn andere goederen te Leveroy met al hun toebehoren, zoals boven vermeld. Jan verbindt dit als onderpand of hypotheek op deze wijze dat, indien hij op enige wijze nalatig zal zijn in de genoemde betaling, dat dan zijn zussen naar de genoemde goederen van Leveroy mogen gaan en ze in beslag nemen, houden, bezitten en de vruchten en opbrengsten ervan mogen heffen tot hen volledige genoegdoening is gedaan over het genoemde geld en inkomsten, nadat in alles in rechte is gedaan in de hof van de abdij te Thorn waar de goederen van Leveroy onder vallen. En Jan zelf mag de genoemde goederen van Leveroy en de molen met zijn toebehoren niet bezwaren, verkopen of op enige andere wijze vervreemden zonder hun uitdrukkelijke toestemming en vrije wil, onder voorbehoud van het recht van de abdij van Thorn in alle bovengenoemde zaken.
Gedaan te Ool, op 20 januari 1294, in aanwezigheid van Dirk, voogd van Roermond, Gerard, heer van Karken, heer Gerard van Uitwijk, H. de Baye, heer Gijsbert van Baarle, Levallus van Baexem, ridders, Jan, pastoor van Thorn, alsmede Jan Rossel, Dibbold van Thorn, Herman van Dale, Godfried van Robrughe, Arnoud van Bokel en Rutger van Venne, schepenen van Thorn, en andere geschikte en betrouwbare getuigen, hiertoe geroepen en gevraagd.
Guda, abdis van Thorn, heeft bezegeld en Dirk, voogd van Roermond, en Gerard, heer van Karken, hebben op verzoek van Jan van Leveroy en zijn zussen bezegeld.
Guda (van Rennenberg), abdis van Thorn, maakt de verdeling bekend tussen Jan van Leveroy en zijn zussen Erkenrade en Margareta inzake de erfgoederen die zij te Leveroy, Weert en elders van de abdij in cijns, pacht en keurmede houden.
Origineel
[A]. Niet voorhanden.
Afschrift
B. 1315 mei 23, Maastricht, HCL, toegangsnr. 01.187A, archief Vrije Rijksheerlijkheid Thorn, inv. nr. 77, vidimus door de gardiaan van de minderbroeders en de prior van de predikheren te Maastricht, naar [A].
Uitgaven
a. Franquinet, Beredeneerde inventaris Thorn, 80-83, nr. 51, naar B (gedateerd 1293 januari 20). – b. Habets, Archieven Thorn, 70-71, nr. 77 (gedateerd 1293 januari 20), naar a.
Regest
Niet voorhanden.
Datering
Het gebruik van paasstijl in het bisdom Luik is verondersteld, zie Camps, ONB I, XXI, en Dillo en Van Synghel, ONB II, XVII.

Nummer 65
Frank van Rufus Clippeus en Bruno supra Domum, schepenen van Maastricht, maken bekend dat zij als schepenen aanwezig waren toen Reinier de Mosa, zijn echtgenote en hun kinderen afstand hebben gedaan van een jaarlijkse cijns van twintig schelling Luiks ten bate van zes altaren in de Sint-Servaaskerk te Maastricht, namelijk het altaar onder het kruis, dat in de crypte, in het midden van de kerk, van de heilige Nicolaas, op het nieuwe werk en van de heilige Laurentius, en ze hebben ervan afgezien zodat aan alle eisen is voldaan. Dit bedrag moet elke jaar worden geïnd zonder verdere heffing te geven of ontvangen uit het huis van Jutta, weduwe van Wijnand, wisselaar, gelegen op de Munt, de ene helft op Kerstmis en de andere op 24 juni. Zij hebben beloofd vrijwaring te verstrekken gedurende jaar en dag en elke rechtmatige klacht af te doen, zoals gebruikelijk, en indien deze cijns zou worden uitgewonnen, zullen zij aan de kapelanen van de altaren zoveel penningen overhandigen over een evenlange tijdspanne als Reinier zou hebben ontvangen; en Reinier zal zijn broer Giso, wanneer deze uit den vreemde zal zijn teruggekeerd, ertoe brengen om van deze cijns, indien hij daar nog enig recht op heeft, afstand te doen ten behoeve van de zes altaren. Om al deze bedingen en voorwaarden te bewerkstelligen, heeft Reinier al zijn goederen als onderpand gesteld en Gerard van Boxberg, zijn oom, en Gijsbert, zoon van Gerard van Boxberg, als borgen aangesteld, onder verband van al hun goederen, en dit alles onder verbeurte van een geldboete.
Gegeven op 8 november 1290.
Schepenen van Maastricht oorkonden dat Reinier de Mosa, zijn echtgenote en hun kinderen afstand hebben gedaan van een jaarlijkse cijns van twintig schelling Luiks, gevestigd op het huis van Jutta, weduwe van Wijnand, wisselaar, gelegen op de Munt (te Maastricht), ten bate van zes altaren in de Sint-Servaaskerk te Maastricht.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002H, archief Broederschap der kapelanen van Sint-Servaas te Maastricht, 1139-1797, inv. nr. 145.
Aantekeningen op de achterzijde: 1o door 15e-eeuwse hand: Littera de XX solidis ad domum supra Monetam (slechts onder kwartslamp leesbaar).
Bezegeling: twee bevestigingsplaatsen, vermoedelijk voor de niet aangekondigde zegels van Frank van Rufus Clippeus en Bruno supra Domum, schepenen van Maastricht (LS1 en LS2).
Afschrift
Niet voorhanden.
Uitgave
a. Nève, De dertiende-eeuwse schepenoorkonden, 79-80 (met onvolledige vertaling), nr. 1290.11.08, naar A.
Regesten
Willemsen, ‘Inventaire’, 188-189, nr. 19. – Doppler, ‘Schepenbrieven’, 33, nr. 20. – Haas, Chronologische lijst, 89, nr. 237. – Nuyens, Inventaris Sint-Servaas, 219, nr. 145.
Ontstaan
Deze oorkonde is geschreven door een scriptor die schepenoorkonden van Maastricht mundeert en kan worden gelokaliseerd in het milieu van de schepenbank van Maastricht, zie Collectie Sint-Servaas, nr. 61 onder Ontstaan.
Tekstuitgave
Het onderscheid tussen c en t is niet altijd goed zichtbaar.
Nummer 66
Raas van Gavere, heer van Liedekerke en Breda, verklaart dat hij, om alle tweedracht en twist op te lossen die tussen hem en jonkvrouwe Agnes en haar zoon, Wouter van Zottegem, is gerezen en nog zal rijzen over de heerlijkheid en het gerecht van Hulten, aan hen en hun nakomelingen toestaat en gunt dat zij altijd overal binnen de grenzen van Hulten gerechtigd zijn om alle heerlijke rechten, rechtsmacht en geldelijke inkomsten die daar vervallen of opgelegd mogen worden tot honderd schelling Leuvens en daaronder te hebben. Wat daarboven wordt opgelegd, zal Raas en zijn nakomelingen hebben, behalve dat alle mannen en laten van Hulten en al degenen die daarbinnen wonen en zullen wonen, onbelast, los en vrij zullen zijn van alle beden, belastingen, aandeel in de kosten, diensten en karweien die aan hem of zijn nakomelingen betaald of gedaan moeten worden, behoudens de algemene landweer. Agnes, haar zoon Wouter en haar nakomelingen zullen van die van Hulten de bede, belastingen, het aandeel in de kosten en de diensten heffen en hebben zoals Raas die van zijn andere lieden heft en heeft.
Raas van Gavere heeft bezegeld, evenals zijn oom, Arnoud van Herselt, zijn broer Jan en zijn neef Raas Mulard.
Arnoud, Jan en Raas hebben op verzoek van Raas van Gavere bezegeld, 12 maart 1294.
Raas II van Gavere, heer van Liedekerke en Breda, erkent dat Agnes van Zottegem en Wouter, haar zoon, in de heerlijkheid Hulten de lage rechtsmacht bezitten tot 100 schelling Leuvens en dat de inwoners van Hulten hun ook bede en dienst verschuldigd zijn, behoudens de gemene landweer.
Origineel
[A]. Niet voorhanden.
Afschrift
B. 16e eeuw, Maastricht, HCL, toegangsnr. 01.187A, archief Vrije Rijksheerlijkheid Thorn, inv. nr. 63, naar [A].
Uitgave
a. Dillo-Van Synghel, ONB II, 914-916, nr. 1334, naar A.

Nummer 66
(Tekst van de oorkonde van Hendrik V, zie Collectie Sint-Servaas, nr. 3).
Deken en kapittel van Sint-Servaas te Maastricht hebben het bovenstaande afschrift laten maken en bezegeld met hun zegel ten zaken opdat zij het origineel van het privilege niet zouden moeten doorgeven langs gevaarlijke wegen.
Gedaan op 16 december 1290.
Deken en kapittel van Sint-Servaas te Maastricht geven een afschrift van de oorkonde van rooms-koning Hendrik V d.d. 1109.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002A, archief kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 44.
Aantekeningen op de achterzijde: 1o door 15e-eeuwse hand: Copia privilegii imperialis. – 2o door 16e-eeuwse hand: De iurisdictione dominorum in familiam et [***]. – 3o door 15e-eeuwse hand: L IIII / R. / III. – 4° door 16e-eeuwse hand: De dato [1]290, sabato post Lucie / 1290. – 5° door 17e-eeuwse hand: anno 1109 / in capsula imperialium.
Bezegeling: één bevestigingsplaats voor het aangekondigde zegel ten zaken van het Sint-Servaaskapittel te Maastricht (LS1).
Afschrift
Niet voorhanden.
Uitgave
Niet eerder uitgegeven.
Regesten
Doppler, ‘Verzameling [800-1273]’, 265, nr. 224. – Haas, Chronologische lijst, 89, nr. 238. – Nuyens, Inventaris Sint-Servaas, 52, nr. 44.
Samenhang
Voor de getransumeerde oorkonde van rooms-koning Hendrik V d.d. 1109, zie Collectie Sint-Servaas, nr. 3.

Nummer 67
Guda, abdis van Thorn, maakt bekend dat zij vanwege het godshuis van Thorn aan Arnoud van der Biestraten het goed te Gilze heeft vererfd, dat Jacob, deken van Hilvarenbeek, aan de kapelanie te Thorn heeft gegeven, en wel ten behoeve van zijn kleinkind tegen een jaarlijkse betaling van vijf sester rogge Bredase maat en twintig schelling van het soort geld dat de heer van het land neemt, herengeld genoemd. Dit alles op voorwaarde dat Arnoud de cijns van het goed zal geven vanwege het godshuis van Thorn te Schinnen of onder welke hof het ook valt.
En opdat dit pand voor eeuwig goed genoeg moge blijven en om de cijns van dit goed te beschermen, heeft Arnoud er een huis en hof en wat daarbij hoort aan toegevoegd alsmede 3½ bunder verkregen land dat daarbij ligt, dat hij mede ingezet heeft als het andere.
En zou het zo zijn dat men het goed in andere handen zou doen overgaan, dan moet dit gebeuren met twintig schelling herengeld en met de cijns van de hof. De vijf sister rogge en de twintig schelling herengeld zal Arnoud of degene die het goed houdt, telkens betalen op 2 februari.
Abdis en convent hebben bezegeld, evenals Jacob, deken van Hilvarenbeek, Zegebert van Ulvenhout en Wouter van den Houte, leenmannen van de heer van Breda, en Gerard Naelde en Jan van Unen, schepenen van Breda, op 26 oktober 1297.
Guda (van Rennenberg), abdis van Thorn, geeft aan Arnoud van der Biestraten het goed te Gilze, eerder door Jacob, deken van Hilvarenbeek, aan de kapelanie te Thorn geschonken, tegen een jaarlijkse cijns van vijf sister rogge die tevens gevestigd wordt op Arnouds huis en hof met 3½ bunder land én het herengeld van twintig schelling.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 01.187A, archief Vrije Rijksheerlijkheid Thorn, inv. nr. 79.
Uitgave
a. Dillo-Van Synghel, ONB II, 1022-1024, nr. 1381, naar A.

Nummer 67
Gerhard, proost van het Sint-Servaaskapittel te Maastricht, maakt bekend dat de kerkfabriek ten onder gaat tenzij een snelle redding wordt verricht. Deze kerk heeft de heiligste relieken van de heilige Servaas en van vele andere heiligen ontvangen en in het distributiekoord opgenomen, die eerbiedwaardig worden bewaakt en bezocht vanuit verschillende delen van de wereld. Omdat de ornamenten van de kerk bijna waren verteerd door roest en de rest door de langdurige vijandigheid tot niets was gereduceerd, en omdat het nodig is dat andere opnieuw moeten worden gerestaureerd, hebben deken en kapittel voor het herstel unaniem besloten om na het overlijden van een kanunnik de inkomsten van de prebende van het eerste jaar aan de overledene toe te kennen, wat gewoonlijk het jaar van de overledene wordt genoemd, en de inkomsten van het tweede jaar toegewezen aan de kerkfabriek voor de restauratie en ondersteuning van de voorgaande zaken. Omdat de goddelijke eredienst getrouw moet worden uitgebreid, hebben deken en kapittel deze bepaling aan Gerhard aangeboden en bij hem aanbevolen, daarbij verzoekend om hier zijn goedkeuring aan te verlenen. Gerhard, die het vaderlijk recht van de Sint-Servaaskerk uitoefent, komt tegemoet aan dit verzoek omdat het de plicht is van prelaten om zich hiervoor tot het uiterste in te spannen, zodat de kerken die zij besturen krachtig blijven en in waardigheid en eer worden verheven. En omdat het vroom is vastgesteld, stemt Gerhard in met de bepaling inzake de toekenning van de prebende en hecht er zijn goedkeuring aan met de woorden: ‘het is goed voor een oordeelkundige persoon om de zaken te volgen die eervol zijn en de meeste vruchten schijnen af te werpen’.
Gerhard heeft bezegeld.
Gedaan en gegeven te Parijs, op 3 januari 1291.
Gerhard, proost van het Sint-Servaaskapittel te Maastricht, oorkondt dat hij het kapittelbesluit goedkeurt om de prebende van het tweede jaar na het overlijden van een kanunnik aan de kerkfabriek toe te kennen.
Origineel
[A]. Niet voorhanden.
Afschriften
B. 1291 februari 20, Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002A, archief kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 122, vidimus door rooms-koning Rudolf I, naar [A]. – C. tweede helft 14e eeuw, Ibidem, idem, inv. nr. 10 (cartularium) = [Liber privilegiorum], fol. 37r-37v (= nieuwe fol. 49r-49v), nr. 114, onvolledig (enkel invocatio), naar B. – D. 17e eeuw, Ibidem, idem, inv. nr. 13 (cartularium) = [Liber privilegiorum et bonorum], fol. 98r-99r, onder de rubriek: Constituitur seu annuitur et confirmatur annus fabrice ut ante fol. 97, anno 1293, mogelijk naar A. – [E]. niet voorhanden, maar bekend uit F, cartularium van het Sint-Servaaskapittel te Maastricht = Liber A, fol. 111v. – F. vóór 1768, Ibidem, toegangsnr. 22.001A, Handschriftencollectie (voormalig) Gemeentearchief Maastricht, 14de-20ste eeuw, inv. nr. 199a (cartularium) = Diplomata Trajectensia de anno 800 ad 1664, p. 10-11, onder de rubriek: Annuitur et confirmetur annus fabrice a preposito Sancti Servatii ut ille relictus sit a capitulo ad perpetuum, den 9 januarii 1293, gewaarmerkt afschrift door G.J. Lenarts, stadssecretaris van Maastricht, mogelijk naar D.
Uitgave
Niet eerder uitgegeven.
Regesten
De Borman, ‘Notice’, 53. – Doppler, ‘Verzameling [800-1273]’, 265, nr. 225.
Datering
Het gebruik van de paasstijl in het bisdom Luik is verondersteld, zie Camps, ONB I, XXI, en Dillo en Van Synghel, ONB II, XVII.
Samenhang en tekstuitgave
De tekst is uitgegeven op basis van B. Voor het vidimus door rooms-koning Rudolf I d.d. 1291 februari 20, zie Collectie Sint-Servaaskapittel, nr. 68.
Nummer 68
Guda, abdis, en het convent van de abdij van Thorn, alsmede Jacob, pastoor van Gilze, maken aan Hugo, bisschop van Luik, en aan zijn plaatsvervangers bekend dat zij met deze oorkonde verklaren dat Guda en haar voorgangsters in de abdij van Thorn zolang men zich kan heugen in de parochie van de moederkerk van Gilze, waarvan het patronaatsrecht aan de abdis toekomt, tot nu toe vredig zowel de novale als oude grote tienden bezitten, met uitzondering van de tienden van een hoeve, genaamd Kerkland, in deze parochie, alsmede van de plaatsen Molenschot, Chaam en Bavel, de bijkerken van de kerk van Gilze, en van de bijbehorende plaatsen Lijndonk en Tervoort, en ook de grote tienden, zowel de novale als de oude, van Ginneken, de bijkerken van Gilze, namelijk van Ulvenhout, Galder, Notsel, Klein Ulvenhout en IJpelaar. Het convent heeft sinds de laatste 28 jaar vreedzaam zowel de oude als de novale grote tienden van Mertersem bezeten, de appenditiën van de kerk van Gilze, met uitzondering van de tienden van Effen, Burgst, Overveld en van één hoeve, genaamd Kerckelandt, bezitting van Mertersem, alsmede twee derden van de oude en novale grote tienden van Etten, afhangend van de kerk van Gilze, en ook de oude en novale grote tienden van Sprundel. De pastoor van Gilze en zijn voorgangers hebben van oudsher voor hen en hun plaatsvervangers het volgende gehad en zijn daarmee tevreden geweest: de kleine tiend in de parochie van de moederkerk van Gilze en haar bijkerken, namelijk van Ginneken en Mertersem, én zowel de novale als de oude grote tienden uit de hoeven Kerckenlandt bij Gilze en Overveld, en van de plaatsen Molenschot, Chaam en Bavel, van de bijkerken van Bavel, van Effen, Burgst, Overveld, met de inkomsten en met andere goederen en zij waren daarmee tevreden. Jacob, pastoor van Gilze, erkent dit en verklaart dat de genoemde goederen die hij en zijn voorgangers hebben ter waarde van 40 pond kleine Tournoois per jaar, ruim volstaan ter ondersteuning van de parochiale lasten. Beide partijen zijn vriendschappelijk overeengekomen en bepalen dat abdis en convent van Thorn en degene die na hen in het klooster zullen zijn, deze novale en oude grote tienden van de genoemde plaatsen die zij hebben en bezitten, ook in de toekomst zullen hebben en vredig heffen. Met de andere tienden, inkomsten en genoemde goederen die voor Jacob en zijn opvolgers gereserveerd zijn, moeten Jacob en zijn opvolgers tevreden zijn. Beide partijen beloven dat zij alles zullen naleven en dat hierover geen controverse of betwisting zal worden aangegaan in de toekomst, noch door hen noch door een ander, van rechtswege of feitelijk, maar dat ze alles voor bekrachtigd zullen houden en hiertegen niets zullen doen.
Abdis en convent én Jacob vragen aan de bisschop van Luik en zijn plaatsvervangers om deze overeenkomst te ratificeren en bevestigen.
Zij hebben dit door een openbaar notaris laten opschrijven en doen publiceren en hebben er hun zegels aangehangen, samen met het zegel ten zaken van de kerk van Luik.
Gedaan door Jacob, pastoor van Gilze, op 22 mei 1299, te Baarle, in aanwezigheid van: Hendrik, vicaris van de kerk van Gilze, Lodewijk, kapelaan van Thorn, Gerard Haak, Arnoud Block en Willem van Hers, geletterde mannen van het bisdom Luik. Voor abdis en convent waren op 25 mei 1299 in Thorn als getuigen aanwezig: meester Willem, pastoor van Beek bij Bree in de Kempen, en Jan, pastoor van Thorn, Lodewijk en Rutger, kapelaans van Thorn, Willem van Hers en Hendrik van Roermond, koster in Thorn.
Meester Pieter van Awans, clericus, openbaar notaris, was samen met de genoemde getuigen bij deze overeenkomst, gedaan door beide partijen zoals hiervoor opgesteld, hij heeft de beloftes en bepalingen van de genoemde partijen ontvangen en op bevel van abdis en convent van Thorn én van Jacob, pastoor van Gilze, een openbaar instrument opgemaakt, waaraan hun zegels en het zegel ten zaken van de kerk van Luik hing, en hij heeft er zijn notaristeken op aangebracht.
Het kapittel van Luik heeft op verzoek van abdis en convent én van Jacob dit gewaarmerkt openbaar notarieel instrument ook bezegeld met het zegel ten zaken.
Guda (van Rennenberg), abdis, en het convent van de abdij van Thorn enerzijds en Jacob, pastoor van Gilze, anderzijds sluiten ten overstaan van meester Pieter van Awans, openbaar notaris, een overeenkomst inzake tienden te Gilze, Molenschot, Bavel, Chaam, Lijndonk, Tervoort, Ginneken, Ulvenhout, Galder, Notsel, IJpelaar, Princenhage, Effen, Burgst, Overveld, Etten en Sprundel en vragen goedkeuring en bevestiging van deze regeling aan de bisschop van Luik; het kathedrale kapittel van Luik bezegelt op verzoek van beide partijen mede.
Origineel
[A]. Niet voorhanden.
Uitgave
a. Dillo-Van Synghel, ONB II, 1058-1062, nr. 1399.

Nummer 68
Rooms-koning Rudolf maakt bekend dat hij op 20 februari 1291 de opgetekende en aan hem uitgelegde oorkonde heeft gezien, die niet beschadigd is, niet uitgewist, niet doorgehaald of in enig deel verdacht, en die is bezegeld met het zegel van Gerhard, proost van Maastricht, zijn geliefde kapelaan, onder de volgende vorm:
‒ ‒ ‒ (hierna volgt de tekst van de oorkonde van Gerhard, proost van het Sint-Servaaskapittel te Maastricht, zie Collectie Sint-Servaas, nr. 67).
Rudolf heeft alle artikelen in deze oorkonde geratificeerd, goedgekeurd en met zijn koninklijke autoriteit bevestigd uit eerbied voor Gerhard en de kerk van Maastricht, onmiddellijk aan hem en het rijk onderworpen als speciale kapel van het rijk.
Rudolf heeft bezegeld.
Gedaan te Baden, op 20 februari 1291.
Rooms-koning Rudolf I vidimeert en bevestigt op verzoek van Gerhard, proost van het Sint-Servaaskapittel te Maastricht, de oorkonde d.d. 1291 januari 3 waarin deze het kapittelbesluit goedkeurt om de prebende van het tweede jaar na het overlijden van een kanunnik aan de kerkfabriek toe te kennen.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002A, archief kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 122.
Aantekeningen op de achterzijde: 1o door 15e-eeuwse hand: Confirmatio regis Rodulphi super fabrica (hierna aangevuld door andere hand) quod fructus pro secundo anno debeant spectare ad fabricam / C20. – 2o door 15e-eeuwse hand: Q m / I. / R. II n. – 3o door 16e-eeuwse hand: Anno 1291. – 4o door 17e-eeuwse hand: In capsa imperialium.
Bezegeling: één uithangend bevestigd zegel, dat aangekondigd is, namelijk: S1 van rooms-koning Rudolf I, van gele was, beschadigd. Voor een beschrijving en afbeelding van S1, zie Venner, ‘Zegels’, nr. 50.
Afschriften
B. tweede helft 14e eeuw, Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002A, archief kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 10 (cartularium) = [Liber privilegiorum], fol. 37r-37v (= nieuwe fol. 49r-49v), nr. 114, naar A. – C. 15e eeuw, Ibidem, toegangsnr. 14.B001, archief kapittel van Onze Lieve Vrouw te Maastricht, 1096-1796, inv. nr. 31 (cartularium), fol. 196v-197v, onder de rubriek: Item tenores omnium et singulorum exhiborum sequuntur per ordinem in hunc modum et sunt tales, en onder caput: Item tenores litterarum imperialium recordacionis illustrissimi principis domini Rudolpi, Romanorum regis, sigillo eius ut apparuit regio albe cere rotundo in filis sericis rubei et viridis coloris impendente in quo ymago imperatoris in dextra ceptrum regale, in sinistra vero pommum imperiale, cruce superposita gestante in circumferentia vero hii caracteres: Rudolphus, Romanorum rex, semper augustus, expressi habebant bullatarum et sigillatarum sequuntur tales, naar A. – D. 17e eeuw, Ibidem, toegangsnr. 14.B002A, archief kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 12 (cartularium) = Cartularium ecclesie collegialis Sancti Servati (aldus) Trajecti ad Mosam, tomus secundus, Documenta imperialia et ducalia, fol. 54v-56r, onder caput: Imperialia, en onder de rubriek: Confirmat imperator Rodolphus quod post obitum canonicorum fructui secundi anni cedent fabrice, mogelijk naar A. – E. 1640, Ibidem, idem, inv. nr. 1741 (cartularium) = Liber sive regestum originis ecclesie Sancti Seruatii Traiec[tensis] illiusque privilegiorum, donationum ac iurium ex originalibus et libro chartarum manu Ioannis Choris, receptoris capituli, descriptorum, p. 93-94, onder de rubriek: Confirmat privilegium de anno fabrice, naar A. – F. vóór 1768, Ibidem, toegangsnr. 22.001A, Handschriftencollectie (voormalig) Gemeentearchief Maastricht, 14de-20ste eeuw, inv. nr. 199a (cartularium) = Diplomata Trajectensia de anno 800 ad 1664, p. 469, onder de rubriek: Rudolphus, Romanorum rex, confirmat privilegium de anno fabrice in ecclesia Sancti Servatii, Xmo calendas martii anno 1291, gewaarmerkt afschrift door G.J. Lenarts, stadssecretaris van Maastricht, naar B.
Uitgaven
a. Bock en Willemsen, Antiquités sacrées, Appendices, nr. 4, naar C. – b. Winkelmann, Acta imperii II, 143-144, nr. 194, naar een afschrift uit een cartularium in Parijs, Bibliothèque Nationale, verkregen via G. Waitz.
Regesten
Doppler, ‘Verzameling [800-1273]’, 266, nr. 227. – Haas, Chronologische lijst, 89, nr. 240. – Nuyens, Inventaris Sint-Servaas, 65, nr. 122.
Datering
Het gebruik van de kerststijl in de koninklijke kanselarij is aangenomen, zie Grotefend, Taschenbuch, 12. Het uitvaardigingsjaar 1291 stemt overeen met het achttiende regeringsjaar van rooms-koning Rudolf I, dat loopt van 23 oktober 1290 tot en met 22 oktober 1291. Een datering naar boodschapstijl of paasstijl is uitgesloten, aangezien rooms-koning Rudolf I op 15 juli 1291 is overleden.
Samenhang
Voor de gevidimeerde oorkonde van Gerhard, proost van het Sint-Servaaskapittel te Maastricht, d.d 1291 januari 3, zie Collectie Sint-Servaas, nr. 67.
Tekstuitgave
Het onderscheid tussen c en t is moeilijk zichtbaar.

Nummer 69
Guda, abdis, en het convent van de abdij van Thorn, alsmede meester Willem van Buggenum, pastoor van Beek bij Bree in de Kempen, maken aan Hugo, bisschop van Luik, en aan zijn plaatsvervangers bekend dat zij met deze oorkonde verklaren dat Guda en haar voorgangsters in de abdij van Thorn gezamenlijk met het convent zolang men zich kan heugen tot nu toe de grote en kleine tienden, zowel de novale als de oude, voor twee derden in de hele parochie van Beek vreedzaam hebben bezeten, met uitzondering van de grote tiend van ongeveer acht bunder land, Kerkelant geheten, in die parochie gelegen, van welke kerk het patronaatsrecht aan de abdis van Thorn toebehoort. De pastoor van Beek en zijn voorgangers hebben en houden van oudsher integraal de grote tiend uit die acht bunder, alsmede voor één derde de andere grote en kleine tienden van de parochie van Beek, de novale en de oude, met de giften en andere rechten, en zij zijn daarmee tevreden. En Willem heeft voor hem en zijn opvolgers erkend dat dit waar is, waarbij hij openlijk verklaart dat de genoemde goederen die hij en zijn voorgangers hebben ter waarde van 30 pond kleine zwarte Tournoois per jaar, ruim volstaan om de parochiale lasten en verplichtingen te bestrijden. Beide partijen zijn vriendschappelijk overeengekomen en bepalen dat abdis en convent van Thorn gezamenlijk en degene die na hen in het klooster zullen zijn voor twee derden de genoemde grote en kleine tienden van de parochie van Beek, zowel de novale als de oude, in de toekomst zullen hebben en vredig heffen, met uitzondering van de tiend van de voornoemde acht bunder. Deze laatstgenoemde tiend van acht bunder is integraal, en de andere tienden, de grote, kleine, novale en oude, voor één derde deel, met de giften en de rechten voorbehouden aan de huidige pastoor Willem en zijn opvolgers, waar ze tevreden moeten mee zijn.
Beide partijen beloven dat zij alles zullen naleven en dat hierover geen controverse of betwisting zal worden aangegaan in de toekomst, noch door hen noch door een ander, van rechtswege of feitelijk, maar dat ze alles voor bekrachtigd zullen houden en hiertegen niets zullen doen.
Abdis en convent én Willem vragen aan de bisschop van Luik en zijn plaatsvervangers om deze overeenkomst te ratificeren en bevestigen.
Zij hebben dit door een openbaar notaris laten opschrijven en doen publiceren en hebben hun zegels aangehangen, samen met het zegel ten zaken van de kerk van Luik.
Gedaan te Thorn, in de lagergelegen aula van het huis van de abdis van Thorn, op 25 mei 1299, in aanwezigheid van: Jan van Baexem, pastoor van de parochiekerk van Thorn,
Lodewijk en Rutger, kapelaans in de abdij van Thorn, priesters, Willem van Hers en Hendrik van Roermond, kosters van de parochiekerk van Thorn, hiertoe als getuigen gevraagd.
Meester Pieter van Awans, clericus, openbaar notaris, was samen met de genoemde getuigen bij deze overeenkomst, gedaan door beide partijen zoals hiervoor opgesteld, en heeft de beloftes en bepalingen van de genoemde partijen ontvangen en op bevel van abdis en convent van Thorn én van meester Willem, pastoor van Beek, een openbaar instrument opgemaakt, waaraan hun zegels en het zegel ten zaken van de kerk van Luik hing, en hij heeft er zijn notaristeken op aangebracht.
Het kapittel van Luik heeft op verzoek van abdis en convent én van Willem dit gewaarmerkt openbaar notarieel instrument ook bezegeld met het zegel ten zaken.
Guda (van Rennenberg), abdis, en het convent van de abdij van Thorn enerzijds en Willem van Buggenum, pastoor van Beek, anderzijds sluiten ten overstaan van meester Pieter van Awans, openbaar notaris, een overeenkomst inzake tienden te Beek en vragen goedkeuring en bevestiging van deze regeling aan de bisschop van Luik; het kathedrale kapittel van Luik bezegelt op verzoek van beide partijen mede.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 01.187A, archief Vrije Rijksheerlijkheid Thorn, inv. nr. 83.
Aantekeningen op de achterzijde: 1o door 14e-eeuwse hand: Pastorem de Beke. – 2o door 15e-eeuwse hand: De Beke, a b. – 3o door 17e-eeuwse hand: Concordia inter dominam abbatissam et capitulum Thorensem ex una et pastorem de Beeck prope Bree super decimis novis et antiquis, 1299, Q doorgestreept. – 4o door 18e-eeuwse hand: B.
Bezegeling en bekrachtiging: vier bevestigingsplaatsen voor de aangekondigde zegels van de abdis van Thorn, het convent van Thorn, Willem van Buggenum, pastoor van Beek, en het kapittel van Luik (LS1, LS2, LS3 en LS4), en voorzien van het signet van notaris Pieter van Awans.
Afschriften
[B]. 1302 maart 9, niet voorhanden, maar bekend uit C, vidimus door Adolf, bisschop van Luik, van [A]. – C. 18e eeuw, Ibidem, toegangsnr. 01.187B, archief Vrije Rijksheerlijkheid Thorn, inv. nr. 1629 = Codex of cartularium IV, 992-1762 (band notariële afschriften abdij Thorn), p. 63-65, eenvoudig afschrift, naar [B]. – D. 18e eeuw, Ibidem, toegangsnr. 01.187B, archief Vrije Rijksheerlijkheid Thorn, inv. nr. 1629 = Codex of cartularium IV, 992-1762 (band notariële afschriften abdij Thorn), p. 71-72, eenvoudig afschrift, naar [A]. – E. 18e eeuw, Ibidem, toegangsnr. 01.187B, archief Vrije Rijksheerlijkheid Thorn, inv. nr. 1629 = Codex of cartularium IV, 992-1762 (band notariële afschriften abdij Thorn), p. 73-75, eenvoudig afschrift, naar [B].
Uitgave
Niet eerder uitgegeven.
Regest
Habets, Archieven Thorn, I, 79-80, nr. 83.

Nummer 69
Rechter en schepenen van de hof van Lenculen, Jan Suevus, Florens, Olbert, Jan Scilken, Jan Borneken, Adolf en Philips maken bekend dat Jan de Molendino (van de Molen) beloofd heeft eeuwige vrijwaring te verstrekken aan Hendrik de Molendino (van de Molen), zijn bloedverwant, en een rechtmatige klacht af te doen over een jaarlijkse cijns van negen schelling die hij heeft gekocht van Jan en die uit de scheermolen te ontvangen is. Om eeuwige vrijwaring te verstrekken heeft Jan ten behoeve van Hendrik al zijn goederen die hij houdt van de hof van Lenculen, en in het bijzonder een jaarlijkse cijns van negen schelling en negen kapoenen op wijlen Hendrik Appelmengher, en uit diens goederen in Lenculen, als onderpand verbonden.
Gegeven op 17 maart 1291.
Rechter en schepenen van de hof van Lenculen oorkonden dat Jan de Molendino eeuwige vrijwaring heeft beloofd aan Hendrik de Molendino, zijn bloedverwant, voor een jaarlijkse cijns van negen schelling, gevestigd op de scheermolen (te Maastricht), die hij hem heeft verkocht onder verband van al zijn goederen die hij van de hof van Lenculen houdt, en in het bijzonder van een jaarlijkse cijns van negen schelling en negen kapoenen.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002A, archief kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 462. Beschadigd.
Aantekeningen op de achterzijde: 1o door 15e-eeuwse hand: Littera quod de (verbeterd uit I) wanrandia (aldus) ad molendinum dictum scermolen. – 2o door 15e-eeuwse hand: In Platea Lenculensi / R. – 3o door 15e-eeuwse hand: 150. – 4o door 16e-eeuwse hand: 1290.
Bezegeling: acht bevestigingsplaatsen, vermoedelijk voor de zegels van de rechter en schepenen van de hof van Lenculen, die niet aangekondigd zijn (LS1, LS2, LS3, LS4, LS5, LS6, LS7 en LS8). De negende incisie diende mogelijk voor het transfigeren van een inmiddels losgeraakte oorkonde.
Afschrift
Niet voorhanden.
Uitgave
a. Nève, De dertiende-eeuwse schepenoorkonden, 82-83 (met onvolledige vertaling), nr. 1291.03.17, naar A.
Regesten
Doppler, ‘Schepenbrieven’, 34, nr. 21. – Haas, Chronologische lijst, 90, nr. 241. – Nuyens, Inventaris Sint-Servaas, 103, nr. 462.
Lokalisering
Blijkens de dorsale aantekening was de scheermolen gelegen in de Lenculenstraat te Maastricht.
Ontstaan
Deze oorkonde is geschreven door een scriptor die schepenoorkonden van Maastricht mundeert en kan worden gelokaliseerd in het milieu van de schepenbank van Maastricht, zie Collectie Sint-Servaas, nr. 38 onder Ontstaan.
Datering
Het gebruik van de paasstijl in het bisdom Luik is verondersteld, zie Camps, ONB I, XXI, en Dillo en Van Synghel, ONB II, XVII.
Tekstuitgave
Het onderscheid tussen c en t is niet altijd goed zichtbaar.

Nummer 70
Guda, abdis, en het convent van de abdij van Thorn, alsmede Jan van Baexem, pastoor van de parochiekerk van Thorn, maken aan Hugo, bisschop van Luik, en aan zijn plaatsvervangers bekend dat zij met deze oorkonde verklaren dat Guda en haar voorgangsters in de abdij van Thorn zolang men zich kan heugen en tot nu toe vredig integraal de grote en kleine oude tiend van Beersel bij Ittervoort bezitten, een bestaande bijkerk van de kerk van Thorn, en de grote, kleine en oude tienden in het dorp en het grondgebied van Thorn, uitgezonderd van de gronden die Kerkelant heten en de weiden in het grondgebied van Thorn, uit de huizen en hoeven van die weiden, uit twaalf en een halve bunder, genaamd En der O, bestaand uit veertien percelen, uit vier en een halve bunder akkerland in vijf percelen in de akker van het grondgebied, genaamd En den Mersche, uit zes en een halve bunder in acht percelen, gelegen in de akker van het grondgebied, genaamd Thorenvelde, van Gijsbert de Palude, wijlen Godfried Slaterbegh, Philips de Prato, Hendrik van Covorde over de beek en van Hendrik Keyart, uit de huizen en hoeven in het dorp en het grondgebied van Thorn. Zij bezitten de gehele grote tiend van Haler bij Ittervoort, de grote en oude en kleine tienden van Stramproy en Baexem, bijkerken van de parochiekerk van Thorn, en uit de plaats, genaamd Boskelant, bij Ittervoort, voor twee derden, uitgezonderd de grote tiend uit de gronden, Kerkelant genaamd, te Stramproy en Baexem, de kleine tiend uit het huis en de hoeve van Godschalk te Stramproy alsmede de grote tiend uit anderhalve bunder, liggend in de genoemde plaats Boskelant, alsmede twee derden van de grote novale tienden in de hele parochie van Thorn en haar bijkerken, namelijk van Stramproy, Baexem en Ittervoort, met de parochiekerk van Thorn en haar bijkerken verenigd. Het patronaatsrecht behoort toe aan de abdis van Thorn. De pastoor van de parochiekerk van Thorn en zijn opvolgers hebben en houden van oudsher tot op heden als hun aandeel integraal de grote tiend uit de gronden, Kerkelant genaamd, in het grondgebied van Thorn en de bijbehorende genoemde bijkerken, uit de weiden van het grondgebied van Thorn, uit de huizen en hoeven van die weiden, uit de hierboven vermelde gronden van de voornoemde akkers van het grondgebied van Thorn en ook de kleine tiend uit de hierboven vermelde huizen en hoeven in Thorn en de grote en de kleine oude tienden van Ittervoort geheel, en één derde van de oude grote en kleine tienden van Stramproy en Baexem en uit de genoemde plaats Boskelant voor één derde, en de hele kleine tiend uit een huis en hoeve van Godschalk te Stramproy en de hele grote tiend uit de genoemde goederen en de helft in Boskelant, alsmede één derde van de novale tienden van de genoemde parochie en bijkerken, de giften, zekere hoevenaars en andere rechten, behalve dat zij gewoon zijn naar keuze de betere schoof te hebben van het hooi van het weiland, Vrombempt genaamd, in het grondgebied van Thorn, als dezelfde tiend, en zij waren daarmee tevreden.
En Jan, pastoor van Thorn, heeft voor hem en zijn opvolgers erkend dat dit waar is, waarbij hij openlijk verklaart dat de genoemde goederen die hij en zijn voorgangers hebben ter waarde van 50 pond kleine zwarte Tournoois per jaar, ruim volstaan ter ondersteuning van de parochiale lasten voor hem en zijn plaatsvervangers. Beide partijen zijn vriendschappelijk overeengekomen en bepalen dat abdis en convent van Thorn en degene die na hen in het klooster zullen zijn, de genoemde tienden van de genoemde plaatsen die zij hebben en bezitten ook in de toekomst zullen hebben en vredig heffen, zoals hiervoor onderscheiden. Met de andere tienden, inkomsten, zekere hoevenaars en genoemde rechten die voor de pastoor en zijn opvolgers gereserveerd zijn, moeten Jan en zijn opvolgers tevreden zijn. Beide partijen beloven dat zij alles zullen naleven en hierover geen controverse of betwisting zal worden aangegaan in de toekomst, noch door hen noch door een ander, van rechtswege of feitelijk, maar dat ze alles voor bekrachtigd zullen houden en hiertegen niets zullen doen.
Abdis en convent vragen aan de bisschop van Luik en zijn plaatsvervangers om deze overeenkomst te ratificeren en bevestigen.
Zij hebben dit door een openbaar notaris laten opschrijven en doen publiceren en hebben hun zegels aangehangen, samen met het zegel ten zaken van de kerk van Luik.
Gedaan te Thorn, in de lagergelegen aula van het huis van de abdis, op 29 mei 1299, in aanwezigheid van: Lodewijk en Rutger, kapelaans van de abdij van Thorn, Willem van Hers, clericus, Gerard Haak, geletterd man, hiertoe als getuige gevraagd.
Meester Pieter van Awans, clericus, openbaar notaris, was samen met de genoemde getuigen bij deze overeenkomst, gedaan door beide partijen zoals hiervoor opgesteld, hij heeft de beloftes en bepalingen van de genoemde partijen ontvangen en op bevel van abdis en convent van Thorn én van Jan, pastoor van Thorn, een openbaar instrument opgemaakt, waaraan hun zegels en het zegel ten zaken van de kerk van Luik hing, en hij heeft er zijn notaristeken op aangebracht.
Het kapittel van Luik heeft op verzoek van abdis en convent én van Jan van Baexem, pastoor van Thorn, dit gewaarmerkt openbaar notarieel instrument ook bezegeld met het zegel ten zaken.
Guda (van Rennenberg), abdis, en het convent van de abdij van Thorn enerzijds en Jan van Baexem, pastoor van Thorn, anderzijds sluiten ten overstaan van meester Pieter van Awans, openbaar notaris, een overeenkomst inzake tienden te Beersel, Thorn, Haler, Stramproy en Baexem en vragen goedkeuring en bevestiging van deze regeling aan de bisschop van Luik; het kathedrale kapittel van Luik bezegelt op verzoek van beide partijen mede.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 01.187A, archief Vrije Rijksheerlijkheid Thorn, inv. nr. 85. Beschadigd met tekstverlies.
Aantekeningen op de achterzijde: 1o door eind 13e-eeuwse hand: Instrumentum ecclesie de Thoren. – 2o door eind 13e/begin 14e-eeuwse hand: Instrumentum de Thoren. – 3o door 17e-eeuwse hand: [***] inter abbatissam [***] et pastorem de Thoren super decimis [***] 1299, Q doorgestreept. – 4o door 18e-eeuwse hand: I.
Bezegeling en bekrachtiging: één uithangend bevestigd zegel, dat aangekondigd is, namelijk: S1 van Guda van Rennenberg, abdis van Thorn, van groene was, beschadigd; en drie bevestigingsplaatsen voor de aangekondigde zegels van het convent van Thorn, Jan van Baexem, pastoor van Thorn, en het kapittel van Luik (LS2, LS3 en LS4), en voorzien van het signet van notaris Pieter van Awans. Voor een beschrijving en afbeelding van S1, zie Venner, ‘Zegels Thorn’, 34.
Afschriften
[B]. 1302 maart 9, niet voorhanden, maar bekend uit C, vidimus door Adolf, bisschop van Luik, van [A]. – C. eerste helft 15e eeuw, Ibidem, toegangsnr. 01.187B, archief Vrije Rijksheerlijkheid Thorn, inv. nr. 1628 (voorheen cartularium nr. 1) = Cartularium abbatiae imperialis Thorensis, 966-1600, p. 99-102 (oude fol. 54r-55v), onder de rubriek: E, Item de eodem, Littera confirmationis et approbationis prefate concordie domini Hugonis, episcopi Leodiensis, naar [B].
Uitgave
a. Creemers, ‘Aanteekeningen’, 118-121, naar C.
Regest
Habets, Archieven Thorn, I, 80-82, nr. 85.
Tekstuitgave
De lacunes in A zijn aangevuld naar C.
Nummer 70
Luiks en twee kapoenen als allodium, te ontvangen uit een huis aan de Jeker tegenover de Sint-Hilariuskapel, bij de Stenen Brug, ten behoeve van Tiloy de Cervo (van het Hert), wijnboer, en zijn erfgenamen en ze hebben ervan afgezien zodat aan alle eisen is voldaan. Zij hebben beloofd vrijwaring te verstrekken en een rechtmatige klacht af te doen gedurende jaar en dag, zoals gebruikelijk is, en zij zullen Wijnand en Mabilia, broer en zus van de genoemde kinderen, ertoe brengen om op aanmaning van Tiloy afstand te doen van de genoemde goederen. En om dit te bewerkstelligen hebben zij al hun goederen als onderpand gesteld.
Gegeven op 15 mei 1291.
Schepenen van Maastricht oorkonden dat Ida, weduwe van Boudewijn Pape, en zijn kinderen Ida, Hendrik, Godfried en Jan afstand hebben gedaan van een jaarlijkse cijns van twaalf schelling Luiks en twee kapoenen als allodium, gevestigd op een huis aan de Jeker, tegenover de Sint-Hilariuskapel (te Maastricht), bij de Stenen Brug, ten behoeve van Tiloy de Cervo, wijnboer, en zijn erfgenamen.
Origineel
[A]. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002A, archief kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 728, getransfigeerd aan een aantal veertiende- en vijftiende-eeuwse oorkonden. Thans onvindbaar.
Afschrift
Niet voorhanden.
Uitgave
a. Nève, De dertiende-eeuwse schepenoorkonden, 86-87 (met onvolledige vertaling), nr. 1291.05.15, naar [A].
Regesten
Doppler, ‘Schepenbrieven’, 34, nr. 22. – Haas, Chronologische lijst, 91, nr. 244. – Nuyens, Inventaris Sint-Servaas, 138, nr. 728.
Tekstuitgave
Bij ontstentenis van het origineel is onderhavige oorkonde uitgegeven naar a.

Nummer 71
In aanwezigheid van meester Pieter van Awans, openbaar notaris, en de ondergeschreven, speciaal hiertoe opgeroepen en gevraagde getuigen zijn volgende partijen bijeengekomen: Guda, abdis, en convent van de abdij van Thorn enerzijds en de aanzienlijke mannen Hendrik van Oeteren genaamd van Pietersheim, Jacob van Gilze, Jan van Thorn genaamd van Baexem, meester Willem van Beek bij Bree genaamd van Buggenum, Willem van Eisden en Reinier van Baarle, pastoors van de parochiekerken, verdeeld anderzijds. De genoemde religieuzen hebben voor zich en de afzonderlijke pastoors apart en gescheiden de verstandige mannen Robert van Millen, hoewel afwezig, en Willem van Hers, aanwezig, hun clerici en hun eventuele vervangers (zodanig dat er geen betere conditie van de houder is) gemaakt, aangesteld en benoemd tot hun zaakgelastigden om aan de bisschop van Luik of de paus de ratificatie en bevestiging te vragen, verzoeken, volvoeren en maken voor hen en hun opvolgers van de regelingen en vaststellingen tussen abdis en convent van Thorn enerzijds en de afzonderlijke pastoors, vallend onder het patronaatsrecht van de abdis, anderzijds, over de heffing van de novale en oude tienden van de genoemde parochies en over andere rechten die toekomen of moeten toekomen zowel aan diezelfde religieuzen gezamenlijk of afzonderlijk, als aan de afzonderlijke voornoemde pastoors en hun opvolgers in hun kerken, welke rechten in de toekomst ook door hen geheven en gehouden zullen worden. Daarbij zullen zij alles bevestigen wat door de genoemde zaakwaarnemers en hun vervangers in hun naam gedaan zal worden ter zake van deze rechten.
Dit openbaar instrument is gemaakt op verzoek van de genoemde partijen en zij hebben gevraagd aan de kerk van Luik om dit te bezegelen.
Gedaan op 18 mei 1299, door Hendrik, pastoor van Oeteren, te Maastricht, in aanwezigheid van Alexander van Maastricht, zoon van Alexander van Liempde, clericus, Jan van Millen, Arnoud van Leende, geletterde mannen, en Wijnand van Warsage; gedaan door Jacob, pastoor van Gilze, bij Baarle, op 23 mei, in aanwezigheid van Hendrik, vicaris van Gilze, Lodewijk, kapelaan in de kerk van Thorn, en Gerlach, geletterde mannen; en door meester Willem van Beek en Willem van Eisden, pastoors van Beek en Eisden, in de lagergelegen aula van het huis van Guda, abdis van Thorn, in aanwezigheid van Lodewijk en Rutger, kapelaans in de kerk van Thorn, en anderen; en door Guda en het convent en Jan, pastoor van Thorn, in diezelfde aula, op 29 mei, in aanwezigheid van de genoemde Lodewijk en Rutger; en door Reinier, pastoor van Baarle, te Luik, in het huis van de Goede Kinderen, op 4 juni, in aanwezigheid van de clerici Zebodo van Malmédy en Jan van Mesch.
Meester Pieter van Awans, clericus, openbaar notaris, was samen met de genoemde getuigen op de voornoemde dagen en uren aanwezig bij wat hierboven verteld is en heeft dit openbaar instrument opgemaakt en er zijn notaristeken op aangebracht.
Het kapittel van Luik heeft op verzoek van de genoemde partijen ook bezegeld.
Guda (van Rennenberg), abdis, en het convent van de abdij van Thorn enerzijds en de pastoors van Oeteren, Gilze, Thorn, Beek, Eisden en Baarle anderzijds benoemen ten overstaan van meester Pieter van Awans, openbaar notaris, Robert van Millen en Willem van Hers tot hun procuratoren om de goedkeuring te bewerkstelligen door de bisschop van Luik of de paus van de overeenkomsten, gesloten door abdis, convent en de pastoors inzake de tienden en andere rechten binnen hun parochies; het kathedrale kapittel te Luik bezegelt op verzoek van alle partijen mede.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 01.187A, archief Vrije Rijksheerlijkheid Thorn, inv. nr. 81.
Uitgave
a. Dillo-Van Synghel, ONB II, 1063-1065, nr. 1400, naar A.

Nummer 71
Aangezien Jan, hertog van Lotharingen, Brabant en Limburg, de kanunniken van Sint-Servaas te Maastricht in zijn bescherming en geleide heeft opgenomen, gelast hij zijn schout te Maastricht, zoals hem is verzocht, om ervoor te zorgen dat de kanunniken gezamenlijk en individueel zonder tegenspraak goede vredebrieven hebben voor alle rechtszaken en twisten die hun bloedverwanten tegen anderen en anderen tegen hen hebben, mits de kanunniken deze rechtszaken en twisten niet zelf hebben aangetrokken en er zich niet mee inlaten.
Gegeven op 3 juli 1292.
Jan I, hertog van Lotharingen, Brabant en Limburg, gelast zijn schout te Maastricht om de kanunniken van het Sint-Servaaskapittel te Maastricht goede vredebrieven te verlenen voor de processen en twisten die hun bloedverwanten met anderen hebben, mits de kanunniken deze niet naar zich toetrekken en er zich niet mee inlaten.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002A, archief kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 63.
Aantekeningen op de achterzijde: 1o door 15e-eeuwse hand: Littera domini .. (hierna bovengeschreven door latere hand) Iohannis, ducis Brabantie, super treugis et assecuratione canonicorum / 28. – 2o door 16e-eeuwse hand: R. LIIII / anno 1292. – 3o door 17e-eeuwse hand: In capsa ducalium / excopiatum / 7 / g 6. – 4o door 18e-eeuwse hand: Cap. 4.
Bezegeling: één uithangend bevestigd zegel, dat niet aangekondigd is, namelijk: S1 van Jan I, hertog van Brabant, van bruine was, beschadigd. Voor een beschrijving en afbeelding van S1, zie Venner, ‘Zegels’, nr. 52.
Afschrift
B. 17e eeuw, Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002A, archief kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 12 (cartularium) = Cartularium ecclesie collegialis Sancti Servati (aldus) Trajecti ad Mosam, tomus secundus, Documenta imperialia et ducalia, fol. 4v-5r, onder caput: Ducalia, en onder de rubriek: Littera ducis Brabantie super treugis et assecuratione canonicorum, gewaarmerkt afschrift door Hendrik Lenssens, kapittelsecretaris en openbaar notaris, geadmitteerd door de Raad van Brabant, naar A..
Uitgave
Niet eerder uitgegeven.
Regesten
Doppler, ‘Verzameling [800-1273]’, 267, nr. 229. – Haas, Chronologische lijst, 93, nr. 250. – Nuyens, Inventaris Sint-Servaas, 54, nr. 63.

Nummer 72
Adolf van Scherfte, Willem van Vormesnijt en Willem van Kemenade, ridders, verklaren dat Geertrui, weduwe van Gerlach van Übach, en haar zonen Jan, Willem, Dirk en Gerlach in hun bijzijn vrijwillig en vrij hebben erkend dat Guda, abdis, en het convent van de abdij van Thorn aan Gerlach en zijn weduwe en zoons volledige genoegdoening hebben geschonken inzake elke schade, hoofd- en bijzaak, die Gerlach beweerde geleden te hebben omdat een zekere persoon, bijgenaamd Wraedsche, hem zeer onterecht gevangen genomen en in gevangenschap gehouden had namens abdis en convent. Zij verklaren uitdrukkelijk en beloven te goeder trouw en zonder list dat zij in de toekomst inzake deze gevangenschap geen enkele actie buiten het gerecht zullen ondernemen wanneer er tegen abdis en convent over enige schade zal worden geprocedeerd.
Adolf, Willem van Vormesnijt en Willem van Kemenade hebben op verzoek van Geertrui en haar zonen bezegeld.
Gegeven op 25 juni 1299.
Adolf van Scherfte, Willem van Vormesnijt en Willem van Kemenade, ridders, verklaren dat Geertrui, weduwe van Gerlach van Übach, en haar zonen Jan, Willem, Dirk en Gerlach voldoende gecompenseerd zijn door Guda (van Rennenberg), abdis, en het convent van Thorn omwille van de gevangenschap van Gerlach door een zekere persoon, bijgenaamd Wraedsche.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 01.187A, archief Vrije Rijksheerlijkheid Thorn, inv. nr. 87.
Aantekeningen op de achterzijde: 1o door 17e-eeuwse hand: Ein sohns etliger mitt der abdissen, 1299. – 2o door 18e-eeuwse hand: V boven doorgestreepte O, Z?.
Bezegeling: één uithangend bevestigd zegel, dat aangekondigd is, namelijk: S3 van Willem van Kemenade, van witte was, beschadigd; en twee bevestigingsplaatsen voor de aangekondigde zegels van Adolf van Scherfte en Willem van Vormesnijt (LS1 en LS2). Voor een beschrijving en afbeelding van S3, zie Venner, ‘Zegels Thorn’, 45-46.
Uitgaven
a. Franquinet, Beredeneerde inventaris Thorn, 94, nr. 61, naar A. – b. Habets, Archieven Thorn, 82-83, nr. 87, naar a.
Regest
Haas, Chronologische lijst, 104-105, nr. 289 (gedateerd 1299 juni 23).

Nummer 72
Op 16 augustus 1292 is ten overstaan van notaris Lambert van Maastricht genaamd van Sint-Hilarius en van getuigen aan Reinhard, deken van het Sint-Servaaskapittel te Maastricht, en de kanunniken Daniel van Hamal, Herman, beheerder van de financiën, en Koenraad van Nythusen enerzijds, en Udo van Colmont, pastoor van Heer, anderzijds een document voorgelezen waarin Udo persoonlijk het volgende uitsprak:
Aangezien deken en kapittel van Sint-Servaas binnen de parochiegrenzen van Heer de oude tiend van Heer hebben geheven en sinds mensenheugenis persoonlijk of via hun bode hebben ontvangen, zoals die hen toebehoort en ze die tot nu toe heffen en ontvangen en naar hun goeddunken vrij over beschikken, en aangezien dit bekend en duidelijk is in deze parochie en de naburige plaatsen, uitgezonderd dat binnen de grenzen van de parochie van Heer de tiend van zestien bunder in Terblijt, alsmede de kleine tiend in Amby en Bemelen van oudsher tot de kerk van Heer heeft behoord en nog behoort, en omdat het voor Udo onzeker en twijfelachtig is of de novale tiend in zijn parochie aan zijn eigen kerk toekomt danwel aan de deken en het kapittel, zowel omdat zij de novale tiend gedurende vijfentwintig jaar en meer hebben geheven, nog bezitten en heffen als op grond van hun privileges, gaat hij ermee akkoord dat deken en kapittel de novale tiend voortaan heffen en ontvangen en doet hij afstand van ieder recht dat hem in die tiend toekomt ten behoeve van de Sint-Servaaskerk. Ook belooft hij onder ede dat hij deken en kapittel voortaan niet persoonlijk of via iemand anders zal hinderen inzake deze novale tiend en dat hij vanaf dit moment geen recht op deze tiend zal opeisen. Hij doet afstand van alle excepties doli mali, circumventionis, lesionis, van het beneficie tot herstel in de oorspronkelijke toestand en van elk hulpmiddel dat hem tot voordeel en het kapittel tot nadeel kan strekken.
Udo heeft onder ede in de hand van de deken verklaard dat alles in het voorgaande document waar is, dat hij het eens is met de inhoud en beloofd dat hij deken en kapittel voortaan niet zelf of via iemand anders zal hinderen inzake de genoemde tiend; en hij heeft afstand gedaan van alle excepties doli mali, circumventinis en bovengenoemde andere.
Udo heeft beloofd de notarisakte te bezegelen.
Gedaan te Maastricht, in het Sint-Servaaskapittel, in aanwezigheid van de priesters Frank, koster van Sint-Servaas, en Eustaas, plaatsvervangend pastoor van Heer, en de clerici meester Hendrik, schoolmeester, en Hendrik Simplex (de Eenvoudige).
Lambert van Maastricht genaamd van Sint-Hilarius, openbaar notaris, heeft dit geschreven, openbaar gemaakt en met zijn waarmerk gesigneerd.
Udo, pastoor van Heer, heeft bezegeld.
Gedaan en gegeven op 16 augustus 1292.
Lambert van Maastricht genaamd van Sint-Hilarius, openbaar notaris, oorkondt dat in aanwezigheid van getuigen en van deken en kapittel van Sint-Servaas te Maastricht enerzijds en Udo van Colmont, pastoor van Heer, anderzijds een document is voorgelezen waarin Udo ten behoeve van de Sint-Servaaskerk afstand heeft gedaan van alle rechten die hij op de novale tienden te Heer zou kunnen hebben, en dat Udo heeft verklaard dat dit alles waar is.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002A, archief kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 384.
Aantekeningen op de achterzijde: 1o door 15e-eeuwse hand: Compositio inter capitulum et investitum (eerste letter verbeterd uit U door schrijfhand) ecclesie de et (aldus) Here. – 2o door 15e-eeuwse hand: NXXX. – 3o door 16e-eeuwse hand: 1292 / in capsula Heer / excopiatum numero 3. – 4o door 17e-eeuwse hand: 55 / cap. 52.
Bezegeling en bekrachtiging: één bevestigingsplaats, vermoedelijk voor het aangekondigde zegel van Udo van Colmont, pastoor van Heer (LS1); alsmede het signet van Lambert van Maastricht, openbaar notaris.
Afschrift
Niet voorhanden.
Uitgave
a. Habets, ‘Codex diplomaticus’, 47-19, nr. 84, naar A.
Regesten
Doppler, ‘Verzameling [800-1273]’, 267-268, nr. 230. – Haas, Chronologische lijst, 93, nr. 251. – Nuyens, Inventaris Sint-Servaas, 94, nr. 384.
Tekstuitgave
Het onderscheid tussen c en t is niet altijd goed zichtbaar.
Nummer 73
Raas van Gavere, heer van Liedekerke en Breda, maakt bekend dat Jacob, deken van Hilvarenbeek en pastoor van Gilze en Mertersem, hem meerdere keren de vraag heeft gesteld of het presentatierecht van de kerk of bijkerk van Etten, die een deel is van de kerk van Mertersem waarvan het collatie- en presentatierecht aan deze pastoor blijkt toe te komen, hem toekwam, wat de pastoor bevestigde, en dat dit recht van de kerk van Etten rechtens ook aan hem zou moeten toekomen. Hendrik, eertijds heer van Breda, en de pastoor van de kerk van Gilze, die de moederkerk is van de bijkerken van Mertersem en Etten, hebben evenwel ter vermijding van de gevaren en om het gemak van de eredienst te vermeerderen op gezag van de bisschop van Luik de kerk of bijkerk van Etten aan de genoemde parochie van Mertersem onttrokken door haar af te scheiden en haar tot zelfstandige parochie gemaakt, behoudens het recht van de moederkerk als pastoor daar. Wijlen Arnoud, heer van Breda, heeft een feitelijke presentatie voor deze kerk of bijkerk van Etten gedaan ten nadele en tot schade van de genoemde pastoor, waarbij deze zich heeft beklaagd en dit tegengesproken. Aangezien tenslotte Raas van Gavere deze klacht van de pastoor heeft onderzocht en na kennisname van de waarheid door geloofwaardige en oudere personen van het land van Breda heeft bevonden dat het zo is als hier voren is gezegd, erkent hij voor zichzelf en zijn opvolgers uitdrukkelijk dat zij geen enkel recht hebben in de kerk of bijkerk van Etten, noch in de collatie, noch in het patronaatsrecht. En hij wil dat de pastoor en zijn opvolgers nu en in de toekomst zonder enige tegenspraak door hem of zijn opvolgers vrij zullen genieten van de kerk of bijkerk van Etten en van het presentatie- en collatierecht.
Raas heeft bezegeld.
Gedaan op 31 maart 1300.
Raas II van Gavere, heer van Liedekerke en Breda, erkent dat de heren van Breda geen recht hebben op het patronaatsrecht van de kerk van Etten, en dat de pastoor van Gilze het presentatie- en collatierecht bezit.
Origineel
[A]. Niet voorhanden.
Afschrift
B. 1611 mei 7, Maastricht, HCL, toegangsnr. 01.187A, archief Vrije Rijksheerlijkheid Thorn, inv. nr. 1629 = Codex of cartularium IV, 992-1762 (band notariële afschriften abdij Thorn), ongefol., gewaarmerkt afschrift door P. Gillis, griffier van de Raad van Brabant, naar een verloren gegaan register met afschriften.
Uitgave
a. Dillo-Van Synghel, ONB II, 1083-1086, nr. 1410.

Nummer 73
Jan Suevus en Bruno supra Domum, schepenen van Maastricht, maken bekend dat Ida de Alto Ponte (van de Hoge Brug), begijn, nicht van Marsilius, afstand heeft gedaan van een jaarlijkse cijns van vijftien schelling Luiks en één kapoen, uit haar goederen in de Hoge Brug die Marsilius van haar houdt en die afhangen van de refter van de Sint-Servaaskerk te Maastricht, ten behoeve van Jutta, begijn, dochter van wijlen Reinier van Susghen, zonder gewin te geven of ontvangen, de ene helft met Kerstmis met de kapoen en de andere helft op 24 juni. En zij heeft zoveel gedaan dat ten tijde van de afstand aan alle eisen is voldaan. Zij heeft beloofd binnen jaar en dag vrijwaring te verstrekken en een rechtmatige klacht af te doen, zoals gebruikelijk is, en zoveel penningen te overhandigen over een evenlange tijdspanne als zij terzake van deze cijns ontvangen had, indien deze cijns zou worden uitgewonnen, onder verband van al haar goederen. Bovendien heeft zij Dirk Coykart als borg aangesteld.
Gegeven op 23 oktober 1293.
Schepenen van Maastricht oorkonden dat Ida van de Hoge Brug, begijn, nicht van Marsilius, afstand heeft gedaan van een jaarlijkse cijns van vijftien schelling Luiks en één kapoen, gevestigd op haar goederen in de Hoge Brug (te Maastricht) ten behoeve van Jutta, begijn, dochter van Reinier van Susghen.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002A, archief kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 463-1. Getransfigeerd aan de oorkonde d.d. 1294 juni 25 (zie Collectie Sint-Servaaskapittel, nr. 74).
Aantekeningen op de achterzijde: 1o door 15e-eeuwse hand: XV solidos, I caponem. – 2o door 15e-eeuwse hand: In Alto Ponte. – 3o door 16e-eeuwse hand: Littera Iutte de Susghen / non invenitur in registro / 79. – 4o door 16e-eeuwse hand: R 96 / 1293 / X 24.
Bezegeling: twee uithangend bevestigde zegels, die niet aangekondigd zijn, namelijk: S1 van Jan Suevus, schepen van Maastricht, van bruine was, beschadigd. – S2 tweede zegel van Bruno supra Domum, schepen van Maastricht, van bruine was, beschadigd. Voor een beschrijving en afbeelding van S1 en S2, zie respectievelijk Venner, ‘Zegels klooster Sint-Gerlach’, 162, en Idem, ‘Maastrichtse schepenzegels’, 177, nr. 41.
Afschrift
Niet voorhanden.
Uitgave
a. Nève, De dertiende-eeuwse schepenoorkonden, 95-96 (met onvolledige vertaling), nr. 1293.10.23, naar A.
Regesten
Doppler, ‘Schepenbrieven’, 39, nr. 31. – Haas, Chronologische lijst, 95-96, nr. 259. – Nuyens, Inventaris Sint-Servaas, 103, nr. 463.
Lokalisering
De Altus Pons is de Sint-Bernardusstraat, vroeger de Helstraat, te Maastricht, zie Nève, De dertiende-eeuwse schepenoorkonden, 185, noot 56.
Ontstaan en samenhang
Onderhavige oorkonde is geschreven door een scriptor die twee originele schepenoorkonden van Maastricht mundeert voor de commandeur van de Duitse Orde en het klooster van Sint-Gerlach te Houthem d.d. 1293 mei 15 (zie Van Synghel, Oorkonden Sint-Gerlach, 165-166, nr. 38) en voor het Sint-Servaaskapittel te Maastricht d.d. 1296 februari 25 (zie Collectie Sint-Servaaskapittel, nr. 78). Bijgevolg kan deze scriptor worden gelokaliseerd in het milieu van de schepenbank van Maastricht. Voor de oorkonde d.d. 1294 juni 25, waar onderhavige oorkonde als transfix aan bevestigd is, zie Collectie Sint-Servaaskapittel, nr. 74.
Tekstuitgave
Het onderscheid tussen c en t is niet altijd goed zichtbaar.
Nummer 74
Florens en Olbert Colsop, schepenen van Maastricht, maken bekend dat ten overstaan van hen Jutta, begijn, dochter van wijlen Reinier van Susghen, afstand heeft gedaan van een jaarlijkse cijns van vijftien schelling Luiks en één kapoen, zoals vermeld in de aangehechte oorkonde, op de wijze en met het recht waarmee zij deze cijns houdt, ten behoeve van deken en kapittel van Sint-Servaas te Maastricht om uit te keren bij de feestelijkheden die Jan, priester, gewezen gasthuismeester van Sint-Servaas, jaarlijks heeft ingesteld op het feest van de heilige Barbara, en voor zijn jaargetijde.
Gegeven op 25 juni 1294.
Schepenen van Maastricht oorkonden dat Jutta, begijn, dochter van Reinier van Susghen, afstand heeft gedaan van een jaarlijkse cijns van vijftien schelling Luiks en één kapoen, zoals vermeld in de getransfigeerde oorkonde d.d. 1293 oktober 23, ten behoeve van deken en kapittel van Sint-Servaas te Maastricht ten bate van de feestelijkheden die Jan, priester, gewezen gasthuismeester, heeft ingesteld op de feestdag van de heilige Barbara, en voor zijn jaargetijde.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002A, archief kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 463-2. Met de getransfigeerde oorkonde d.d. 1293 oktober 23.
Aantekening op de voorzijde van de pliek: 1o door 13e-eeuwse hand: Per Sylogum 4. Geen aantekeningen op de achterzijde.
Bezegeling: één uithangend bevestigd zegel, dat niet aangekondigd is, namelijk: S2 tweede zegel van Olbert Colsop, schepen van Maastricht, van bruine was, beschadigd; en één bevestigingsplaats, vermoedelijk voor het zegel van Florens, (zoon van wijlen Gozewijn Rufus), dat niet aangekondigd is (LS1). Voor een beschrijving en afbeelding van S2, zie Venner, ‘Maastrichtse schepenzegels’, 175, afb. 32.
Afschrift
Niet voorhanden.
Uitgave
a. Nève, De dertiende-eeuwse schepenoorkonden, 127-128 (met onvolledige vertaling), nr. 1294.06.25 (1), naar A.
Regesten
Doppler, ‘Schepenbrieven’, 40, nr. 32. – Haas, Chronologische lijst, 98, nr. 267. – Nuyens, Inventaris Sint-Servaas, 103, nr. 463.
Samenhang
Voor de getransfigeerde oorkonde d.d. 1293 oktober 23, zie Collectie Sint-Servaas, nr. 73.
Tekstuitgave
Het onderscheid tussen c en t is niet altijd goed zichtbaar.

Nummer 75
De officiaal van het hof van Luik maakt bekend dat de procurator van het Sint-Servaaskapittel te Maastricht krachtens zijn functie en voor de kerk zelf een zaak aanhangig had gemaakt voor hem tegen Willem, heer van Horn, ridder, en de eis van het kapittel als volgt heeft bekend gemaakt:
Officiaal, de procurator zegt tegen Willem, heer van Horn, dat weliswaar het dorp Weert, de hoge en lage rechtspraak, de aanstelling, creatie of afzetting van de schout en schepenen van Weert, van wie het hof van de Sint-Servaaskerk te Vlijtingen de directe hogere rechters ofwel het hoofd zijn en moeten zijn, en het innen van de helft van de tienden van Weert, het verlenen van de inbezitstelling van de goederen van Weert met de afkondigingen van de bannen en vrede die in dergelijke gevallen gebruikelijk zijn, en twee molens, te weten een windmolen in het rechtsgebied van Weert en watermolen te Tungelroy, met mensen, hoevenaars en aanklevende rechten van Weert, toekomen aan en van oudsher zijn toegekomen aan de Sint-Servaaskerk en van die kerk zijn en geweest zijn, en de kerk zelf in het bezit was van Weert, de rechtspraak, de aanstelling, de creatie en afzetting van schout en schepenen, het innen van tienden en andere rechten en goederen met erbij behorende rechten, maar dat desalniettemin de gedaagde zich ten onrechte en tegen de wil van de Sint-Servaaskerk Weert, de rechtspraak, aanstellingen, creatie en afzetting van schout en schepenen, innen van tienden en andere rechten van de kerk met de erbij behorende rechten heeft toegeëigend en zich toe-eigent, en dat hij de kerk zelf ten onrechte uit het bezit heeft verdreven en de vruchten en opbrengsten die aan kerk toebehoren, aan zichzelf heeft gegeven tot een bedrag van achthonderd mark Luiks.
En de gedaagde heeft beweerd en beweert dat hij het recht had en heeft om de tiend naar zijn eigen verblijfplaats te vervoeren, deze naar eigen goeddunken te dorsen, het stro en kaf te ontvangen en bezitten, lasten en belastingen op te leggen aan mannen en hoevenaars van de Sint-Servaaskerk die te Weert en in dat rechtsgebied verblijven, hen naar eigen wil in zijn legers ten oorlog te voeren, om grachten te maken bij openbare wegen, zich de gemene en openbare weiden van Weert toe te eigenen en de nog toe te eigenen weiden aan anderen over te dragen, ook al heeft en had de gedaagde het recht niet om dit te doen.
Had de gedaagde dit niet gedaan, dan had de kerk geen schade geleden tot een bedrag van twaalfhonderd mark Luiks, waarvoor de gedaagde aan de kerk geen terugbetaling heeft gedaan.
Ook zegt de procurator van de Sint-Servaaskerk tegen de gedaagde dat de kerk het recht had en heeft om het volgende te ontvangen en bezitten van de hoevenaars en mannen van Weert: de jaarlijkse eeuwige inkomsten van acht mud haver naar Weertse maat, genaamd zukerhavere, twee brouwketels in Weert met de jaarlijkse en eeuwige inkomsten en opbrengsten van deze ketels, jaarlijks oplopend tot zeven mark Luiks, de jaarlijkse en eeuwige inkomsten van vijfentwintig schelling Luiks van de hoevenaars en mannen van Weert die hier verblijven vanwege een bos van de kerk, gelegen in het rechtsgebied van Weert. De kerk was in het bezit om deze jaarlijkse inkomsten te ontvangen en bezitten en de ketels met hun hoger genoemde inkomsten, maar desalniettemin heeft de gedaagde de kerk niet toegestaan om deze jaarlijkse inkomsten te ontvangen en heffen en de ketels in Weert te hebben en houden, en hij heeft zich in dezen tegen de Sint-Servaaskerk verzet en deze inkomsten geheven en ontvangen en de ketels in bezit gehouden.
Had de gedaagde dit niet gedaan, dan had de kerk geen schade geleden tot een bedrag van tweehonderd mark Luiks, en de gedaagde heeft de kerk ten onrechte uit dit bezit van deze inkomsten en het bezit van deze ketels verdreven.
Ook zegt de procurator tegen de gedaagde dat hij bezit heeft genomen van een bos van de kerk van vijftig bunder en meer, gelegen in het rechtsgebied van Weert, en dat hij de Sint-Servaaskerk, die in het bezit was van dit bos, ten onrechte heeft verdreven en het bos heeft onttrokken of laten onttrekken en kappen ten nadele en tot schade van de kerk, en dat hij de kerk schade heeft berokkend tot een bedrag en waarde van dertig mark Luiks en meer, waarvoor de gedaagde ten onrechte weigert met de kerk de rekening te vereffenen.
Daarom eist de procurator in naam van de kerk dat de gedaagde daartoe wordt veroordeeld en gedwongen, dat hij zich onthoudt van de inbezitname en dat hij Weert, de rechtspraak, benoeming, creatie en afzetting van schout en schepenen van Weert, het innen van de tienden voor de helft, het verlenen van inbezitstellingen, bannen en vrede, de twee molens met mannen, hoevenaars en aanklevende rechten van Weert met het bos aan de kerk teruggeeft en haar in het bezit herstelt, en dat hij van de ontvangen vruchten of de vruchten die door de gedaagde ontvangen konden worden uit de genoemde goederen vanaf het moment van de verdrijvingen, die in de voortgang van het proces bepaald moeten worden en voor de genoemde bedragen, overeenkomstig de schade en de benadeling voor de kerk vergoeding geeft. Ook eist de procurator van de Sint-Servaaskerk dat door de officiaal wordt bepaald dat de gedaagde het recht niet heeft of heeft gehad om de tiend naar zijn verblijfplaats te vervoeren, deze te dorsen, het stro en kaf te ontvangen en te bezitten, de voornoemde mannen en hoevenaars te belasten en belastingen op te leggen en hen in zijn leger ten oorlog te voeren naar zijn eigen wil, om grachten te maken bij de openbare wegen, zich de gemene weiden toe te eigenen en aan anderen over te dragen, en dat door de officiaal wordt verklaard en afgekondigd dat de kerk het recht heeft en gehad heeft om van haar hoevenaars en mannen van Weert het volgende te ontvangen en bezitten: de jaarlijkse en eeuwige inkomsten van acht mud haver, de twee ketels te Weert met de jaarlijkse en eeuwige inkomsten van zeven mark, en met de jaarlijkse en eeuwige inkomsten van vijfentwintig schelling, en dat de gedaagde het recht niet heeft en gehad heeft het voorgaande te doen, en dat de gedaagde ervoor instaat, naargelang de zaak het verlangt en juist zal zijn, dat hij de voornoemde belemmeringen voortaan niet zal uitvoeren.
De procurator verzoekt de officiaal voor zover mogelijk zijn ambt te vervullen, te meer omdat de gedaagde zelf in het bijzijn van rechtschapen mensen heeft erkend dat het voorgaande of enkele zaken daarvan waar zijn. Dit zegt en eist de procurator van het Sint-Servaaskapittel met behoud van het recht om zaken toe te voegen of weg te nemen etc., waarbij hij getuigt dat voor hem het voorgaande, dat hij zal aantonen, correct is.
Nadat de rechtszaak over de genoemde eis door de partijen wettelijk aanhangig is gemaakt, een valse aanklacht afgezworen, de geformuleerde stellingen en de antwoorden hierop schriftelijk zijn opgetekend, getuigen voorgeleid, beëdigd, gehoord en nauwkeurig ondervraagd, hun uitspraken schriftelijk vastgelegd en volgens de regels bekend gemaakt, afschriften zijn verstrekt om de getuigen en hun woorden tegen te spreken, heeft Willem van Horn tegen de procurator van het Sint-Servaaskapittel het volgende voorgelegd:
Officiaal, onder inroeping van de peremptoire exceptie en bij wijze van verzet tegen onjuistheid, zegt en stelt Willem, heer van Horn, dat hij ontslagen moet worden van de eis van de procurator van de Sint-Servaaskerk inzake het geschil tussen de procurator enerzijds en Willem anderzijds aangaande Weert, de rechten en rechtspraak, bij de officiaal aanhangig, en zegt het volgende: Weert, de hele hoge en lage rechtspraak, de aanstelling en afzetting van schout en schepenen van Weert met alles wat erbij behoort, het verlenen van inbezitstelling van goederen van Weert en de afkondigingen van bannen en vrede en andere daarbij gebruikelijke plechtigheden, het aanleggen van grachten bij de wegen, toe-eigening of uitgifte in cijns van alle gronden die aan allen van Weert tot gemeen gebruik dienden en die door niemand in het bijzonder in bezit waren genomen, op de wijze als andere landsheren, een hoeve bos in het rechtsgebied van Weert waarop de Sint-Servaaskerk beweert recht te hebben, genaamd de vijfentwintigste hoeve van dat bos, van oudsher vrij van iedere cijns en dienstbaarheid; evenzo het ontvangen van bijstand van alle mannen van Weert die hoevenaars zijn, welke bijstand, gemeenlijk belasting en last wordt genoemd; evenzo twee molens, te weten een windmolen in het gebied van Weert en een watermolen te Tungelroy, behoren aan de heer van Horn en hebben aan zijn voorgangers behoord, in welke rechten Willem zelf sinds mensenheugenis is opgevolgd, en dat hij door zichzelf en zijn voorgangers, die hij opgevolgd is, op vreedzame en rustige wijze in het bezit is geweest sinds de eerder genoemde tijd van al het voorafgaande, en wel op zijn eigen naam, niet met geweld, niet heimelijk, niet in leen.
Ook beweert Willem van Horn dat hij zelf het recht heeft en dat het hem toekomt en toegekomen is en ook aan zijn voorgangers, die hij in goederen is opgevolgd, en dat hij sinds mensenheugenis in het bezit is en was door zichzelf en zijn voorgangers van het recht om de vruchten van het deel van tienden, die de Sint-Servaaskerk te Weert en het rechtsgebied van Weert heeft, naar zijn verblijfplaats te voeren en om die vruchten te laten dorsen, het stro en kaf van die vruchten te ontvangen en te bezitten en voor eigen gebruik aan te wenden en er zijn eigen wil mee te doen; ook heeft hij het recht om brouwketels in Weert te plaatsen en de eruit voortkomende opbrengsten of inkomsten te ontvangen en om eeuwigdurend jaarlijks van de hoevenaars van de kerk, die te Weert verblijven, acht mud haver Weertse maat, zukerhavere genoemd, te ontvangen en heffen; ook alle mannen van Weert met wapens ten oorlog te voeren, tenminste voor de verdediging van zijn land en dat van de heren van wie hij zijn land in leen houdt.
Eveneens de peremptoire exceptie opwerpend als voorheen zegt Willem dat er van oudsher drie heren van het hele dorp Weert en al zijn toebehoren zijn geweest, met uitzondering van een deel van de tiend van en enkele hoevenaars die de Sint-Servaaskerk daar heeft, naar men zegt. Van de drie heren was er een wijlen de graaf van der Mark, de andere de heer van Altena en de derde wijlen Hendrik van Asselt, ridder.
Alleen deze heren waren in het vreedzame en rustige bezit geweest van Weert, van de rechtspraak en al het voorafgaande in hun eigen naam en niet die van een ander; en elk van hen had een schout en zeven schepenen, die hij aanstelde en afzette zoals hij wilde, en zij oefenden de hoge en lage rechtspraak uit door de genoemde schouten en schepenen en ontvingen de inkomsten en opbrengsten uit deze rechtspraak en andere inkomsten, ieder naar eigen aandeel.
Toen de heer van Altena zonder kind stierf, volgde Willem van Horn zaliger gedachtenis, ridder, vader van de gedaagde, hem als naaste erfgenaam op. Deze Willem heeft alles wat de graaf van der Mark in Weert en zijn toebehoren bezat, van hem gekocht en de graaf heeft al het voornoemde dat aan hem toebehoorde, overgedragen aan Willem op grond van de koop.
Evenzo beweert Willem, heer van Horn, de gedaagde, dat op de genoemde Hendrik, de derde heer van Weert, in diens goederen een zekere Jan volgde, zoon van Hendrik en enige erfgenaam, van welke Jan de genoemde Willem, vader van de gedaagde, op grond van een ruil alles bezat wat deze Jan in Weert en zijn toebehoren bezat, met uitzondering van een zekere hoeve met toebehoren die de zonen van Jan in Weert houden als patrimoniale goederen.
Willem, vader van de gedaagde Willem van Horn, ruilde immers genoemde goederen met Jan tegen de hoeve van Lowerlo met toebehoren die toen van hem was, in welke goederen Willem als zoon en erfgenaam is opgevolgd, en de gedaagde en zijn vader Willem bezaten de voornoemde goederen vreedzaam en rustig gedurende een periode van meer dan zestig jaar, en wel door hemzelf en door hun voorgangers.
En als er getuigen van de zijde van de tegenstander naar voren zijn gebracht die het tegendeel beweren of beweren dat voorgenoemde zaken behoren en behoord hebben aan de Sint-Servaaskerk en dat de kerk in het bezit van voornoemde zaken door zichzelf, een ander of anderen geweest is of dat de gedaagde die zaken is binnengevallen, aan zich heeft getrokken, heeft bezet, in bezit gehouden, binnenvalt, aan zich trekt, bezet en in bezit houdt of met geweld de kerk ervan heeft verdreven en iets anders dan hiervoor gezegd; ook als er getuigen zijn die zeggen en beweren dat de genoemde Hendrik ooit in Weert enige rechtspraak heeft uitgeoefend of iets anders in naam, van de zijde of ten behoeve van de Sint-Servaaskerk, dan zijn die getuigen vals op dit punt en hebben ze een vals getuigenis afgelegd in de voornoemde zaak.
Daarom eist Willem van de officiaal dat hij van de eis van de procurator wordt ontslagen en dat de tegenpartij in de wettelijke kosten wordt veroordeeld, en hij biedt aan die zaken die over het voorgaande feitelijk bestaan of wat hierover zal volstaan, te zullen bewijzen, als de tegenpartij die zou ontkennen, en hij verzoekt toegelaten te worden tot bewijsvoering.
Nadat nu de rechtszaak door de partijen wettelijk aanhangig is gemaakt, getuigen voorgeleid, beëdigd, aanhoord en nauwkeurig ondervraagd, hun uitspraken schriftelijk vastgelegd en volgens de regels bekend gemaakt, de afschriften zijn verstrekt om tegen de getuigen en hun woorden te spreken, heeft de procurator van de Sint-Servaaskerk tegen de ondervraging van genoemde, door Willem tegen de procurator naar voren gebrachte getuigen, het volgende naar voren gebracht:
Officiaal, tegen de getuigenondervraging die Willem, heer van Horn, heeft laten plaatsvinden over de door hem naar voren gebracht feiten in de zaak die loopt tussen hem enerzijds en de Sint-Servaaskerk anderzijds, en tegen de in die ondervraging gehoorde en ondervraagde getuigen, zegt de procurator van de Sint-Servaaskerk voor de kerk dat de ondervraging niet valide is en rechtens niet bestaat, want Willem heeft het eerste, tweede, derde, vierde en alle andere uitstellen die hij nodig had om zijn feiten te bewijzen, en nadat deze uitstellen waren verlopen en hij zelf geen getuigen in deze uitstellen naar voren bracht, heeft hij de ondervraging in feite, maar niet rechtens laten houden, hoewel hij toen zelf was gedaagd om tot sluiting van de hangende zaak en het uitstel te komen over de vraag of in de zaak geconcludeerd moest worden of niet, en tegen het door de officiaal uitgevaardigde verbod aan de ondervragers van deze getuigen om tot ondervraging van hen over te gaan, totdat door de officiaal was besproken of in deze zaak geconcludeerd moest worden of niet, is de genoemde ondervraging geschied, zoals in de hierover opgestelde stukken is vastgelegd.
Ook indien Willem een ondervraging moest houden op het moment dat deze ondervraging geschiedde, had deze in ieder geval moeten geschieden van door naar canoniek recht bevoegde getuigen en niet door anderen, en zo is het overeengekomen en aanvaard door de partijen en bepaald door de rechter in het oordeel, zoals het in de hierover vervaardigde documenten van het hof is vastgelegd.
De genoemde ondervraging is echter geschied in Weert en andere voor de kerk, deken en kapittel verdachte plaatsen tegen hun wil en in het machtsgebied van Willem, en de in die ondervraging gehoorde getuigen, van wie in de documenten van de zaak melding wordt gemaakt, waren niet naar canoniek recht bevoegd, integendeel: ze hadden gemakkelijk naar Luik kunnen reizen en deden dat ook regelmatig, en de procurator van de deken en het kapittel ontkent dat de genoemde getuigen op het genoemde tijdstip canoniek bevoegd zijn geweest en zijn.
Ook heeft Willem in de genoemde ondervraging meer dan het rechtens vastgestelde aantal van veertig getuigen gehoord en onderzocht over dezelfde onderwerpen en over dezelfde zaak, ofschoon de procurator van de kerk toentertijd correct heeft verklaard dat, als er meer getuigen dan het toegestane aantal werden gehoord, hun uitspraken niet van kracht waren en voor hun genoemde heren niet nadelig.
Daarom zegt de procurator van de Sint-Servaaskerk dat de zo uitgevoerde ondervraging geen kracht heeft, en als ze kracht zou hebben, dat dan de verklaringen van de getuigen die het wettelijke aantal overschrijden, geen waarde hebben en onbetrouwbaar zijn. Bovendien zegt de procurator dat de ondervraging volstrekt niet in het voordeel van Willem mag zijn en geen waarde moet hebben, want hijzelf en anderen hebben met het geweld en de angst die evenwichtige mensen konden en moesten treffen, de getuigen gedwongen om verklaringen af te leggen, zoals Willem en zijn raad opdroegen en wilden. En de getuigen die eerst ten gunste van de Sint-Servaaskerk een verklaring hadden afgelegd, zijn door Willem en de zijnen gegrepen en gevangengehouden totdat hij van elk van hen een bepaald geldbedrag had ontvangen wegens hetgeen dat ze ten gunste van de kerk hadden verklaard. Ook werden zij en andere getuigen er door hem toe gebracht en gedwongen met verzoeken en dreigementen dat zij ten gunste van hem dezelfde valse verklaring aflegden die hen door de ridder en de zijnen was opgedragen. De procurator zegt dat de in deze ondervraging naar voren gebrachte getuigen op het tijdstip van hun verklaring vazallen en ondergeschikten van Willem waren, aan wie hij bevelen kon en kan geven, mannen met een slechte reputatie, lichtzinnig van mening, meinedig, ontuchtig, echtbrekers en geëxcommuniceerd door het hoogste gezag van de officiaal en het kapittel van Luik, de plaatselijke aartsdiaken, de synodale statuten, de pauselijke macht en diens gedelegeerden, en zodanig dat aan hen geen vertrouwen moet worden geschonken.
Bovendien zegt de procurator van de Sint-Servaaskerk dat de door Willem gedane verklaringen geen kracht hebben en dat de ondervraging van de hierover aangedragen getuigen en het erover gehouden proces geen kracht moeten hebben. Hij biedt aan om de voornoemde feitelijk vaststaande zaken of wat ervan volstaat, te bewijzen als de tegenpartij die ontkend heeft, en verzoekt te worden toegelaten tot bewijsvoering, terwijl hij beweert dat de voornoemde zaken, die hij zal bewijzen, van kracht zijn.
Nadat de rechtszaak over de zaak door de partijen wettelijk aanhangig is gemaakt en alles volgens de regels afgehandeld, heeft de procurator van het Sint-Servaaskapittel ter onderbouwing voor zijn heren alle akten en documenten van de voornoemde zaak overgeleverd, voor zover ze in zijn voordeel werken, als bewijsmiddel met een document, bezegeld door van rooms-koning Hendrik IV, zoals op het eerste gezicht leek, niet verouderd, niet doorgehaald, niet in enig opzicht beschadigd, dat als volgt begint: ‘In naam van de Heilige en Ondeelbare Drievuldigheid. Hendrik, door de gunst van de goddelijke mildheid koning’ enz., en dat eindigt: ‘Gegeven op 21 september 1062, de vijftiende indictie, in het achtste jaar van de aanstelling van Hendrik IV tot koning, in het vijfde jaar van zijn koningschap, gedaan in Silva Ketela, amen.’
Nadat dit document als bewijs is getoond en hierop enigszins is ingegaan, heeft Willem door middel van zijn procurator verklaard dat hij zelf niet waagde persoonlijk te verschijnen tegen de procurator in Luik vanwege levensbedreigende vijandschappen, de gevaren op de wegen en slechte staat van het land, waarbij hij de officiaal verzoekt om hem een veilige plaats aan te wijzen waar hij veilig persoonlijk kon verschijnen en zijn zaak verdedigen.
De officiaal, die eenieder recht wil doen, heeft de procurator van Willem Maastricht aangewezen om tegen de procurator van de Sint-Servaaskerk zijn zaak voort te zetten, waarbij hij zijn rol in deze zaak tot wederroepen toe toevertrouwt aan meester Gillis van Liebertenges, advocaat van het hof van Luik.
Voor meester Gillis is in Maastricht tussen de genoemde partijen in die mate voortgegaan dat, nadat alles volgens de regels in diens bijzijn te Maastricht door deze partijen was afgehandeld, geconcludeerd is in de vermelde zaak. Nadat dit alles zo was gebeurd en de voornoemde vrees ophield, en de door de officiaal aan meester Gillis in de voornoemde zaak toevertrouwde rol wettelijk aan de officiaal was teruggegeven, heeft Willem tegen het voornoemde proces, dat in bijzijn van meester Gillis is afgewikkeld, bij de officiaal verklaard dat het proces, behandeld voor meester Gillis te Maastricht, door Gratiaan van Diest, die als zijn procurator werd aangemerkt, geen stand hield en bij verstek was behandeld, waarbij hij tegen deze procesgang redenen inbracht die zo beginnen: ‘Officiaal, in uw bijzijn zegt ridder Willem, heer van Horn, en beweert hij’ enz. en die zo eindigen: ‘en hij eist dat de tegenpartij in de voornoemde kosten wordt veroordeeld’.
Nadat deze redenen zo waren voorgelegd en daarop door de procurator van de Sint-Servaaskerk was geantwoord, en nadat bij de officiaal voor de partijen een dag was aangewezen om voor de officiaal een interlocutoir vonnis te wijzen over de van weerszijden door de partijen voorgestelde zaken, heeft de officiaal wat betreft dit tussenvonnis zijn rol toevertrouwd aan meester Heneman, advocaat van het Luikse hof, die als gemachtigde het interlocutoir vonnis heeft gedaan dat moest worden voortgegaan volgens de stukken van het proces dat voor meester Gillis was gevoerd, ondanks de beweringen van Willem, heer van Horn, in deze zaak.
Van dit tussenvonnis van de audiëntie van genoemde meester Heneman is genoemde ridder in beroep gegaan bij de audiëntie van de officiaal. Nadat het verzoek in die beroepszaak bekend was gemaakt en alles volgens de regels afgewikkeld, is voor de officiaal zo voortgegaan dat hij, omdat de rechtvaardigheid het zo eiste, gemeend heeft dat het tussenvonnis van meester Heneman moest worden bevestigd. En nadat het voorgaande zo was gedaan en Willem onherroepelijk was gedaagd om voor de officiaal tegenover de tegenpartij het definitieve oordeel over deze zaak te aanhoren op een bepaalde dag met de vereiste en gebruikelijke betekening, heeft Willem tegenover deken, kapittel en hun procurator voor de officiaal gesteld dat hij niet gehouden was met deken en kapittel in noch buiten het gerecht in contact te treden en dat deken en kapittel en ieder in persoon niet voor het gerecht konden staan omdat ze feitelijk in hoogste mate geëxcommuniceerd waren, waarbij hij verzoekt dat door de officiaal aan deken en kapittel wordt verklaard dat de juridische toegang voor hen moest worden gesloten en tussen de partijen niet op deze wijze mocht worden geprocedeerd.
Nadat de rechtszaak over deze zaak door de partijen wettelijk aanhangig is gemaakt en alles volgens de regels voor de officiaal is afgehandeld, is op de vastgestelde dag door tussenvonnis van de officiaal uitgesproken dat het feit van de excommunicatie niet is bewezen, waarbij hij Willem veroordeelt in de door de kerk gemaakte kosten in dezen, vast te stellen door de officiaal, en desalniettemin heeft Willem, niet tevreden met het voorafgaande, wederom het genoemde feit van de excommunicatie tegen deken en kapittel voorgedragen.
Nadat de rechtszaak over deze tweede eis wettelijk aanhangig is gemaakt, een valse aanklacht afgezworen, de geformuleerde stellingen en de antwoorden hierop schriftelijk opgetekend, getuigen voorgeleid, beëdigd, gehoord en nauwkeurig ondervraagd, afschriften zijn verstrekt om tegen de getuigen en hun woorden te spreken en alles volgens de regels afgehandeld en voor de voornoemde partijen en een dag om voor de officiaal te verschijnen dag is aangewezen, heeft de officiaal op basis van rechtvaardigheid bij wijze van tussenvonnis uitgesproken dat het voornoemde feit niet is bewezen en dat zonder dat bezwaar in het hoofdproces geprocedeerd moet worden, waarbij hij Willem in de door de procurator hiervoor gemaakte kosten, door de officiaal vast te stellen, veroordeelt.
Na het uitspreken van het interlocutoir vonnis heeft de officiaal onherroepelijk voor zich te Luik, daags voor Pinksteren, in het uur van de primen, Gratiaan van Diest en Jan Claviger, algemene procuratoren van Willem, voor zich doen dagen om in de zaak tegen de procurator van deken en kapittel van Sint-Servaas het definitieve oordeel in de voornoemde zaak te aanhoren, met de vereiste en gebruikelijke betekening. Op die dag zijn Gratiaan en Jan, de voornoemde procuratoren, niet verschenen en hebben ze niemand in hun plaats gezonden, terwijl de procurator van deken en kapittel wel verscheen, wachtte zolang het moest en met aandrang eiste dat een definitief vonnis werd uitgesproken.
De officiaal heeft ondanks het verstek laten gaan van de genoemde procuratoren en terwijl de goddelijke aanwezigheid hun afwezigheid compenseerde, na de dingen die er in de voornoemde zaak toe doen, gezien en vernomen te hebben, na stukken en bewijzen die in deze zaak zijn opgesteld, nauwkeurig ingezien te hebben, na alles overwogen te hebben dat hem moest en kon bewegen, overeenkomstig datgene wat hij had gezien, gehoord en vernomen, na het inwinnen van advies van rechtsgeleerden, de genoemde gedaagde ten behoeve van de kerk door een definitief vonnis hiertoe veroordeeld: af te zien van het in bezit nemen, het aan zich trekken en het bezet houden van Weert met haar toebehoren, de hoge en lage rechtspraak ervan, de aanstelling, creatie en het afzetten van de schout en schepenen van Weert, van wie de hogere onmiddellijke rechters of hoofd de deken en het kapittel van de Sint-Servaaskerk of hun hof te Vlijtingen zijn; af te zien van het innen van de helft van de tienden van Weert, afgezien van de delen die de plaatselijke pastoor en de broeders scholieren van Luik in deze tiend toekomen, van het afkondigen van bannen en vrede, van goederen van Weert die afhangen van de Sint-Servaaskerk en daaruit voortvloeiende rechten, van de windmolen, van zes mud minus twee sister haver Weertse maat, afkomstig van de in Weert verblijvende hoevenaars en mannen van de Sint-Servaaskerk en ook van de jaarlijkse en eeuwige inkomsten van vijfentwintig schelling Luiks van de hoevenaars van deze kerk vanwege het bos, en ook van een hoeve bos waarvan melding wordt gemaakt in de eis van de eiser; en dat Willem Weert met zijn toebehoren, de rechtspraak, het aanstellen en afzetting van schout en schepenen, het innen van de helft van tienden, behalve de delen die aan de pastoor en scholieren toebehoren, de bannen en vrede, de genoemde molen met het voornoemde bos teruggeeft aan de Sint-Servaaskerk en hij de kerk herstelt en terugbrengt in het bezit van de voornoemde goederen en rechten, en dat hij van de vijftienhonderd mark Luiks, minus vijfentwintig schelling, van de som gelds die in de eis is opgenomen, na het afleggen van de eed door de procurator en de schatting door de officiaal over de grootte van het schade van de kerk, genoegdoening geeft. De officiaal verklaart voorts bij vonnis dat de gedaagde het recht niet heeft of gehad heeft om de genoemde tiend van de kerk naar zijn verblijfplaats te voeren, deze te dorsen, stro en kaf ervan te ontvangen en bezitten, lasten en belastingen op te leggen aan de mensen van de Sint-Servaaskerk en de hoevenaars en hen in zijn leger ten oorlog te voeren naar zijn eigen wil, grachten te maken aan openbare wegen in Weert, zich gemeenschappelijke weiden van Weert toe te eigenen noch het toegeëigende aan anderen toe te delen.
De officiaal spreekt voorts uit dat de Sint-Servaaskerk het recht heeft en heeft gehad om van de hoevenaars en hun mannen van genoemd dorp de jaarlijkse en eeuwige inkomsten van zes mud minus twee sister haver plaatselijke maat te ontvangen, samen met de voornoemde vijfentwintig schelling vanwege het bos, en dat de gedaagde het recht niet heeft en heeft gehad om die dingen te doen. Daarbij veroordeelt hij hem ertoe om er voortaan wettelijk voor te waken dat hij aangaande het voorgaande geen belemmeringen zal veroorzaken voor de Sint-Servaaskerk, terwijl hij de gedaagde aangaande de andere in de genoemde eis opgenomen zaken door dit oordeel vrijspreekt en hem veroordeelt in de kosten van het proces ten gunste van de kerk, te taxeren door de officiaal.
De officiaal heeft bezegeld.
Gegeven op 21 mei 1295.
De officiaal van het hof van Luik doet uitspraak in een proces tussen het Sint-Servaaskapittel te Maastricht enerzijds en Willem, heer van Horn, ridder, anderzijds inzake de rechten en bezittingen van het Sint-Servaaskapittel te Weert en hij wijst de hoge en lage rechtspraak, de aanstelling van schout en schepenen, een deel van de tienden en andere bezittingen en inkomsten aldaar toe aan het kapittel.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002A, archief kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 885. Beschadigd met tekstverlies.
Aantekeningen op de achterzijde: 1o door 15e-eeuwse hand: Sententia diffinitiva per quam adiudicantur capitulo alta et bassa iurisdictio ville de Werta et plura alia iura (hierna toegevoegd door 16e-eeuwse hand): per officialem Leodiense, XIX. – 2o door 16e-eeuwse hand: 19 / B II / 1295.
Bezegeling: één bevestigingsplaats, vermoedelijk voor het aangekondigde zegel van het officialaat van Luik (SD1).
Afschriften
[B]. niet voorhanden, maar bekend uit C, cartularium van het Sint-Servaaskapittel te Maastricht = Liber A, fol. 92. – C. vóór 1768, Ibidem, toegangsnr. 22.001A, Handschriftencollectie (voormalig) Gemeentearchief Maastricht, 14de-20ste eeuw, inv. nr. 199a (cartularium) = Diplomata Trajectensia de anno 800 ad 1664, p. 479-484, onder de rubriek: Sententia per compromissum data ab officiale Leodiense de bonis, iurisdictione, decimis, liberis et aliis iuribus in villa de Werth pertinentibus ad capitulum Sancti Servatii contra comitem Lossensem, in vigilia Pentecostes 1295, gewaarmerkt afschrift door G.J. Lenarts, stadssecretaris van Maastricht, mogelijk naar [B].
Uitgave
a. Hackeng, Het middeleeuwse grondbezit, 321-325, nr. 102a (onvolledig), naar A.
Regesten
Doppler, ‘Verzameling [800-1273]’, 269-270, nr. 232 (gedateerd 1294 mei 21). – Haas, Chronologische lijst, 99, nr. 270. – Nuyens, Inventaris Sint-Servaas, 158, nr. 885.
Samenhang
In onderhavige oorkonde is de invocatio en intitulatio alsmede de datatio uit de oorkonde van rooms-koning Hendrik IV d.d. 1062 geïnsereerd (zie Collectie Sint-Servaas, nr. 1).
Tekstuitgave
Het onderscheid tussen c en t is niet altijd goed zichtbaar.

Nummer 76
Godfried, (zoon) van Florens, en Jan van Mulken, schepenen van Maastricht, maken bekend dat zij als schepenen aanwezig waren toen Basilea en Mathilde, dochters van wijlen Boudewijn de Molendino (van de Molen), afstand hebben gedaan van een jaarlijkse cijns van zeven schelling Luiks en deze hebben overgedragen in handen van Jan, kanunnik van de kerk van Xanten, namens en ten behoeve van het Sint-Servaaskapittel te Maastricht; deze cijns is te voldoen uit een huis op de Kersenmarkt dat Gerard, schoonzoon van Gerard supra Viam, houdt en dat afhangt van de refter van de Sint-Servaaskerk, aan welke refter dit huis jaarlijks vijf koppen betaalt. Deze afstand is gebeurd ten overstaan van de schout van Maastricht omdat Jacob, kanunnik van Sint-Servaas en proost van de refter, niet beschikbaar was. Er is (aan alle eisen) voldaan, onder beding dat Jan, kanunnik van Xanten, de grondheer blijft van dit huis en daaruit elk jaar de vijf koppen betaalt, met uitzondering van het eeuwige recht dat Basilea en Mathilde zich na de grondheer voorbehouden in het genoemde huis. De zeven schelling moet jaarlijks worden betaald, de ene helft op twee februari en de andere op één augustus. Basilea en Mathilde hebben beloofd binnen jaar en dag vrijwaring te verstrekken en een rechtmatige klacht af te doen, zoals gebruikelijk is, en zoveel penningen te overhandigen over een evenlange tijdspanne als zij terzake van de cijns hebben ontvangen, indien de cijns zou worden uitgewonnen. Zij hebben Boudewijn, hun broer, en Hendrik de Molendino (van de Molen), aan wie Boudewijn heeft beloofd dat hij hem zal schadeloos houden voor de verplichting uit het voorgaande, aangesteld als hoofdschuldenaren.
Gegeven op 6 oktober 1295.
Schepenen van Maastricht oorkonden dat Basilea en Mathilde, dochters van Boudewijn de Molendino, een jaarlijkse cijns van zeven schelling Luiks, gevestigd op een huis op de Kersenmarkt (te Maastricht), hebben overgedragen aan Jan, kanunnik van de kerk van Xanten, ten behoeve van het Sint-Servaaskapittel te Maastricht.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002A, archief kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 465.
Aantekeningen op de achterzijde: 1o door 15e-eeuwse hand: De VII solidis quos Gerardus supra Viam solvit. – 2o door 15e-eeuwse hand: In Foro Cerisorum ex opposito domus scabinorum in ordone. – 3o door 15e-eeuwse hand: 47 / 340. – 4o door 16e-eeuwse hand: 1295.
Bezegeling: twee bevestigingsplaatsen, vermoedelijk voor de niet aangekondigde zegels van Godfried, zoon van Florens, en Jan van Mulken, schepenen van Maastricht (LS1 en LS2).
Afschrift
Niet voorhanden.
Uitgave
a. Nève, De dertiende-eeuwse schepenoorkonden, 136-137 (met onvolledige vertaling), nr. 1295.10.06, naar A.
Regesten
Doppler, ‘Schepenbrieven’, 44-45, nr. 41. – Haas, Chronologische lijst, 100, nr. 274. – Nuyens, Inventaris Sint-Servaas, 103, nr. 465.
Tekstuitgave
Het onderscheid tussen c en t is niet altijd goed zichtbaar.

Nummer 77
Willem van Sint-Servaas, schepen en plaatsvervanger van de schout Godfried van Colmont, ridder, en de schepenen van Sint-Pieter bij Maastricht, namelijk Gijsbert, Jacob, Jan, zoon van Lambert, Wolter, timmerman, Wolter, molenaar, en Jan, hovenier, maken bekend dat Ida, met instemming van haar echtgenoot Hendrik Mulart en haar broers Folkwin Schecters en Reinier ten overstaan van hen afstand hebben gedaan van een jaarlijkse cijns van twintig schelling Luiks nieuwe munt, erfrechtelijk te ontvangen uit de dertien schelling Luiks die Jan Ardenosus gewoon was te betalen aan Ida en uit haar goederen op het eiland over de Oude Maas, de ene helft op 24 juni en de andere op Kerstmis, ten behoeve van deken en kapittel van Sint-Servaas te Maastricht voor het jaargetijde van wijlen Reinier, deken van Xanten. De verkopers hebben zoveel gedaan dat de schepenen hebben geoordeeld dat aan deken en kapittel geheel zal zijn voldaan. Zij hebben ook beloofd aan deken en kapittel binnen jaar en dag vrijwaring te verstrekken, rechtmatige klachten af te doen en zoveel penningen te overhandigen over een evenlange tijdspanne als zij blijken te hebben ontvangen en gehouden, indien deze cijns binnen jaar en dag zou worden uitgewonnen, onder verband van al hun goederen. Borgen en schuldenaren zijn [***].
[***] op 28 december 1295.
Willem van Sint-Servaas, schepen en plaatsvervanger van de schout Godfried van Colmont, en de schepenen van Sint-Pieter oorkonden dat Ida, echtgenote van Hendrik Mulart, en haar broers Folkwin en Reinier Schecters afstand hebben gedaan van een jaarlijkse erfcijns van twintig schelling Luiks, gevestigd op goederen van Ida die gelegen zijn op het eiland over de Oude Maas, ten behoeve van deken en kapittel van Sint-Servaas te Maastricht voor het jaargetijde van Reinier, deken van Xanten.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002A, archief kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 835. Beschadigd met tekstverlies.
Aantekeningen op de achterzijde: 1o door 15e-eeuwse hand: De [***]. – 2o door 16e-eeuwse hand: 1295. – 3o door 16e-eeuwse hand: 93 / 203.
Bezegeling: vijf nog zichtbare bevestigingsplaatsen, vermoedelijk voor de zegels van de schepenen van Sint-Pieter, die niet aangekondigd zijn.
Afschrift
Niet voorhanden.
Uitgave
a. Nève, De dertiende-eeuwse schepenoorkonden, 138-139 (met onvolledige vertaling), nr. 1295.12.28, naar A.
Regesten
Doppler, ‘Schepenbrieven’, 45, nr. 42. – Haas, Chronologische lijst, 100-101, nr. 275. – Nuyens, Inventaris Sint-Servaas, 152, nr. 835.
Tekstuitgave
Het onderscheid tussen c en t is niet altijd goed zichtbaar. De lacunes in A zijn waar mogelijk aangevuld.

Nummer 78
Florens en Jan Borneken, schepenen van Maastricht, maken bekend dat zij aanwezig waren toen Reinier, Parcifal, Anton, Homedeus Petrus en hun medegezellen, lombarden te Maastricht, afstand hebben gedaan van een jaarlijkse cijns van vier mark Luiks in courant geld (van het lopende betaalmiddel waarmee te Maastricht wordt gekocht en verkocht), ten behoeve van deken en kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, zonder nu of in de toekomst enige heffing te geven of te krijgen uit de goederen die eertijds van Hendrik Mulen waren en nu van de lombarden, namelijk uit een huis in de Raamstraat, tussen het huis van wijlen Hendrik van Gulpen en Gerard van Pietersheim, veertig schelling onmiddellijk na de grondcijns van zes penning en één kapoen, die betaald wordt aan de als grondheer aanwezige Reinier Episcopus (Bisschop), wisselaar; ook twintig schelling uit een huis met alle aanhorigheden, gelegen tussen Gerard van Berke en Helka, moeder van Hendrik Mulen, onmiddellijk na de grondcijns van zes penning en één kapoen die aan de aanwezige heer Oger, voogd, als grondheer wordt betaald; ook twintig schelling uit een huis in de Grachtstraat dat eerst van wijlen Godfried Springere was, naast Arnoud, zoon van Hubert, onmiddellijk na de grondcijns van vier schelling, zes penning en vijf kapoenen, welke cijns wordt betaald aan het Antonietenklooster te Maastricht, in aanwezigheid van de broeders van dit huis als grondheren. Ze hebben zoveel gedaan dat ten tijde van de afstand (aan alle eisen) is voldaan en de cijns van vier mark moet uit de genoemde goederen worden betaald, de ene helft op vierentwintig juni en de andere op Kerstmis. Zij hebben beloofd binnen jaar en dag vrijwaring te verstrekken en een rechtmatige klacht af te doen, zoals gebruikelijk is, en zoveel penningen te overhandigen aan deken en kapittel van Sint-Servaas over een evenlange tijdspanne als zij terzake van de cijns hebben ontvangen, indien deze zou worden uitgewonnen.
Gegeven en gedaan op 25 februari 1296.
Schepenen van Maastricht oorkonden dat Reinier, Parcifal, Anton, Homedeus Petrus en hun medegezellen, lombarden te Maastricht, afstand hebben gedaan van een jaarlijkse cijns van vier mark Luiks, gevestigd op huizen in de Raamstraat en de Grachtstraat (te Maastricht), ten behoeve van deken en kapittel van Sint-Servaas te Maastricht.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002A, archief kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 466.
Aantekeningen op de achterzijde: 1o door 15e-eeuwse hand: Littere de quatuor marcis de bonis Henrici Mulen. – 2o door 15e-eeuwse hand: De IIII marcis. – 3o door 15e-eeuwse hand: Littera de domo Iohannis de Viseto. – 4o door 16e-eeuwse hand: 113. – 5o door 16e-eeuwse hand: R 3A. – 6o door 16e-eeuwse hand: 1295.
Bezegeling: één uithangend bevestigd zegel, dat niet aangekondigd is, namelijk: S2 van Jan Borneken, schepen van Maastricht, van bruine was, beschadigd; en één bevestigingsplaats, vermoedelijk voor het zegel van Florens, (zoon van wijlen Gozewijn Rufus), dat niet aangekondigd is (LS1). Voor een beschrijving en afbeelding van S2, zie Venner, ‘Maastrichtse schepenzegels’, 176, nr. 48, en 177.
Afschrift
Niet voorhanden.
Uitgave
a. Nève, De dertiende-eeuwse schepenoorkonden, 141-142 (met onvolledige vertaling), nr. 1296.02.25, naar A.
Regesten
Doppler, ‘Schepenbrieven’, 46, nr. 43. – Haas, Chronologische lijst, 101, nr. 277. – Nuyens, Inventaris Sint-Servaas, 103, nr. 466.
Datering
Het gebruik van de paasstijl in het bisdom Luik is verondersteld, zie Camps, ONB I, XXI, en Dillo en Van Synghel, ONB II, XVII.
Ontstaan
Deze oorkonde is geschreven door een scriptor die schepenoorkonden van Maastricht mundeert en kan worden gelokaliseerd in het milieu van de schepenbank van Maastricht, zie Collectie Sint-Servaas, nr. 73 onder Ontstaan en samenhang.
Tekstuitgave
Het onderscheid tussen c en t is niet altijd goed zichtbaar.

Nummer 79
Schepenen van beiderlei rechtsmacht van Maastricht maken bekend dat zij aanwezig waren toen heer Oger van Borgharen, ridder, voogd van Maastricht, de inkomsten die wijlen heer Jan, zijn zoon, kanunnik van het Sint-Servaaskapittel, had verworven van de broeders van de Biesen te Maastricht, heeft overgedragen in handen van de provisoren van de Tafel van de Heilige Geest te Maastricht en afstand heeft gedaan ten behoeve van de armenzorg, op voorwaarde dat de provisoren aan de broeders van de orde van de Augustijnen nu en in de toekomst jaarlijks vijftien schelling zullen uitkeren uit deze inkomsten voor drie jaargetijden, namelijk vijf schelling voor de reeds overleden Jan vijftien dagen vóór zijn jaargetijde, vijf schelling na de dood van Oger en vijf schelling na de dood van Oda, echtgenote van Oger.
De schepenen van beiderlei rechtsmacht hebben bezegeld met hun stadszegel.
Oger en Oda hebben de broeders van de orde van de Augustijnen verzocht om deze jaargetijden met waken, missen en gebeden trouw en vlijtig uit te voeren.
Gegeven en gedaan op 30 november 1296.
Schepenen van beide gerechten van Maastricht oorkonden dat Oger van Borgharen, ridder, voogd van Maastricht, de inkomsten die wijlen Jan, zijn zoon, kanunnik van het Sint-Servaaskapittel te Maastricht, had verworven van de broeders van de Biesen te Maastricht, heeft overgedragen aan de provisoren van de Tafel van de Heilige Geest te Maastricht ten bate van drie jaargetijden, namelijk voor hemzelf, voor zijn echtgenote Oda en voor zijn zoon Jan.
Originelen
A1. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002H, archief Broederschap der kapelanen van Sint-Servaas te Maastricht, 1139-1797, inv. nr. 196. Gelinieerd. Deze oorkonde is getransfigeerd door andere schepenoorkonden.
Aantekeningen op de achterzijde: 1o door 15e-eeuwse hand: De XV solidis ad Sanctum Spiritum. – 2° door 15e-eeuwse hand: Littera advocati de censibus (en door andere hand toegevoegd) Sancti Spiritus. – 3° door 15e-eeuwse hand: Datum M° CC XCVI°.
Bezegeling: één uithangend bevestigd zegel, dat aangekondigd is, namelijk: S2 van de Luikse stedelijke gemeenschap van Maastricht, van bruine was, beschadigd; en één bevestigingsplaats, vermoedelijk voor het aangekondigde zegel van de Brabantse stedelijke gemeenschap van Maastricht (LS1). Voor een beschrijving en afbeelding van S2, zie Venner, ‘Zegels’, nr. 56. Tevens zijn er nog vijf incisies voor de doorgehaalde zegelstaarten van de twee getransfigeerde oorkonden.
A2. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.D028, archief Klooster der Predikheren te Maastricht, 1261-179, inv. nr. 85.
Aantekeningen op de achterzijde: 1o door 14e-eeuwse hand: Littera de XV solidis ex parte domini advocati (hierna door andere hand) quos Spiritus Sancti provisores persolvent conventui / hieronder B III ff + doorgestreept. – 2o door 16e-eeuwse hand: 1295. – 3o door 18e-eeuwse hand: B (hierna 48 doorgestreept) 47, de 15 solidis quos reliqua confertur dominus de Haeren et advocatus Traiectensis pro suo anniversario, ad onus Sancti Spiritus, 1296.
Bezegeling: twee uithangend bevestigde zegels, die aangekondigd zijn, namelijk: S1 de Luikse stedelijke gemeenschap van Maastricht, van bruine was, beschadigd. – S2 van de Brabantse stedelijke gemeenschap, van bruine was, beschadigd. Voor een beschrijving en afbeelding van S1 en S2, zie Venner, ‘Zegels’, nrs. 56 en 57.
Afschrift
Niet voorhanden.
Uitgaven
a. Doppler, ‘Schepenbrieven’, 47-48, nr. 45, naar A1. – b. Nève, De dertiende-eeuwse schepenoorkonden, 147-148 (met onvolledige vertaling), nr. 1296.11.30(1), naar A1.
Regesten
Haas, Chronologische lijst, 102, nr. 280. – Nuyens, Inventaris Sint-Servaas, 226, nr. 196.
Ontstaan
Onderhavige oorkonde is in tweevoud opgemaakt, waarvan één exemplaar in het archief van het Sint-Servaaskapittel berust en één in dat van de Predikheren te Maastricht. Beide originelen zijn door dezelfde hand geschreven.
Tekstuitgave
Het onderscheid tussen c en t is niet altijd goed zichtbaar. De varianten van A2 staan in het notenapparaat, met uitzondering van de afkortingen.

Nummer 80
Ontvanger en schepenen van de hof van Lenculen, Olbert Colsop, Jan Borneken, Florens, Adolf, Philips, Hendrik de Molendino (van de Molen) en Gillis van Heppeneert maken bekend dat Diborg van Hasselt afstand heeft gedaan van een huis met de aangrenzende hof, op de commune, tegenover het huis van Henloit, ressorterend onder de hof van Lenculen, ten behoeve van Arnoud, zoon van wijlen Arnoud, zoon van Diborg. Diborg heeft zoveel gedaan dat (aan alle eisen) is voldaan en zij heeft zich onthecht van het huis.
Gegeven op 18 augustus 1300.
Ontvanger en schepenen van de hof van Lenculen oorkonden dat Diborg van Hasselt afstand heeft gedaan van een huis met de aangrenzende hof (te Maastricht), ressorterend onder de hof van Lenculen, ten behoeve van Arnoud, haar kleinzoon.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002H, archief Broederschap der kapelanen van Sint-Servaas te Maastricht, 1139-1797, inv. nr. 334.
Geen aantekeningen vóór 1800 op de achterzijde.
Bezegeling: twee uithangend bevestigde zegels, die niet aangekondigd zijn, namelijk: S2 tweede zegel van Olbert Colsop, schepen van de hof van Lenculen, van bruine was, beschadigd. – S6 van Philips, schepen van de hof van Lenculen, van bruine was, beschadigd; en zes bevestigingsplaatsen, vermoedelijk voor de zegels van de ontvanger van de hof van Lenculen en van Jan Borneken, Florens, (zoon van wijlen Gozewijn Rufus), Adolf, Hendrik de Molendino en Gillis van Hepeneert, schepenen van de hof van Lenculen, die niet aangekondigd zijn (LS1, LS3, LS4, LS5, LS7 en LS8). Voor een beschrijving en afbeelding van S2 en S6, zie Venner, ‘Maastrichtse schepenzegels’, 174-175, afb. 32, en hierna Idem, ‘Zegels’, nr. 61.
Afschrift
Niet voorhanden.
Uitgave
a. Nève, De dertiende-eeuwse schepenoorkonden, 163 (met onvolledige vertaling), nr. 1300.08.18, naar A.
Regesten
Doppler, ‘Schepenbrieven’, 50, nr. 50. – Haas, Chronologische lijst, 106, nr. 293. – Nuyens, Inventaris Sint-Servaas, 244, nr. 334.
Lokalisering
Volgens Doppler, ‘Schepenbrieven’, 50, is ‘commune’ mogelijk te identificeren met de Commende, Comena, Kommel, Kommelstraat.
Tekstuitgave
Het onderscheid tussen c en t is niet altijd goed zichtbaar.
Er komen in onze database geen oorkonden voor die overeenkomen met de zoekwoorden of filters die heeft toegepast. Reset alle filters en probeer opnieuw.
partners
donateurs









