Een overzicht van alle oorkonden

Nummer 21
Engelbert van Isenburg, aartsdiaken van Luik, en meester Reinier, scholaster in Tongeren en provisor in geestelijke zaken van Hendrik, bisschop van Luik, maken het volgende bekend: aangezien er tussen de aartsdiaken enerzijds en de kanunniken en kloosterzusters van Thorn anderzijds onenigheid was ontstaan over de tiend van de kerk van Mertersem met haar toebehoren, waarvan de aartsdiaken beweerde dat die tiend rechtens toebehoorde aan de parochiekerk van Gilze in zijn aartsdiakonaat, terwijl daarentegen de kanunniken en kloosterzusters beweerden dat de tiend aan hun kerk in Thorn toebehoorde, hebben de kanunniken en kloosterzusters zich na het advies van goede mannen volledig onderworpen aan het mandaat en de verordening over de tiend van Mertersem. Engelbert en Reinier, deze taak op zich nemend, hebben na nauwkeurig onderzoek naar de tiend in de kerken van Gilze en Thorn bepaald en afgekondigd dat de pastoor van Gilze, die er nu is en die er te zijner tijd zal zijn, de vruchten die gebruikelijk ontvangen worden door de eeuwige vicarissen binnen de grenzen van de parochie van Gilze, ongestoord en in rust zal ontvangen. Bovendien zal hij de tiend van Burgst en Overveld, gelegen binnen het tiendgebied van de kerk van Mertersem, ontvangen en zal deze tiend voor altijd geïncorporeerd worden in het pastoorschap van de kerk van Gilze. Zij verordonneren bovendien dat de gehele rest van de tiend van Mertersem voor altijd zonder bedrog gaat naar de vermeerdering van de prebenden van de kanunniken en de kloosterzusters van Thorn. En bovenal hebben zij de tiend van Mertersem met alles wat erbij hoort, uitgezonderd de tiend van Burgst en Overveld, door deze verordening geïncorporeerd in de kerk van Thorn, aangezien zij bevonden hebben dat het klooster van Thorn ooit in het bezit en de ontvangst is geweest van de tiend van Mertersem. Bovendien verordonneren zij dat wie er dan ook pastoor van de kerk van Gilze zal zijn, hij bij zijn ontvangst of aanstelling zal zweren dat hij altijd en in eigen persoon zal resideren in die parochie, en dat hij, als hij geen priester zal zijn, zorgt dat hij binnen een jaar tot alle heilige wijdingen bevorderd wordt.
Engelbert en Reinier hebben bezegeld op verzoek van het convent van Thorn.
Gegeven op 30 september 1265.geen foto
Engelbert van Isenburg, aartsdiaken van Luik, en meester Reinier, scholaster in Tongeren en provisor van Hendrik III, bisschop van Luik, beslechten het geschil tussen de aartsdiaken enerzijds en de kanunniken en kloosterzusters van Thorn anderzijds inzake de tienden van Mertersem, Burgst en Overveld.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 01.187B, archief Vrije Rijksheerlijkheid Thorn, inv. nr. 2222.
Uitgave
a. Dillo-Van Synghel, ONB II, 379-381, nr. 1060, naar A.

Nummer 21
Walram, heer van Valkenburg en Monschau, heeft na het bereiken van de jaren des onderscheids op advies van zijn beminde raadsmannen, namelijk edelman Arnoud, heer van Stein, ridder, Gozewijn van Borgharen, ridder, Jan van Haasdal, ridder, en Raas van Printhagen, dertig bunder van zijn bos van Buchoit, dat tot akkerland is gemaakt of gemaakt moet worden, verkocht aan Arnoud van Houthem en er ten behoeve van hem afstand van gedaan voor een bepaald bedrag dat wettig is betaald aan Walram en tot zijn gebruik is overgedragen. Arnoud heeft deze dertig bunder samen met de andere leengoederen die hij van Walram houdt, volgens leenrecht van hem ontvangen. En Walram heeft Arnoud daarmee beleend op de vereiste en gebruikelijke wijze.
Walram heeft bezegeld.
Gegeven op 19 mei 1273.
Walram, heer van Valkenburg en Monschau, maakt bekend dat hij in leen heeft gegeven aan Arnoud van Houthem dertig bunder bos van Buchoit, die hij op advies van zijn raadsmannen Arnoud, heer van Stein, Gozewijn van Borgharen, Jan van Haasdal, ridders, en Raas van Printhagen, aan hem had verkocht, samen met de andere leengoederen die Arnoud van hem houdt.
Origineel
A. Maastricht, RHCL, toegangsnr. 14.D003, archief klooster Sint-Gerlach te Houthem, inv. nr. 179, reg. nr. 16.
Aantekeningen op achterzijde: 1º door 15e-eeuwse hand: De XXX bonaria terre. – 2º door 17e-eeuwse hand: 1273.
Bezegeling: één afhangend zegel, dat aangekondigd is, namelijk: S1 van Walram, heer van Valkenburg en Monschau, van witte was, beschadigd. Voor een beschrijving en afbeelding van S1, zie Venner, ‘Zegels klooster Sint-Gerlach’, 158-159.
Afschrift
Niet voorhanden.
Uitgave
a. Franquinet, Beredeneerde inventaris St. Gerlach, IV, 21, nr. 16, naar A.
Regesten
Haas, Inventaris Sint Gerlach, 73, reg. nr. 16. – Idem, Chronologische lijst, 66, reg. nr. 164.
Tekstuitgave
Het onderscheid tussen c en t is niet goed zichtbaar.

Nummer 21
Hendrik, hertog van Lotharingen en markgraaf, maakt bekend dat wijlen vrouwe Jutta, hertogin en zijn overgrootmoeder, weduwe van Walram, bijgenaamd de heiden, zijn overgrootvader, eertijds hertog van Limburg, vrijwillig aan abt en convent van Kloosterrade de parochiekerk van Lommersum heeft geschonken toen zij het habijt had aangenomen en intrad bij de gemeenschap van religieuzen van Kloosterrade. Zij schonk met instemming van haar zonen Hendrik, die later hertog was, en Gerard de parochiekerk, waarvan ze zelf de beschermvrouwe en vrouwe was, met het volledige patronaatsrecht en de tienden, en gaf abt en convent de bevoegdheid alle andere goederen die daarvan afhangen alsnog te kopen of op een andere rechtvaardige wijze op het grondgebied van Lommersum te verwerven.
Nadat Jutta overleden was en in Kloosterrade was begraven, hebben haar zonen Hendrik en Gerard, alsmede Hendrik, het zoontje van hertog Hendrik die nadien hertog werd, en Arnold, zoon van Robert, graaf van Lüneburg, geboren uit vrouwe Beatrix, dochter van vrouwe Jutta, en Diederik, zoon van Egbert, graaf van Tecklenburg, geboren uit een andere dochter, de kerk van Lommersum die voorheen door hun moeder en grootmoeder was geschonken, opnieuw aan Kloosterrade overgedragen als een wettige schenking, zoals Hendrik, hertog van Lotharingen en markgraaf, in de hierover opgestelde privileges heeft gezien en begrepen. Hendrik, hertog van Lotharingen en markgraaf, heeft ingestemd met het verzoek van abt en convent om die schenking met zijn autoriteit te bekrachtigen en te herrnieuwen. Op aandringen van zijn oom Hendrik, hertog van Limburg, die bij de begrafenis van Jutta en de herhaalde schenking persoonlijk aanwezig was, hoewel toen nog een jongeling, heeft hij het voorgaande bevestigd.
Hendrik, hertog van Lotharingen en markgraaf, heeft bezegeld.
Hierbij waren aanwezig van de familia van Hendrik, hertog van Lotharingen en markgraaf: de edelmannen Godfried van Perwez, Arnold van Diest, Arnold van Kraainem, Walter Bertout en Gillis, zijn broer, van de familia van Hendrik, hertog van Limburg en oom van Hendrik, hertog van Lotharingen, waren aanwezig: de adellijke heren Walram en Frederik, zijn zonen, Hartbern van Frenz, Rudolf van Moelingen, Diederik van Schinnen en Willem, burggraaf van ’s-Hertogenrade; van de broeders van Kloosterrade: Rutger, abt, Daniël, prior, Randolf, subprior, Marsilius, koster, Adolf, voorzanger, Adelbert, keldermeester, en het hele convent en vele anderen.
Gegeven in april 1211, te Kloosterrade.
Hendrik I, hertog van Lotharingen en markgraaf, bevestigt op verzoek van abt en convent van Kloosterrade alsmede van zijn oom Hendrik III, hertog van Limburg, de schenking van de parochiekerk van Lommersum en de tienden ─ met inbegrip van het recht andere goederen die aan de kerk verbonden zijn, alsnog te verwerven ─, welke schenking destijds, bij haar intrede in het convent, door zijn overgrootmoeder Jutta, weduwe van Walram II, hertog van Limburg, aan de abdij is gedaan en die later door haar nakomelingen is bevestigd.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.D004, archief abdij Kloosterrade, inv. nr. 802, 3.
Uitgave
a. Polak en Dijkhof, Oorkondenboek Kloosterrade, 116-119, nr. 53, naar A.
Echtheid
Voor de eventuele onechtheid van deze oorkonde, zie de uitgave van Polak en Dijkhof.

Nummer 21
Boudewijn de Molendino (van de Molen), Godfried, zoon van Osa, en Daniel, schepenen van Maastricht, maken bekend dat Benedicta, weduwe, en haar wettige zonen Godfried en Jan, priesters, unaniem in hun aanwezigheid een jaarlijkse cijns van vijf schelling Luiks en twee kapoenen, te ontvangen in het huis van Hendrik Visser van Itteren, in Wyck, hebben verkocht aan Jan van Wyck, zoon van Basilea, met hetzelfde recht waarmee zij deze cijns hebben ontvangen. Nadat deze verkoop wettig voor de schepenen was voltooid, hebben Benedicta en haar twee zonen afstand gedaan van de wettig verkochte cijns van vijf schelling Luiks en twee kapoenen ten behoeve van Jan van Wyck en afgezien van elk recht en ze hebben zoveel gedaan dat aan Jan in alle opzichten is voldaan. Bovendien hebben zij al hun roerende en onroerende goederen die ze nu hebben en in de toekomst zullen hebben aan Jan als onderpand verbonden om vrijwaring te verstrekken en elke redelijke klacht binnen jaar en dag volgens de gewoonte van het recht af te doen en zich verplicht (dit te voldoen), indien er iets zou ontbreken. Dit alles op een dusdanige wijze dat zij de mogelijkheid zullen hebben om wanneer dan ook de door hen gedane verkoop van de cijns van Jan te kopen voor drie pond Luiks; de vijf schelling en twee kapoenen zullen dan door Jan in hun erfelijk recht worden teruggeplaatst.
Gedaan op 12 mei 1257.
Boudewijn de Molendino (van de Molen), Godfried, zoon van Osa, en Daniel, schepenen van Maastricht, hebben bezegeld.
Schepenen van Maastricht oorkonden dat Benedicta, weduwe (van Adelbert van Wyck), en haar zonen Godfried en Jan, priesters, een jaarcijns van vijf schelling Luiks en twee kapoenen op een huis te Wyck (te Maastricht) hebben verkocht aan Jan van Wyck, zoon van Basilea.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002A, archief kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 443.
Aantekeningen op de achterzijde: 1o door 14e-eeuwse hand: Littera V solidorum et II caponum tenetur relicta quondam Alberti in Wiic. – 2o door 16e-eeuwse hand: n 39. – 3o door 16e-eeuwse hand: 286 / 1257.
Bezegeling: twee uithangend bevestigde zegels, die aangekondigd zijn, namelijk: S1 van Boudewijn de Molendino, schepen van Maastricht, van bruine was, beschadigd. – S3 eerste zegel van Daniel supra Forum, schepen van Maastricht, van bruine was, beschadigd; en één bevestigingsplaats, vermoedelijk voor het aangekondigde zegel van Godfried, zoon van vrouwe Osa, schepen van Maastricht (LS2). Voor een beschrijving en afbeelding van S1 en S3, zie respectievelijk Venner, ‘Zegels klooster Sint-Gerlach’, 161-162, en Idem, ‘Maastrichtse schepenzegels’, 170-171, afb. 14.
Afschrift
Niet voorhanden.
Uitgaven
a. Doppler, ‘Schepenbrieven’, 19-20, nr. 1, naar A. – b. Nève, De dertiende-eeuwse schepenoorkonden, 11-12 (met onvolledige vertaling), nr. 1257.05.12, naar A.
Regesten
Haas, Chronologische lijst, 51, nr. 110. – Nuyens, Inventaris Sint-Servaas, 100, nr. 443.
Identificatie
Blijkens de dorsale aantekening is Benedicta de weduwe van Adelbert van Wyck.
Ontstaan
Deze oorkonde is geschreven door een scriptor die schepenoorkonden van Maastricht mundeert voor het Wittevrouwenklooster te Maastricht d.d. 1256 december 22 (zie Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.D030, archief Klooster der Witte Vrouwen Maastricht, 1253-1796, inv. nr. 59), voor de Predikheren te Maastricht d.d. 1263 november 6 (zie Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.D028, archief Klooster der Predikheren te Maastricht, 1261-179, inv. nr. 83) en voor twee begijnen d.d. 1267 januari 25 (zie Collectie Sint-Servaaskapittel, nr. 26). Bijgevolg kan deze scriptor worden gelokaliseerd in het milieu van de schepenbank van Maastricht.
Tekstuitgave
Het onderscheid tussen c en t is moeilijk zichtbaar.
Nummer 22
Hildegonde, abdis, en het convent van de abdij van Thorn verdelen op verzoek van Jan, proost, Gillis, deken, de aartsdiaken en het domkapittel te Luik alsmede met instemming van Marsilius, Gundulf en Nicolaas van Welheim, priesters, en Koenraad, kanunnik van Thorn, de kloostergoederen ter delging van hun schulden. (Deperditum)
Vermelding
Deze oorkonde is bekend uit de dispositio van de oorkonde d.d. 1265 (april 3-1266 maart 25) van Hildegonde, abdis, en het convent van de abdij van Thorn (zie Collectie Thorn, nr. 23), alwaar onderhavige oorkonde wordt vermeld: nobis ab ecclesia [***] ordinationem sive divisionem inter nos fecimus de bonis et reditibus nostris propter debita n[o]stra [***], [s]icut in [l]itteris super hoc confectis et sigillis nostris sigillatis plenius continetur.
Uitgave
Niet eerder uitgegeven.
Samenhang
Voor het verzoek om bevestiging van deze goederenverdeling aan het domkapittel te Luik, zie Collectie Thorn, nr. 23.

Nummer 22
Engelbert van Isenburg, aartsdiaken van Luik, beveelt - aangezien Walram, jonge heer van Valkenburg en Monschau, omwille van God en ter vergeving van de zonden van zijn voorouders het patronaatsrecht van de kerk van Oirsbeek, dat hem tot op heden toebehoorde, geschonken heeft aan proost, magistra en klooster van Sint-Gerlach -, dat de priester van Meerssen de vergeving (van het pastoorsambt) gedurende drie feestdagen in het openbaar moet afkondigen zodat, indien iemand belang heeft bij de benoeming en de aanstelling in de kerk van Oirsbeek, hij die onverwijld voor Engelbert te Luik zal dagen op de dag na het octaaf van de Heilige Drievuldigheid en de kloosterlingen en het convent zullen kunnen terugkomen op de bezwaren.
Gegeven op 28 mei 1273.
Geef de oorkonde bezegeld terug.
Engelbert van Isenburg, aartsdiaken van Luik, beveelt de priester van Meerssen om de vergeving van het pastoorsambt van Oirsbeek, dat door Walram, jonge heer van Valkenburg en Monschau, was geschonken aan proost, magistra en convent van Sint-Gerlach, gedurende drie feestdagen af te kondigen zodat andere belanghebbenden op 12 juni voor de aartsdiaken bezwaar zouden kunnen maken en het klooster erop zou kunnen terugkomen.
Origineel
[A]. Niet voorhanden, blijkens D bezegeld met één zegel.
Afschriften
[B]. 1376 januari 25, niet voorhanden, maar bekend uit C, oorkonde van de officiaal van Luik en de aartsdiaken van de Kempen, naar [A]. – C. 1376 januari 25, Maastricht, RHCL, toegangsnr. 14.D003, archief klooster Sint-Gerlach te Houthem, inv. nr. 173, reg. nr. 71, gewaarmerkt afschrift door Albert Loze van ‘s-Hertogenbosch, openbaar en keizerlijk notaris, op verzoek van de officiaal van Luik en de aartsdiaken van de Kempen, eerste oorkonde, naar [B]. – D. 1735, Maastricht, RHCL, toegangsnr. 14.D003, archief klooster Sint-Gerlach te Houthem, inv. nr. 1 (cartularium) = Privelegien ende register der obligatien en andere erffcontracten des adelijcken cloosters van St. Gerlach, p. 275-276, onder de rubriek: Collatio iuris patronatus ecclesie in Oirsbeek, en in de marge: Num. 170, met opgave van één bezegelingsplaats, naar [A]. – [E]. vóór 1869, niet voorhanden, maar bekend uit b, in 1869 nog aanwezig in het kerkarchief van Oirsbeek.
Uitgaven
a. Hugo, Annales, kol. 737, nr. XVI. – b. Habets, ‘Houthem-Sint-Gerlach’, 213-214, nr. 7, naar [E]. – c. Franquinet, Beredeneerde inventaris St. Gerlach, IV, 22, nr. 17, naar C.
Regest
Haas, Inventaris Sint Gerlach, 73, reg. nr. 17.
Samenhang
Voor de benoeming van de pastoor van Oirsbeek, zie infra nr. 23.
Tekstuitgave
Bij ontstentenis van het origineel en het ontbreken van tekstgedeelten in het achttiende-eeuws cartularium, is onderhavige tekst uitgegeven op basis van afschrift C, met in het notenapparaat de significante varianten van D, a en b.

Nummer 22
Rutger, abt van Kloosterrade, maakt bekend dat
(1) de abdij Kloosterrade voor drie mark drie en een halve morgen akkerland heeft gekocht van Hendrik van Boscheln, en van Hendrik Scoto evenveel grond voor eenzelfde bedrag. Ook heeft de abdij van de voornoemde Willem dertig morgen akkerland met de bijbehorende houtopstand gekocht voor 22 mark. Hierbij waren aanwezig: Rutger, de broeders Adelbert, keldermeester, Randolf, Hendrik, Koenraad en Gijsbert en vele andere broeders; van de andere partij waren aanwezig: Hendrik Rot, Willem Colbe, Arnold Bolte en vele eervolle heren. De abdij heeft van dezelfde Willem ook vier morgen akkerland gekocht voor drie mark. Gedaan in 1212.
(2) Diederik, voogd van Güsten, heeft van de abdij zes mark ontvangen op voorwaarde dat deze jaarlijks zes varkens krijgt, totdat de abdij dit geldbedrag weer terugkrijgt. Intussen moet hun uithof Merberen gevrijwaard zijn van ieder voogdijrecht. Dit zijn de personen die hiervoor borg staan: Hendrik, voogd van Broich, Hendrik, molenaar, en Diederik, zijn broer.
(3) Rutger, edelman van Merum, heeft voor zijn zielenheil aan de abdij en aan het klooster te Heinsberg zijn allodium bij Maasbracht overgedragen. Zolang ze dit allodium niet voor het algemeen gebruik kunnen aanwenden, hebben ze afgesproken dat het klooster van Heinsberg jaarlijks vier malder rogge en drie malder haver aan de abdij Kloosterrade betaalt. Hierbij waren aanwezig: Rutger, abt, Adelbert, keldermeester, Arnold, prior van Scharn, broeder Koenraad; van de andere partij waren aanwezig: Diederik, proost, Gijsbert, keldermeester, Iwan, Godfried en vele anderen. Gedaan in 1212. Rutger van Merum heeft bezegeld.
(4) Hendrik, hertog van Limburg, heeft aan de abdij Kloosterrade het nieuw ontgonnen gebied bij Spekholz met een omvang van drie en een halve hoeve overgedragen. De broeders van Kloosterrade hebben hem, niet als betaling maar ter bevestiging van deze handeling, 22 mark overgedragen en aan de ministerialen en de schepenen die de gebiedsgrenzen hebben bepaald een halve mark. Bij deze handeling waren aanwezig: Rutger, abt, Hendrik, keldermeester, en de broeders Koenraad en Jordanus, Herman, schout, Godfried van Anstel, Gunther, Lodewijk en vele anderen.
Rutger heeft bezegeld.
Gedaan [tussen 25 december 1211 en 24 december] 1212.
Rutger, abt van Kloosterrade, beoorkondt de verwerving door de abdij van goederen en inkomsten bij verschillende recente gelegenheden.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.D004, archief abdij Kloosterrade, inv. nr. 824.
Uitgave
a. Polak en Dijkhof, Oorkondenboek Kloosterrade, 122-125, nr. 55, naar A.
Datering en echtheid
Voor de datering en de eventuele onechtheid van deze oorkonde, zie de uitgave van Polak en Dijkhof.

Nummer 22
Boudewijn de Molendino (van de Molen) en Godfried, zoon van wijlen Osa, schepenen van Maastricht, maken onder aanhechting van hun zegels bekend dat zij als schepenen aanwezig waren en hebben gezien dat broeder Dirk, monnik van Val-Dieu, als procurator van abt en convent van Val-Dieu enerzijds, en Hendrik Herync, burger van Maastricht, anderzijds ten overstaan van hen het volgende zijn overeengekomen: Hendrik en zijn erfgenamen, die tot nu toe gewoon zijn om één mark Keuls te betalen aan de abdij uit het huis aan het Vrijthof waar Hendrik nu in woont, hebben beloofd om in de toekomst en tot in de eeuwigheid één pond Luiks te betalen aan het convent, op voorwaarde dat Hendrik en zijn erfgenamen gehouden zijn om namens het convent een jaarcijns van vier penning en één obool Luiks aan de hof van Lenculen te betalen, welke jaarcijns het convent van Val-Dieu gewoon was te betalen aan deze hof over de grond van het genoemde huis. Hendrik en zijn erfgenamen moeten na betaling deze vier penning en één obool van jaar tot jaar in mindering brengen op de twintig schelling Luiks die ze jaarlijks aan het convent moeten voldoen.
Gedaan en gegeven op 23 januari 1262.
Schepenen van Maastricht oorkonden dat Dirk, monnik van de abdij van Val-Dieu (te Aubel), als procurator van abt en convent enerzijds en Hendrik Herync, burger van Maastricht, anderzijds onder nadere voorwaarden een overeenkomst hebben gesloten inzake de betaling door Hendrik van een jaarlijkse erfcijns van één pond Luiks aan de abdij, te betalen uit zijn woonhuis aan het Vrijthof (te Maastricht).
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002A, archief kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 444.
Aantekeningen op de achterzijde: 1o door 14e-eeuwse hand: Henricus dictus Herinc. – 2o door 14e-eeuwse hand: De XX solidis supra domum in qua moratur Manesius et alia domo contigua. – 3o door 16e-eeuwse hand: 333 / E 44. – 4o door 16e-eeuwse hand: 1261. – 5o door mogelijk 16e-eeuwse hand: (na doorgestreepte woorden) MR G.
Bezegeling: twee uithangend bevestigde zegels, die aangekondigd zijn, namelijk: S1 van Boudewijn de Molendino, schepen van Maastricht, van bruine was, beschadigd. – S2 van Godfried, zoon van vrouwe Osa, schepen van Maastricht, van bruine was, beschadigd. Voor een beschrijving en afbeelding van S1 en S2, zie Venner, ‘Zegels klooster Sint-Gerlach’, 161-162 en 162.
Afschrift
Niet voorhanden.
Uitgave
a. Nève, De dertiende-eeuwse schepenoorkonden, 13-14 (met onvolledige vertaling), nr. 1262.01.23, naar A.
Regesten
Doppler, ‘Schepenbrieven Supplement’, 80, nr. 1805. – Haas, Chronologische lijst, 52, nr. 115. – Nuyens, Inventaris Sint-Servaas, 101, nr. 444.
Datering
Het gebruik van de paasstijl in het bisdom Luik is verondersteld, zie Camps, ONB I, XXI, en Dillo en Van Synghel, ONB II, XVII.
Ontstaan
Deze oorkonde is geschreven door een scriptor die schepenoorkonden van Maastricht mundeert voor het Wittevrouwenklooster te Maastricht d.d. 1253 maart 31, 1255 oktober 28, 1256 februari 27, 1260 juli 29, 1262 november 24 en 1266 januari 13 (zie Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.D030, archief Klooster der Witte Vrouwen Maastricht, 1253-1796, inv. nrs. 30, 58, 38, 60, 61-1 en 32), voor een priester te Maastricht d.d. 1265 september 6 (zie Collectie Sint-Servaaskapittel, nr. 25), alsmede een oorkonde van Manegold, commandeur van de Duitse Orde te Mechelen, ten behoeve van het Wittevrouwenklooster d.d. 1262 november 24 (zie Ibidem, idem, toegangsnr. 14.D030, archief Klooster derWitte Vrouwen Maastricht, 1253-1796, inv. nr. 61-2). Bijgevolg kan deze scriptor worden gelokaliseerd in het milieu van de schepenbank van Maastricht.

Nummer 23
Engelbert van Isenburg, aartsdiaken van Luik, bericht Anselm, landdeken van Susteren, dat hij op voordracht van proost en convent van het klooster Sint-Gerlach, in het bisdom Luik, patronen van de kerk van Oirsbeek, aan broeder Theobald, kanunnik van Sint-Gerlach, de zielzorg en de bewaring van de relieken heeft opgedragen van de kerk van Oirsbeek, die vrijgevallen was door het overlijden van Arnoud van Haren, eertijds pastoor van Oirsbeek, onder behoud van het recht van de opeenvolgende rechtsopvolgers om in de toekomst aanwezig te zijn bij alle zaken betreffende deze kerk die wereldlijke personen tot nu toe plachten te verzorgen. Engelbert draagt Anselm op om Theobald in het werkelijk bezit te stellen van de genoemde kerk volgens zijn gezag, met de vereiste en gebruikelijke plechtigheden. En indien Anselm dit gedaan zal hebben, dan zal hij dat aan Engelbert schriftelijk laten weten.
Gegeven op 12 juni 1273.
Engelbert van Isenburg, aartsdiaken van Luik, bericht Anselm, landdeken van Susteren, dat hij op voordracht van proost en convent van Sint-Gerlach (te Houthem), patronen van de kerk van Oirsbeek, wegens het overlijden van Arnoud van Haren, pastoor van Oirsbeek, Theobald, kanunnik van Sint-Gerlach, benoemd heeft tot pastoor aldaar en hij draagt hem op om Theobald in het werkelijk bezit te stellen.
Origineel
[A]. Niet voorhanden.
Afschriften
[B]. 1376 januari 25, niet voorhanden, maar bekend uit C, oorkonde van de officiaal van Luik en de aartsdiaken van de Kempen, naar [A]. – C. 1376 januari 25, Maastricht, RHCL, toegangsnr. 14.D003, archief klooster Sint-Gerlach te Houthem, inv. nr. 173, reg. nr. 71, gewaarmerkt afschrift door Albert Loze van ‘s-Hertogenbosch, openbaar en keizerlijk notaris, op verzoek van de officiaal van Luik en de aartsdiaken van de Kempen, tweede oorkonde, naar [B]. – D. 1735, Maastricht, RHCL, toegangsnr. 14.D003, archief klooster Sint-Gerlach te Houthem, inv. nr. 1 (cartularium) = Privelegien ende register der obligatien en andere erffcontracten des adelijcken cloosters van St. Gerlach, p. 276-277, onder de rubriek: Institutio fratris Thibodonis, canonici regularis ecclesie sancti Gerlaci, ordinis Premonstratensis, en in de marge: Num. 171, met opgave van één bezegelingsplaats, naar [A].
Uitgave
Niet eerder uitgegeven.
Regesten
Franquinet, Beredeneerde inventaris St. Gerlach, IV,22-23, nr. 18. – Haas, inventaris Sint Gerlach, 74, reg. nr. 18.
Samenhang
Voor de schenking van het patronaatsrecht van de kerk van Oirsbeek aan het klooster Sint-Gerlach te Houthem, zie infra nr. 22.
Tekstuitgave
Bij ontstentenis van het origineel is onderhavige tekst uitgegeven op basis van afschrift C, met in het notenapparaat de significante varianten van D.

Nummer 23
Hildegonde, abdis, en het convent van de abdij van Thorn maken aan Jan, proost, Gillis, deken, de aartsdiaken en het domkapittel te Luik bekend dat, omdat de abdij tot de grootste armoede was vervallen door de vele zware schulden, zoals door Jan, Gillis, de aartsdiaken en het domkapittel voldoende was vastgesteld, abdis en convent op hun aansporing, op bevel van de hele kloostergemeenschap en met instemming en op advies van Marsilius, Gundulf en Nicolaas van Welheim, priesters, en Koenraad, kanunnik van Thorn, hun provisoren, ter delging van de schulden een overzicht hebben gemaakt van de goederen en inkomsten en deze ingedeeld, zoals in de oorkonde staat die daarover is opgemaakt en door abdis en convent van de abdij van Thorn bezegeld. En omdat abdis en convent door deze overeenkomst en verdeling de schulden goed hebben ingelost, hetzij met volledig verlies van hun erfgoed en [***] en deze opgemaakte inventarisatie goed en waarachtig ondervonden hebben als zeer nuttig en God welgevallig en geaccepteerd, verzoeken zij Jan, proost, Gillis, deken, de aartsdiaken en het domkapittel te Luik om deze aanpak, die zij nu willen blijven toepassen, te ratificeren.
Gegeven in 1265.
Hildegonde, abdis, en het convent van de abdij van Thorn vragen aan het domkapittel te Luik de goedkeuring van de verdeling van de kloostergoederen, zoals opgemaakt op verzoek van Jan, proost, Gillis, deken, de aartsdiaken en het domkapittel te Luik alsmede met instemming van Marsilius, Gundulf en Nicolaas van Welheim, priesters, en Koenraad, kanunnik van Thorn.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 01.187A, archief Vrije Rijksheerlijkheid Thorn, inv. nr. 34. Zwaar beschadigd met tekstverlies.
Aantekeningen op de achterzijde: 1o door 16e-eeuwse hand: Supplicatio ad capitulum Sancti Lamberti ut dignetur divisionem inter abbatissam et capitulum approbare, 1265. – 2o door 17e-eeuwse hand: S doorgestreept, Z.
Bezegeling: één uithangend bevestigd zegel, dat niet aangekondigd is, namelijk S2 van Hildegonde, abdis van Thorn, van witte was, zwaar beschadigd. Voor een beschrijving en afbeelding van S2, zie Venner, ‘Zegels Thorn’, 33. Gezien de bezegelingsplaats uiterst rechts van het perkament, was hoogstwaarschijnlijk ter linkerzijde van het origineel ook een zegel aangebracht.
Uitgaven
a. Franquinet, Beredeneerde inventaris Thorn, 28-29, nr. 18 (gedateerd 1265), naar A. – b. Habets, Archieven Thorn, 27, nr. 34 (gedateerd 1265), naar A en a.
Regest
Haas, Chronologische lijst, 57, nr. 131 (gedateerd 1265).
Datering
Het gebruik van paasstijl door geestelijke instellingen in het bisdom Luik is verondersteld, zie Camps, ONB I, XXI, en Dillo en Van Synghel, ONB II, XVII.
Ontstaan en samenhang
Deze oorkonde is gemundeerd door een scriptor uit de abdij van Thorn, die werkzaam was in de periode 1262 tot en met 1273. Voor de lokalisering van deze scriptor, zie ,Thorn nr. 17.
In onderhavige oorkonde wordt verwezen naar een oorkonde van abdis en convent van Thorn waarin de verdeling gemaakt wordt van de kloostergoederen ter delging van de schulden, zie Collectie Thorn, nr. 22.
Tekstuitgave
Een aantal lacunes in A zijn aangevuld naar druk a, toen deze passages nog leesbaar waren.

Nummer 23
Hendrik, hertog van Limburg en markgraaf van Aarlen, maakt bekend dat
(1) Rutger, abt van Kloosterrade, een hoeve heeft gekocht van Arnold Bolte voor zeventig mark, waarvan Arnold veertig mark ontvangen heeft en er voor zijn zielenheil en dat van zijn ouders samen met zijn twee dochters dertig mark van heeft geschonken aan de abdij. Hierbij waren aanwezig: Rutger, abt, Hezelo, keldermeester, en heel het convent. Van de andere partij waren aanwezig: Gijsbert, monnik, Willem Chobo en Hendrik Rath, broers van Arnold, Willem, voogd van Ubach, Willem, voogd van Vulenbach, en meerdere eerbiedwaardige mannen. Arnold, Uda, zijn echtgenote, en zijn zonen en dochters hebben bij het altaar en de broeders vrijwillig plechtig afstand gedaan. De abt en zijn broeders hebben al wat gebeurd is op straffe van een banvloek bevestigd.
(2) Abt Rutger heeft eveneens dertig morgen akkerland bij het dorp Boscheln gekocht van Willem, voogd van Ubach, voor dertig mark. Ook heeft de abt van Willem vier morgen gekocht voor drie mark en anderhalve morgen voor zes schelling. Deze overdracht is gebeurd in aanwezigheid van de abt en zijn broeders, en de geloofwaardige heren Arnold Bolte, Hendrik Rath, Willem Chobo en vele anderen. Willem heeft met zijn echtgenote en kinderen plechtig afstand gedaan. De abt heeft de goederen zelf onder ede in bezit genomen.
(3) De abt heeft ook acht morgen bij Merberen gekocht van Hendrik van Boscheln en Hendrik Scoto voor zeven mark. Dit is gedaan in aanwezigheid van de abt en de broeders; van de andere partij waren aanwezig: Hartlief en zijn zonen Macharius en Gerlach, Arnold Důdenken en andere eervolle heren.
(4) Ook heeft na gemeenschappelijk overleg een ruil plaatsgevonden door abt Rutger en Sigbodo, broer van Macharius van Paffendorf, met 24 morgen akkerland in Merberen, die de abt ontvangen heeft, en twintig morgen en zes penning jaarlijks, die hij aan Sigbodo als vergoeding voor dit land heeft afgestaan. Toen de partijen hiermee akkoord waren gegaan, heeft de abt hier een banvloek aan verbonden.
(5) Eveneens is Diederik, voogd van Güsten, naar abt Rutger en keldermeester Hendrik gekomen met het verzoek om hem met het oog op zijn beperkte vermogen zes mark te lenen, op voorwaarde dat de abdij jaarlijks zes varkens in Gürzenich op vijftien augustus zou ontvangen totdat het geldbedrag aan de abdij was overgemaakt. Intussen zou de hoeve van de abdij in Merberen gevrijwaard zijn van elk voogdijrecht. Maar Diederik heeft na het ontvangen van de penningen allerminst geleverd wat hij over de varkens had beloofd. Getuigen zijn: Hendrik, voogd van Broich, Diederik van Rinkeuelt, Hendrik, molenaar, Filips, voogd van Euchen.
(6) Eveneens heeft abt Rutger vijftien morgen akkerland gekocht van de edelman Rutger van Beggendorf voor tien mark. Deze overdracht heeft de abt in de parochie Beggendorf ontvangen en ook heeft hij voor zijn broeders Adelbert, Randolf, Koenraad en Hendrik plechtig afstand gedaan en de goederen onder ede in bezit genomen.
(7) Eveneens heeft de abt van Hugo en zijn broer Hendrik drie morgen bos en tweeëneenhalve morgen akkerland voor vijfeneenhalve mark gekocht. Dit is gedaan in aanwezigheid van de edelman Rutger, van wie zij deze goederen in leen hielden. Hij heeft dit bezit aan de abdij gegeven en van beiden zes schelling ontvangen. Dit is gedaan in aanwezigheid van de abt en zijn broeders Randolf, Adelbert, Koenraad; van de andere partij waren aanwezig: Willem, voogd van Vulenbach, Adelbero en vele anderen.
(8) Eveneens heeft de abt van Gerlach van Merz zestien morgen akkerland en vier morgen bos gekocht voor negen mark, waarvan de eigendom voor de abdij was. Dit is gedaan in aanwezigheid van Iwan, ridder, Meiner, Lambert en vele anderen.
Hendrik heeft bezegeld.
Gedaan [tussen 25 december 1216 en 24 december] 1217.
Hendrik III, hertog van Limburg en markgraaf van Aarlen, beoorkondt de verwerving door Rutger, abt van Kloosterrade, van goederen bij verscheidene gelegenheden.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.D004, archief abdij Kloosterrade, inv. nr. 825.
Uitgave
a. Polak en Dijkhof, Oorkondenboek Kloosterrade, 138-140, nr. 63, naar A.

Nummer 23
Dirk, abt van Siegburg, maakt aan Lodewijk, deken, en het kapittel van Sint-Servaas te Maastricht bekend dat er lange tijd een geschil is geweest tussen het klooster Siegburg en de Sint-Servaaskerk over de tiend van de goederen van Siegburg te Güls, Manewerc geheten. Aangezien hij over dit conflict voldoende van bewijzen voorzien was door het privilege van de Sint-Servaaskerk, dat bezegeld is met het zegel van de kerk van Siegburg, en door andere bewijsstukken, erkent hij dat de tiend van die goederen met elke andere tiend van Güls aan de Sint-Servaaskerk toebehoort en hij belooft dat het klooster Siegburg deze tienden tot in eeuwigheid uit deze goederen zal betalen. Deken en kapittel van de Sint-Servaaskerk zullen het hem echter vergeven en kwijtschelden indien bij het geven van de tiend door het klooster Siegburg of haar functionarissen iets onachtzaam is nagelaten.
Dirk heeft bezegeld.
Gegeven op 4 november 1263.
Dirk, abt van Siegburg, bericht aan Lodewijk, deken, en het kapittel van Sint-Servaas te Maastricht dat zij erkennen dat de omstreden tiend van de goederen, genaamd Manewerc, te Güls, evenals de andere tiend van Güls aan het kapittel toebehoort.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002A, archief kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 339.
Aantekeningen op de achterzijde: 1o door 15e-eeuwse hand: De decima de Gulse. – 2o door 16e-eeuwse hand: C/II. – 3o door 17e-eeuwse hand: Littera Theodorici, abbatis Siburgensis, quibus decimas de omnibus suis bonis prestandas recognosci / B II en 1263.
Bezegeling: één bevestiging, vermoedelijk voor het aangekondigde zegel van Dirk, abt van Siegburg (SD1).
Afschrift
Niet voorhanden.
Uitgaven
a. Wisplinghoff, Urkunden Siegburg, 256, nr. 142, naar A. – b. Hardt, Urkundenbuch Mittelrheinischen Territorien, 323-324, nr. 469, naar A.
Regesten
Doppler, ‘Verzameling’, 306-307, nr. 173. – Haas, Chronologische lijst, 54, nr. 123. – Nuyens, Inventaris Sint-Servaas, 90, nr. 339.
Samenhang
Voor de in de dispositio genoemde oorkonde d.d. (1188 december 25 – ) 1189 (september 23) inzake het geschil over de tiend te Güls tussen het Sint-Servaaskapittel en de abdij van Siegburg, zie Collectie Sint-Servaas, nr. 8.
Tekstuitgave
Het onderscheid tussen c en t is moeilijk zichtbaar.

Nummer 24
Hendrik, bisschop van Utrecht, maakt bekend dat wijlen Notger, bisschop van Luik, de kerk van Avezaath aan de kerk van Thorn heeft overgedragen ter vermeerdering van de prebenden omdat deze zo mager en gering zijn, zoals in de oorkonde staat die hierover is opgemaakt. Daarom heeft Hendrik, omdat het klooster vanwege te grote armoede een zwaar en meervoudig verlies verwerkt in geestelijke en wereldlijke zaken, na raadpleging van aanzienlijke juristen en met instemming en de wil van Hildegonde, abdis van Thorn, aan wie de collatie en presentatie van de kerk van Avezaath toekomt, besloten dat de abdis een pastoor zal aanstellen wanneer de kerk vrijkomt die de zielzorg verricht, er persoonlijk woonachtig is en er de diensten uitoefent, en dat niemand in die kerk aangesteld wordt dan een priester of iemand gelijkwaardig die daar vanaf de dag van zijn aanstelling binnen één jaar wil, kan en verplicht is woonachtig te zijn, en dat de priester niets ontvangt van zijn pastoorsambt totdat hij zijn priesterwijding zal ontvangen hebben. In de tussentijd echter zullen de kanunniken en kloosterzusters van Thorn de inkomsten van zijn aanstelling ontvangen en die aanwenden voor de na te komen verplichtingen van hun klooster, maar wel met inachtneming van het feit dat in de tussentijd de kerk van Avezaath niet ontdaan wordt van de gehoorzaamheidsplicht. De bisschop heeft ook bepaald dat deze pastoor voorzien wordt van een passend beneficie, namelijk ter waarde van een zesde van de tiend van Zoelen, zowel de grote als de kleine, en van het bezit en de akkers van die kerk met de giften. En als iets in de toekomst aan de kerk van Avezaath geschonken wordt, dan zal dat worden afgestaan aan de pastoor. De rest van de opbrengsten van de kerk van Avezaath mogen de kanunniken en kloosterzusters van Thorn zonder vermindering aanwenden en gebruiken ter vermeerdering van hun prebenden vanwege hun armoede. En als de pastoor van Avezaath toevallig elders beneficiant zou zijn van een beneficie met een verplichting tot residentie, dan zal hij daarvan terstond na het verwerven van de huidige aanstelling vrijwillig afstand doen, en hij zal over zijn rechten in alles verantwoording afleggen aan het bisdom, de aartsdiaken en de deken.
Hendrik heeft bezegeld.
Gedaan en gegeven in juli 1266.
Hendrik, bisschop van Utrecht, bepaalt dat de abdis van Thorn, die het patronaatsrecht van de kerk van Avezaath bezit, met goedkeuring van kanunniken en kloosterzusters van Thorn een pastoor zal installeren en hij stelt tevens diens inkomsten vast.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 01.187A, archief Vrije Rijksheerlijkheid Thorn, inv. nr. 36.
Uitgave
a. Ketner, OSU III, 433-434, nr. 1690, naar A.

Nummer 24
Willem, proost, en het convent van het premonstratenzerklooster Sint-Gerlach verklaren dat ze met instemming van deken en kapittel van de Sint-Servaaskerk te Maastricht in het allodium van de Sint-Servaaskerk een muur rond hun klooster hebben gebouwd. Hiervoor hebben zij in het gedeelte van de muur aan de zijde van Berg uit dat allodium zowel onder de muur als erbinnen één bunder in de lengte verworven en één roede in de breedte, namelijk 17 voet. Daarvoor zullen zij op de eerste zondag na Sint-Andreas aan de Sint-Servaaskerk een erfelijke jaarrente van twee penning Luiks betalen te Berg. Met deze vergunning van het allodium erkennen proost en convent van Sint-Gerlach geen verder recht verworven te hebben in de goederen van Sint-Servaas.
Het klooster Sint-Gerlach heeft bezegeld.
Gegeven op 6 september 1279.
Willem, proost, en het convent van Sint-Gerlach (te Houthem) verklaren dat zij met instemming van deken en kapittel van de Sint-Servaaskerk te Maastricht in het allodium van het kapittel een muur rond hun klooster gebouwd hebben op een stuk grond van één bunder in de lengte en één roede in de breedte aan de zijde van Berg tegen een erfelijke jaarrente van twee penning Luiks.
Origineel
[A]. Niet voorhanden.
Afschrift
B. 1279 september 6, Maastricht, RHCL, toegangsnr. 14.D003, archief klooster Sint-Gerlach te Houthem, inv. nr. 31, reg. nr. 21, vidimus door deken en kapittel van de Sint-Servaaskerk te Maastricht, zie infra nr. 25, naar [A].
Uitgave
Niet eerder uitgegeven.
Regest
Niet voorhanden.
Ontstaan en samenhang
Onderhavige oorkonde is samen met twee andere oorkonden inzake de bouw van de muur op eenzelfde dag uitgevaardigd, zie infra nrs. 25 en 26.

Nummer 24
Walram, graaf van Luxemburg en La Roche en markgraaf van Aarlen, maakt bekend dat, aangezien er een geschil was tussen de abdij Kloosterrade en ridder Rutger van Beggendorf over een zekere mantel, waarvan Rutger beweerde dat die hem jaarlijks erfrechtelijk verschuldigd was, beide partijen op advies van Walram en van verstandige mannen overeengekomen zijn dat de abdij voor de schikking twee mark heeft gegeven aan Rutger en zo zelf van iedere klacht heeft afgezien en er plechtig afstand van heeft gedaan.
Hierbij waren aanwezig: Hendrik, zoon van Walram, Alexander van Wijlre, Willem, slotvoogd, Reinold van Lürken, de ministerialen Winand van Lemiers, Willem Puls, Herman van Eygelshoven, en broeders van Kloosterrade, namelijk Randolf, Koenraad, keldermeester, Rutger met de abt, Helmerik, en vele anderen.
Walram heeft bezegeld.
Gedaan op 15 juli 1219, in het huis van Walram te ’s-Hertogenrade.
Walram III, graaf van Luxemburg en La Roche en markgraaf van Aarlen, beslecht een geschil tussen de abdij Kloosterrade en ridder Rutger van Beggendorf, waarbij de abdij de jaarlijkse afdracht van een cappa afkoopt met een som van twee mark.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.D004, archief abdij Kloosterrade, inv. nr. 777.
Uitgave
a. Polak en Dijkhof, Oorkondenboek Kloosterrade, 143-144, nr. 65, naar A.

Nummer 24
Lodewijk, deken, en het kapittel van Sint-Servaas te Maastricht maken bekend dat de leek Arnoud Nauta van Güls, met toestemming van Cristantia, zijn echtgenote, een halve morgen wijngaard in Rupes, waar een jaarlijkse cijns van twintig penning Keuls uit wordt betaald aan het Premonstratenzer nonnenklooster van Rodef, aan het kapittel heeft gegeven en op het altaar van Sint-Servaas overgedragen; verder een halve morgen, gelegen te Boven-Spilwese, waaruit geen cijns wordt betaald, alsmede een halve morgen te Ofmereyne, waaruit jaarlijks een half pond was wordt geleverd aan de kerk in Güls; verder een kwart morgen, gelegen op de plaats Op der Gruven, die jaarlijks een obool cijns betaalt voor een mis voor de overledenen; voorts een klein deel van een wijngaard, waarvan het eerste deel ligt op de plaats, Calcgruven genaamd, waaruit een cijns van één penning Keuls wordt betaald aan de monniken van Siegburg; voorts een halve morgen, Gheyse genaamd, te Meldinghen, die een jaarlijkse cijns van een halve aam betaalt aan de weduwe van heer Boudewijn, ridder, van Wolkene. Omdat Arnoud en Cristantia geen erfgenamen hebben, heeft Arnoud met instemming en op aandringen van zijn echtgenote de heilige Servaas en de kerk voor eeuwig erfgenaam gemaakt van deze wijngaarden en aan deken en kapittel gevraagd om hen op te nemen in de broederschap van Sint-Servaas. Lodewijk en het kapittel hebben hiermee ingestemd en Arnoud en Cristantia als broeder en zuster aangenomen. Daarbij hebben zij hun toegestaan om het vruchtgebruik van bovengenoemde goederen te behouden en die te gebruiken als hun eigendom, zolang ze leven, met dien verstande dat het hun niet toegestaan is om deze goederen in hun geheel of ten dele te verkopen, als pand te verbinden of op een andere wijze aan iemand over te dragen of van de Sint-Servaaskerk te vervreemden, maar dat die na hun dood zonder enige kwestie, overeenkomstig hetgeen aan de Sint-Servaaskerk is geschonken, vrij zullen blijven.
De Sint-Servaaskerk heeft bezegeld.
Gegeven op 22 november 1264.
Lodewijk, deken, en het kapittel van Sint-Servaas te Maastricht nemen Arnoud Nauta van Güls en zijn echtgenote Cristantia in hun broederschap op en geven hun de wijngaarden te Güls in levenslang vruchtgebruik die zij aan het kapittel hebben geschonken.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002A, archief kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 340. Beschadigd met tekstverlies.
Aantekeningen op de achterzijde: 1o door 15e-eeuwse hand: De Gulse. – 2o door 15e-eeuwse hand: P XIIII. – 3o door 16e-eeuwse hand: B 12 en 1265. – 4o door 17e-eeuwse hand: Littera donationis quorundam bonorum in Gulse.
Bezegeling: één bevestigingsplaats, vermoedelijk voor het aangekondigde zegel van het kapittel van Sint-Servaas te Maastricht (LS1).
Afschrift
Niet voorhanden.
Uitgave
Niet eerder uitgegeven.
Regesten
Doppler, ‘Verzameling’, 307, nr. 174. – Haas, Chronologische lijst, 55-56, nr. 127. – Nuyens, Inventaris Sint-Servaas, 90, nr. 340.
Tekstuitgave
Het onderscheid tussen c en t is moeilijk zichtbaar.

Nummer 25
Deken en kapittel van de Sint-Servaaskerk te Maastricht maken bekend dat zij een oorkonde van proost en convent van het premonstratenzerklooster Sint-Gerlach hebben ontvangen inzake een onderlinge overeenkomst met deze woorden:
− − − (hierna volgt de tekst van Collectie Sint-Gerlach nr. 24).
Het kapittel heeft bezegeld.
Gedaan en gegeven in het jaar zoals boven.
Deken en kapittel van de Sint-Servaaskerk te Maastricht vidimeren een oorkonde van proost en convent van Sint-Gerlach (te Houthem) d.d. 1279 september 6, inzake de bouw van een muur rond het klooster Sint-Gerlach en bevestigen dat zij deze oorkonde hebben ontvangen.
Origineel
A. Maastricht, RHCL, toegangsnr. 14.D003, archief klooster Sint-Gerlach te Houthem, inv. nr. 31, reg. nr. 21. Gelinieerd.
Aantekeningen op de achterzijde: 1º door laatste kwart 14e-eeuwse hand: H II. – 2º door 15e-eeuwse hand: De quittatione allodii unius bonarii terre siti infra muros monasterii. – 3º door 17e-eeuwse hand: 1279. – 4º door 18e-eeuwse hand: Num. 74.
Bezegeling: één uithangend bevestigd zegel, dat aangekondigd is, namelijk: S1 zegel van het kapittel van de Sint-Servaaskerk te Maastricht, van groene was, beschadigd. Voor een beschrijving en afbeelding, zie Venner, ‘Zegels klooster Sint-Gerlach’, 155.
Afschrift
B. 1735 Maastricht, RHCL, toegangsnr. 14.D003, archief klooster Sint-Gerlach te Houthem, inv. nr. 1 (cartularium), p. 120-121, onder de rubriek: Litere domini decani et capituli sancti Servatii Traiectensis de quittatione allodii unius bonnarii terre infra murum monasterii, en in de marge: Num. 74, met opgave van één bezegelingsplaats, naar A.
Uitgave
a. Hackeng, Het middeleeuws grondbezit, 320, nr. 101, onvolledig, naar A.
Regesten
Franquinet, Beredeneerde inventaris St. Gerlach, IV, 24, nr. 20. – Haas, inventaris Sint Gerlach, 75, reg. nr. 21. – Idem, Chronologische lijst, 73, reg. nr. 186.
Ontstaan en samenhang
Onderhavige oorkonde is samen met twee andere oorkonden inzake de bouw van de muur op eenzelfde dag uitgevaardigd, zie infra nrs. 24 en 26. Het schriftbeeld van deze oorkonde wijkt sterk af van de overige oorkonden in het fonds van Sint-Gerlach door het gebruik van de diplomatische minuskel met extreem lange schachten, een zeer grote interlinie met extra interval tussen de regels 4 en 5 en 10 en 11, de grote, sterk versierde initiaal en de vreemd omgeslagen vorm van de pliek. Een mogelijke lokalisering van deze scriptor in het kapittel van Sint-Servaas bleek niet mogelijk bij gebrek aan vergelijkingsmateriaal uit deze periode. Er is slechts één origineel overgeleverd, d.d. 1275.03.20 (Maastricht, RHCL, toegangsnr. 14.B002A, archief kapittel van Sint Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 422), uitgevaardigd door de proost van Sint-Servaas, en deze oorkonde is geschreven in gotisch cursief.
Tekstuitgave
Het onderscheid tussen c en t is niet goed zichtbaar.

Nummer 25
Jan, proost, Gillis, deken, de aartsdiaken en het domkapittel van Luik maken bekend dat toen meester Willem, pastoor van Beek, de kanunniken van Thorn voor hen in een rechtszaak getrokken heeft, deze zijn klaagschrift met de tenlastelegging tegen hen op de volgende wijze heeft opgesteld.
Meester Willem, pastoor van Beek, zegt tegen de kanunniken van Thorn dat aangezien hem het recht toekomt om alle grote tienden te heffen en te hebben binnen de grenzen van de kerk van Beek als behorend tot de pastoor en rector van die kerk, de gedaagden ten onrechte en zonder redenen verhinderden dat de genoemde rector de grote tienden in hun geheel int, houdt en verzamelt op de juiste tijd. Als wijze van beletsel verklaart Willem, de eiser, dat de kanunniken de voornoemde tienden elk jaar voor twee derde innen en wegvoeren tegen de wil van de eiser ten nadele van hem en de kerk, terwijl er geen enkele redelijke oorzaak is waarom de kanunniken de tienden voor de genoemde gedeelten zouden moeten ontvangen, verzamelen of hebben.
En daarom eist Willem in zijn aanklacht dat, indien het voorafgaande voor hen wettelijk voldoende vaststaat, dat de gedaagden door hen worden veroordeeld en gedwongen om van hun verhindering en tegenspraak afstand te doen en dat zij hem toelaten om de genoemde tienden geheel vreedzaam te innen, te houden en ervan te genieten zoals het hoort. Ook eist Willem dat de kanunniken van Thorn veroordeeld worden om de vruchten van de tienden die zij tegen zijn wil en tot zijn nadeel hebben geïnd en weggevoerd, geschat op dertig mark Luiks, teruggeven en hem voldoening geven.
Het voorgaande zegt en eist Willem, zich het recht voorbehoudend om zaken toe te voegen, te verminderen of geheel toe te lichten, verklarend dat hij bevoegd is in de voorgenoemde zaken, die hij zal bewijzen, nadat de zaak wettig aanhangig is gemaakt, door partijen de eed van calumnie of aangaande de waarheid is afgelegd, de voordracht van partijen is gehoord en in geschrifte vastgelegd, de getuigen ontvangen, gehoord en nauwkeurig onderzocht en hun verklaringen volgens gewoonte bekend gemaakt en een afschrift gegeven om op de getuigen te reageren.
En op de dag om te antwoorden op de getuigen en de uitspraken bekend te maken aan de kanunniken, riepen de kanunniken de peremptoire exceptie in op de volgende wijze: de kanunniken zeggen en roepen de peremptoire exceptie in tegen meester Willem van Buggenum, dat zij al veertig jaar of vanaf de tijd waarvan geen geheugen bestaat, op basis van hun prebenden te Thorn twee derde van de vruchten van de grote tienden binnen de grenzen van de parochiekerk van Beek vreedzaam bezitten, innen of doen innen, welke vruchten meester Willem van hen terugeist, van wiens kerk van Beek de abdis van Thorn de patrones is krachtens haar waardigheid; en tot teken van het patronaatsrecht heeft en int de kerk van Thorn de vruchten voor twee delen binnen de grenzen van de genoemde parochie zoals boven omschreven. Ook zeggen de kanunniken van Thorn onder peremptoire exceptie tegen Willem dat Gozewijn, voorheen pastoor van de kerk van Beek, namens hen de genoemde tiendvruchten voor een jaarlijkse pacht inde, ontving en had, niet wegens het pastoorschap van Beek, maar omdat hij deze vruchten van de kanunniken in pacht ontving en een tijd lang als pachter of lasthebber van de kanunniken ontving, zoals ook in de verklaringen van de getuigen van meester Willem uitdrukkelijk is bekend.
Onder inroeping van de peremptoire exceptie zeggen de kanunniken van Thorn tegen Willem dat zij als ontvangers van de genoemde tienden volgens het gemene recht zeker zijn van vrijspraak en eisen zij om door de rechter vrijgesproken te worden van de eis van de genoemde Willem en hem te veroordelen in de wettige kosten wegens roekeloze dagvaarding in rechte, wanneer de getuigen over deze exceptie zijn ontvangen, gehoord en nauwkeurig onderzocht en hun verklaringen volgens gewoonte bekend gemaakt en een afschrift is gegeven om op de getuigen te reageren.
Toen ter zake aan de partijen de dag bekend was gemaakt om het definitieve vonnis te horen, verschenen meester Willem persoonlijk en de kanunniken van Thorn door middel van een procurator in rechte voor hen en vroegen nadrukkelijk om vonnis te wijzen. Gezien en kennis genomen hebbend van de aard der zaak en na het verstrekken van advies door rechtsgeleerden, vinden proost, deken, aartsdiaken en het kapittel van Luik dat de kanunniken van Thorn hun exceptie voldoende hebben bewezen. Omdat de peremptoire exceptie bewezen is, vervalt de hoofdzaak en ontslaan zij de kanunniken van Thorn van de eis van meester Willem door definitief vonnis, onder voorbehoud van de kwestie van de kosten voor de kanunniken.
Gegeven en gedaan op 15 november 1266.
Jan, proost, Gillis, deken, de aartsdiaken en het domkapittel van Luik wijzen vonnis in het geschil tussen Willem van Buggenum, pastoor van Beek, en de kanunniken van Thorn inzake de grote tienden te Beek.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 01.187A, archief Vrije Rijksheerlijkheid Thorn, inv. nr. 37.
Aantekeningen op de achterzijde: 1o door 16e-eeuwse hand: 1266. ‒ 2o door 17e-eeuwse hand: Q. ‒ 3o door 18e-eeuwse hand: Maiores decimas de Beken. ‒ 4o door 18e-eeuwse hand: B.
Bezegeling: één uithangend bevestigd zegel, dat niet aangekondigd is, namelijk: S1 van het domkapittel van Luik, van bruine was. Voor een beschrijving en afbeelding van S1, zie Venner, ‘Zegels Thorn’, 21-23.
Afschriften
B. eerste helft 15e eeuw, Ibidem, toegangsnr. 01.187B, archief Vrije Rijksheerlijkheid Thorn, inv. nr. 1628 (voorheen cartularium nr. 1) = Cartularium abbatiae imperialis Thorensis, 966-1600, p. 57-58 (oude fol. 33r-v), onder de rubriek: De decima de Beke, in de marge C, naar A. ‒ C. 18e eeuw, Ibidem, toegangsnr. 01.187B, archief Vrije Rijksheerlijkheid Thorn, inv. nr. 1629 = Codex of cartularium IV, 992-1762 (band notariële afschriften abdij Thorn), p. 35-37, eenvoudig afschrift. ‒ D. Ibidem, idem, p. 63, onder de rubriek: De decima de Beke, links in de marge: Copia N. 2, afschrift, met vermelding van het zegel, naar A.
Uitgave
Niet eerder uitgegeven.
Regesten
Franquinet, Beredeneerde inventaris Thorn, 30-31, nr. 20. – Habets, Archieven Thorn, 30-31, nr. 20. – Haas, Chronologische lijst, 58, nr. 135.
Tekstuitgave
Het onderscheid tussen c en t is niet goed zichtbaar.

Nummer 25
Koenraad, bisschop van Porto en St.-Rufina en pauselijk legaat, maakt aan abt en convent van Kloosterrade bekend dat hij hen onder zijn bescherming neemt met alle goederen die ze op dat moment redelijkerwijze bezitten of in de toekomst zullen verwerven. In het bijzonder bevestigt hij hen in het bezit van de akkers, huizen en weiden die Jutta en haar dochter Margareta vrijelijk voor hun zielenheil aan de abdij hebben overgedragen en hij bekrachtigt dit met deze oorkonde.
Gegeven te Keulen, op 16 augustus 1224.
Koenraad, bisschop van Porto en St.-Rufina en pauselijk legaat, neemt de abdij Kloosterrade met al haar goederen onder zijn bescherming en bevestigt haar in het bezit van de goederen die Jutta en haar dochter Margareta hebben overgedragen.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.D004, archief abdij Kloosterrade, inv. nr. 945.
Uitgave
a. Polak en Dijkhof, Oorkondenboek Kloosterrade, 153-154, nr. 72, naar A.

Nummer 25
Boudewijn de Molendino (van de Molen) en Godfried, zoon van wijlen Osa, schepenen van Maastricht, maken onder aanhechting van hun zegels bekend dat zij als schepenen aanwezig waren en hebben gezien dat Dirk, monnik van Val-Dieu, met instemming van abt en convent van Val-Dieu aan Lambert supra Forum, priester, zoon van wijlen Rutger, heeft toegestaan zolang hij leeft om hun huis en erf met de aanhorigheden te hebben dat van Hendrik van Hagen, priester, was en gelegen is aan het Vrijthof te Maastricht, en dat hij Lambert tot zijn dood heeft toegestaan een jaarlijkse cijns van twaalf schelling Luiks te ontvangen uit een ander huis aan het Vrijthof, waarin Adam, gehuwd met een dochter van Hartfust, verblijft. Dit op voorwaarde dat wanneer Lambert overlijdt, het huis met de voornoemde cijns geheel vrij en onvoorwaardelijk naar abt en convent van Val-Dieu zal terugkeren.
De schepenen van Maastricht hebben deze oorkonde in tweevoud doen opmaken opdat beide partijen een en dezelfde oorkonde zouden hebben.
Gedaan en gegeven op 6 september 1265.
Schepenen van Maastricht oorkonden dat Dirk, monnik van de abdij van Val-Dieu (te Aubel), met instemming van abt en convent hun huis en erf, dat van Hendrik van Hagen, priester, was en gelegen is aan het Vrijthof (te Maastricht), aan Lambert supra Forum, priester, heeft gegeven zolang deze leeft en hem een jaarlijkse cijns van twaalf schelling Luiks toekent uit een ander huis aan het Vrijthof, waarin Adam verblijft.
Originelen
A1. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002A, archief kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 445. Beschadigd.
Aantekeningen op de achterzijde: 1o door 14e-eeuwse hand: Lambertus, presbiter, recepit a domo Vallis Dei quoad mortem suam unam domum in Traiecto coram scabinis Traiectensibus. – 2o door 14e-eeuwse hand: Littera de domo Iohannis de Libra? [***] Atrium. – 3o door 16e-eeuwse hand: 1265. – 4o door16e-eeuwse hand: m 23.
Bezegeling: twee bevestigingsplaatsen, vermoedelijk voor de aangekondigde zegels van Boudewijn de Molendino en Godfried, zoon van vrouwe Osa, schepenen van Maastricht (LS1 en LS2).
[A2]. niet voorhanden, maar bekend uit de corroboratio van A1, exemplaar voor de abdij van Val-Dieu.
Afschrift
Niet voorhanden.
Uitgave
a. Nève, De dertiende-eeuwse schepenoorkonden, 34-35 (met onvolledige vertaling), nr. 1265.09.06, naar A1.
Regesten
Doppler, ‘Schepenbrieven Supplement’, 80-81, nr. 1806. – Haas, Chronologische lijst, 56, nr. 130. – Nuyens, Inventaris Sint-Servaas, 101, nr. 445.
Ontstaan
Deze oorkonde is geschreven door een scriptor die schepenoorkonden van Maastricht mundeert en kan worden gelokaliseerd in het milieu van de schepenbank van Maastricht, zie Collectie Sint-Servaas, nr. 22.
Tekstuitgave
Het onderscheid tussen c en t is moeilijk zichtbaar.
Nummer 26
Walram, heer van Valkenburg en Monschau, maakt bekend dat proost en convent van het premonstratenzerklooster Sint-Gerlach met instemming van deken en kapittel van de Sint-Servaaskerk te Maastricht in het allodium van de kerk van Sint-Servaas een muur hebben gebouwd die om het klooster Sint-Gerlach heen loopt.
In het gedeelte van de muur in de richting van Berg blijken proost en convent zowel onder de muur als erbinnen in de lengte één bunder te bezitten en in de breedte één roede, namelijk zeventien voet. Proost en convent van Sint-Gerlach hebben beloofd uit het allodium jaarlijks erfelijk twee penning Luiks te betalen op de eerste zondag na Sint-Andreas en verklaren hierdoor geen verder recht te hebben of zullen hebben op de goederen van de Sint-Servaaskerk. Ook erkent en bevestigt Walram dat hij door deze instemming geen enkel recht meer verworven heeft of zal trachten te verwerven op dit allodium of de goederen van de Sint-Servaaskerk.
Walram heeft bezegeld.
Gegeven op 6 september 1270.
Walram, heer van Valkenburg en Monschau, maakt bekend dat proost en convent van Sint-Gerlach (te Houthem) met instemming van deken en kapittel van de Sint-Servaaskerk te Maastricht in het allodium van het kapittel een muur rond hun klooster gebouwd hebben
op een stuk grond van één bunder in de lengte en één roede in de breedte aan de zijde van Berg tegen een erfelijke jaarrente van twee penning Luiks en hij erkent geen enkel recht op deze grond te hebben.
Origineel
[A]. Niet voorhanden, blijkens B bezegeld met één zegel.
Afschrift
B. 1735, Maastricht, RHCL, toegangsnr. 14.D003, archief klooster Sint-Gerlach te Houthem, inv. nr. 1 (cartularium) = Privelegien ende register der obligatien en andere erffcontracten des adelijcken cloosters van St. Gerlach, p. 191-192, onder de rubriek: Confirmatio domini Walrami de Monjoie et Valckenburgh literrarum domini decani et capituli sancti Servatii Traiectensis de quittatione unius allodii unius bonnarii terre infra murum monasterii sancti Gerlaci, en in de marge: Num. 128, met opgave van één bezegelingsplaats, naar [A].
Uitgave
Niet eerder uitgegeven.
Regest
Niet voorhanden.
Datering
Aangezien de overeenkomst tussen het klooster Sint-Gerlach (te Houthem) en deken en kapittel van de Sint-Servaaskerk te Maastricht over de bouw van een muur dateert uit 1279 (zie infra nrs. 24 en 25), moet het jaartal in onderhavige oorkonde corrupt zijn overgeleverd in het cartularium en de bijbehorende index.
Ontstaan en samenhang
Onderhavige oorkonde is samen met twee andere oorkonden inzake de bouw van de muur op eenzelfde dag uitgevaardigd, zie infra nrs. 24 en 25.

Nummer 26
Dirk, ridder van Heeswijk, maakt bekend dat hij er op zijn kosten voor zal zorgen in naam van het convent van Thorn een oorkonde te krijgen van de bisschop van Utrecht onder deze of soortgelijke vorm, namelijk dat er een aanstelling wordt gedaan van het vicariaat van de kerk van Avezaath, waarvan het collatierecht bij de abdis van Thorn berust, en dat diezelfde pastoor volgens zijn voordracht en die van zijn erfgenamen door de abdis en haar opvolgers als patrones van die kerk wordt aangesteld en eeuwig ten behoeve van de zorg van die kerk zal worden gepresenteerd. Deze pastoor zal geschikt zijn, de zielzorg verrichten en er persoonlijk resideren en bedienen in de kerk. Ook zal hij jaarlijks ten minste dertig pond Leuvens ontvangen en verantwoording afleggen over zijn rechten aan het bisdom, de aartsdiaken en de dekens. Wat overblijft van de tienden of in andere goederen van de kerk van Avezaath, zal worden aangewend ter vermeerdering van de prebenden van de kanunniken en kloosterzusters van Thorn omdat hun prebenden gering en ontoereikend zijn. Verder zal Dirk, wanneer hij de oorkonde onder de voornoemde vorm zal hebben verkregen, voor eeuwig van abdis en convent van Thorn de tienden in pacht krijgen en alle andere goederen met hun toebehoren die zij in Avezaath hebben, behalve de goederen die abt en convent van de Sint-Paulusabdij te Utrecht van hen hebben, en eveneens met uitzondering voor heer Otto, ridder, van Zoelen, die hem geen leenhulde zal doen voor de goederen die hij nu tijdelijk houdt van abdis en convent van Thorn. En deze clausule betreffende de leenhulde van Otto moet volgens de wil van de abdis gecorrigeerd of veranderd worden. Dirk zal hen in ieder geval jaarlijks op Kerstmis 37 pond Leuvens geven in de kerk van Thorn op zijn inspanning en kosten en hij zal zijn bode zenden en betalen. Bovendien geeft hij de abdij voor de jaarlijkse betaling van de pacht goede zekerheid en zal de abdij om het even welke straf kunnen kiezen. Abdis en convent moeten hem trouw helpen met hun oorkonde en zegels overal waar dit nodig zou zijn om deze zaak te behartigen, voor elkaar te krijgen en te voltooien zonder kosten. En zolang deze zaak niet voltooid zal zijn, zal Dirk zich de goederen die aan de kerk toebehoren, niet toe-eigenen zonder toestemming van abdis en convent of van de pastoor van de kerk van Avezaath, noch zal hij hen in het geheim of openlijk hinderen. Bovendien zal Dirk, zodra de kerk van Avezaath vacant is, Gerard van Avezaath, priester, presenteren voor de plechtige installatie in deze kerk en hem ter ondersteuning van zijn prebende jaarlijks vijf pond Leuvens toevoegen, zolang Gerard leeft, en hem trouw ondersteunen en verdedigen. Hieraan is nog toegevoegd dat indien Dirk de oorkonde onder de genoemde of gelijkaardige vorm door de bisschop van Utrecht niet zou ontvangen binnen een half jaar vanaf de dag van de bevestiging, dat dan elke overeenkomst en belofte tussen hem en abdis en convent van Thorn zal eindigen en dat zij zonder zijn tegenspraak zullen kunnen doen wat ze willen met hun goederen.
Gedaan op 6 juli 1267.
Dirk van Heeswijk, ridder, verbindt zich ertoe van de bisschop van Utrecht een oorkonde te verkrijgen inzake de aanstelling van de door hem voorgedragen pastoor in de kerk van Avezaath, waarvan het collatierecht aan de abdis van Thorn toebehoort, en inzake de regeling van diens inkomsten uit de tienden en goederen te Avezaath.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 01.187A, archief Vrije Rijksheerlijkheid Thorn, inv. nr. 39.
Uitgave
a. Ketner, OSU IV, 4-5, nr. 1723, naar A.
Ontstaan
Deze oorkonde is gemundeerd door een scriptor uit de abdij van Thorn, die werkzaam was in de periode 1262 tot en met 1273. Voor de lokalisering van deze scriptor, zie Collectie Thorn, nr. 17.

Nummer 26
Koenraad, bisschop van Porto en St.-Rufina en pauselijk legaat, maakt bekend dat de middelen en opbrengsten van de abdij Kloosterrade nauwelijks voldoende zijn voor het eigen onderhoud, maar dat men vaak ten onrechte te maken heeft met het ongenoegen van velen omdat de abdij aan de dringende verzoeken van edelen niet tegemoet kan komen. Opdat de abdij op een goede manier deze rustverstorende verzoeken zou kunnen weigeren, hebben abt en convent van Kloosterrade aan Koenraad verzocht om een vaststaand aantal dames toe te staan.
Om rust te verschaffen stelt Koenraad het aantal dames in de abdij voor altijd vast op een aantal van dertig, tenzij wellicht de middelen van de abdij zodanig toenemen dat daaruit met gemak in het onderhoud van meer dames kan worden voorzien.
Gegeven te Hoven, op 11 februari 1226.
Koenraad, bisschop van Porto en St.-Rufina en pauselijk legaat, stelt het aantal kloosterzusters van de abdij Kloosterrade op een maximum van dertig.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.D004, archief abdij Kloosterrade, inv. nr. 688.
Uitgave
a. Polak en Dijkhof, Oorkondenboek Kloosterrade, 156-157, nr. 74, naar A.

Nummer 26
Daniel, Godfried, zoon van Florens, Gerard, zoon van Gosmar, en Jan Suevus, schepenen van Maastricht, maken onder aanhechting van hun zegels bekend dat zij als schepenen aanwezig waren toen Jan, bloedverwant van Tis, aan de jonge meisjes Ida en Margareta, begijnen, dochters van Godfried van Wiggarberge, een jaarlijkse cijns van twaalf schelling Luiks en twee kapoenen heeft verkocht, gevestigd op een huis op de Houtmarkt dat Adam, pottenbakker, erfrechtelijk van Jan houdt. Uit dit huis zullen de erfgenamen van de genoemde twaalf schelling en twee kapoenen jaarlijks 21 penning Luiks en één kapoen aan de monniken van Val-Dieu betalen. Jan, bloedverwant van Tis, zijn echtgenote en hun kinderen hebben ten behoeve van Ida en Margareta afstand gedaan van het huis en de gehele cijns daaruit en hebben plechtig afgezien van elk recht dat zij in dit huis hebben en ze hebben zoveel gedaan dat aan alle eisen is voldaan. Zij hebben beloofd binnen jaar en dag vrijwaring te verstrekken en elke redelijke klacht af te doen. Ook is er aan toegevoegd dat, indien iemand de verkoop binnen jaar en dag bij Ida en Margareta uitwint, wat in de volkstaal bescodden wordt genoemd, Jan vanaf dat moment zoveel penningen aan de meisjes zal moeten afstaan als hij onder zich heeft gehouden. Om zich te houden aan alle voorwaarden heeft Jan zijn hof en huis op de Markt en al zijn andere goederen als onderpand gesteld. Hij heeft tevens beloofd dat hij, mocht hij van Adam iets verwerven door een schepenvonnis of door vriendschap, hij dit aan Ida en Margareta zal verkopen volgens het tarief en het equivalent van de penningen.
Gedaan op 25 januari 1267.
Schepenen van Maastricht oorkonden dat Jan, bloedverwant van Tis, een jaarlijkse cijns van twaalf schelling Luiks en twee kapoenen, gevestigd op een huis aan de Houtmarkt (te Maastricht), heeft verkocht aan de jonge meisjes Ida en Margareta, begijnen, dochters van Godfried van Wiggarberge.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002A, archief kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 451. Beschadigd. Met een getransfigeerde oorkonde van de schepenen van Maastricht d.d. 1276 juni 24, zie Collectie Sint-Servaaskapittel, nr. 43.
Aantekeningen op de achterzijde: 1o door 16e-eeuwse hand: 126.
Bezegeling: vier bevestigingsplaatsen, vermoedelijk voor de aangekondigde zegels van Daniel (supra Forum), Godfried, zoon van Florens, Gerard, zoon van Gosmar, en Jan Suevus, schepenen van Maastricht (LS1, LS2, LS3 en LS4).
Afschrift
Niet voorhanden.
Uitgaven
a. Doppler, ‘Schepenbrieven’, 20-21, nr. 2, naar A. – b. Nève, De dertiende-eeuwse schepenoorkonden, 37-38 (met onvolledige vertaling), nr. 1267.01.25, naar A.
Regest
Haas, Chronologische lijst, 58, nr. 136.
Samenhang
Voor de schenking van deze cijns aan abt en convent van Val-Dieu te Aubel d.d. 1276 juni 24, zie Collectie Sint-Servaaskapittel, nr. 43.
Ontstaan
Deze oorkonde is geschreven door een scriptor die schepenoorkonden van Maastricht mundeert en kan worden gelokaliseerd in het milieu van de schepenbank van Maastricht, zie Collectie Sint-Servaas, nr. 21.
Datering
Het gebruik van de paasstijl in het bisdom Luik is verondersteld, zie Camps, ONB I, XXI, en Dillo en Van Synghel, ONB II, XVII.
Tekstuitgave
Het onderscheid tussen c en t is niet goed zichtbaar.

Nummer 27
Hendrik, minderbroeder, bisschop van Chiemsee en wijbisschop van Hendrik, bisschop van Luik, maakt bekend dat hij op 6 september 1268 na aanroeping van de Heilige Geest vijf altaren in het klooster van de Heilige Maria in Thorn heeft gewijd, waarbij hij vanwege ieder altaar op die dag en de dertig daarop volgende dagen aan allen die oprecht berouw hebben een aflaat van honderd dagen en van een veertigdaagse vasten verleent, alsmede eenzelfde aflaat op de jaarfeesten van de wijdingen van de genoemde altaren en van alle andere gewijde altaren in het klooster op de vier plechtigheden van de zeer vrome maagd Maria en op de feestdagen van de heiligen, ter ere van wie de genoemde altaren gewijd zijn. Bovendien staat hij door de gunst van de almachtige God de genoemde aflaat toe aan alle gelovigen die helpen bij de bouw en de behoeften van het klooster.
Hendrik heeft bezegeld.
Gedaan en gegeven in Thorn op 6 september 1268.
Hendrik, minderbroeder, bisschop van Chiemsee en wijbisschop van Hendrik III, bisschop van Luik, verklaart dat hij vijf altaren in de abdij van Thorn heeft gewijd en een aantal aflaten heeft verleend.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 01.187A, archief Vrije Rijksheerlijkheid Thorn, inv. nr. 40.
Aantekening op de achterzijde: 1o door 18e-eeuwse hand: Indulgenti[***] consecratorum quinque [***], 1268; Q.
Bezegeling: één uithangend zegel, dat aangekondigd is, namelijk: S1 van Hendrik, bisschop van Chiemsee, van bruine was, beschadigd. Voor een beschrijving en afbeelding van S1, zie Venner, ‘Zegels Thorn’, 15.
Uitgave
Niet eerder uitgegeven.
Regesten
Franquinet, Beredeneerde inventaris Thorn, 33-34, nr. 22. – Habets, Archieven Thorn, 32, nr. 40. – Haas, Chronologische lijst, 59, nr. 40.

Nummer 27
Godfried van Osa, Hendrik Grinart, Olbert Colsop, Jan Suevus en Godfried van Montenaken, schepenen van Maastricht, oorkonden dat Oger, heer van Borgharen, ridder, voogd van Maastricht, met instemming van zijn echtgenote en hun kinderen zonder voorbehoud enkel en alleen ter wille van God en zonder hoop op herroeping een vierde deel van een stenen huis, gelegen aan de Graanmarkt te Maastricht, heeft geschonken aan proost en convent van Sint-Gerlach. Ook Jan, zoon van wijlen Wijnand, ridder, en zijn kinderen hebben afstand gedaan van een vierde deel dat zij hadden en bezaten in dat huis en er plechtig van afgezien ten behoeve van proost en convent. Ook Dirk de Lata Platea (van de Bredestraat) heeft een vierde deel van dit huis alsmede de helft van een vierde deel dat hem erfrechtelijk toekomt, overgedragen en er plechtig van afgezien ten behoeve van proost en convent. Zowel Jan en zijn kinderen als Dirk hebben ten tijde van de afstand zoveel gedaan dat in alle opzichten aan proost en convent was voldaan. Ook Oda, moeder van Dirk, heeft met instemming van haar kinderen de helft van een vierde deel van het huis erfrechtelijk aan proost en convent gegeven tegen een jaarlijkse cijns van vijftien schelling Luiks, de ene helft te betalen op 25 december en de andere op 24 juni. Proost en convent zullen de grondcijns betalen en leveren aan de bisschop van Luik en Oda zal geen verhef geven noch ontvangen. Dirk en Jan hebben proost en convent beloofd vrijwaring te verstrekken en alle rechtmatige klachten binnen jaar en dag af te doen. Wanneer het huis echter binnen jaar en dag zou worden uitgewonnen, wat in de volkstaal beschodden wordt genoemd, dan zal Jan vanaf dat moment vijf mark Luiks geven en leveren aan proost en convent ter ondersteuning van hun (bouw)werkzaamheden, te ontvangen en te hebben van zijn onbebouwd terrein te Sint-Pieter bij Maastricht, zoals hij vrijwillig verkozen heeft. Dirk heeft aan proost en convent voor het stipt naleven van alle vermelde bedingen als hoofdelijke borgen Jan Suevus, schepen van Maastricht, Boudewijn Pape en Lewalus Pansart aangesteld om tien mark Luiks te betalen.
Godfried van Osa, Hendrik Grinart, Olbert Colsop, Jan Suevus en Godfried van Montenaken, schepenen van Maastricht, hebben bezegeld.
Gegeven op 28 december 1279.
Schepenen van Maastricht oorkonden dat Oger, heer van Borgharen, ridder, voogd van Maastricht, met instemming van zijn echtgenote en hun kinderen een vierde deel van een stenen huis, gelegen aan de Graanmarkt te Maastricht, geschonken heeft aan proost en convent van Sint-Gerlach (te Houthem), dat Jan, zoon van wijlen Wijnand, ridder, en zijn kinderen afstand hebben gedaan van een vierde deel in dat huis, dat Dirk de Lata Platea afstand heeft gedaan van een vierde deel in dat huis alsmede de helft van een vierde deel dat hem erfrechtelijk toekomt en dat Oda, moeder van Dirk, met instemming van haar kinderen de helft van een vierde deel in dat huis erfrechtelijk gegeven heeft aan proost en convent van Sint-Gerlach tegen een jaarlijkse cijns van vijftien schelling Luiks. Proost en convent zullen de grondcijns betalen aan de bisschop van Luik en Oda zal geen verhef geven of ontvangen.
Origineel
A. Maastricht, RHCL, toegangsnr. 14.D003, archief klooster Sint-Gerlach te Houthem, inv. nr. 63, reg. nr. 22.
Aantekeningen op achterzijde: 1° door laatste kwart 14e-eeuwse hand: S j. – 2° door 15e-eeuwse hand: Dit is der breyff weir ons dat hus van Trech dat steynen hus halff gegeven hubt. – 3° door 17e-eeuwse hand: 1279.
Bezegeling: vijf uithangend bevestigde zegels, die aangekondigd zijn, namelijk: S1 van Godfried, (zoon van vrouwe) Osa, schepen van Maastricht, van bruine was, beschadigd. – S2 van Jan Suevus, schepen van Maastricht, van bruine was, beschadigd. – S4 van Olbert Colsop, schepen van Maastricht, van bruine was, beschadigd. – S5 oorspronkelijk een fragment van Godfried van Montenaken, schepen van Maastricht, dat echter bij de restauratie tussen maart 1975 en oktober 1976 abusievelijk vervangen is door een fragment van een onbekende zegelaar, van bruine was, beschadigd, zie Venner, ‘Zegels klooster Sint-Gerlach’, 163; en één bevestigingsplaats voor het aangekondigde zegel van Hendrik Grinart, schepen van Maastricht, (SD3). Venner signaleert dat in onderhavige oorkonde de gebruikelijke anciёnniteit bij de schepennamen niet gevolgd is in de intitulatio, maar dat de zegels wel in die volgorde bevestigd zijn. Voor een beschrijving en afbeelding van S1, S2, S4 en S5, zie Venner, ‘Zegels klooster Sint-Gerlach’, respectievelijk 162, 162,162-163 en 163.
Uitgave
a. Nève, De dertiende-eeuwse schepenoorkonden, 53-55, nr. 1279.12.28 (met vertaling), naar A.
Afschrift
Niet voorhanden.
Regesten
Franquinet, Beredeneerde inventaris St. Gerlach, IV, 24, nr. 21. – Haas, inventaris Sint Gerlach, 75, reg. nr. 22. – Idem, Chronologische lijst, 73, reg. nr. 187.
Datering
Het gebruik van paasstijl in het bisdom Luik is verondersteld, zie Camps, ONB I, XXI, en Dillo en Van Synghel, ONB II, XVII.
Ontstaan
Deze oorkonde is geschreven door een scriptor die ook Maastrichtse schepenoorkonden mundeerde. Hij schreef onder meer een schepenoorkonde d.d. 1285.06.20 ten behoeve van
Sint-Servaas te Maastricht (Maastricht, RHCL, toegangsnr. 14.B002A, archief kapittel van Sint Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 455).

Nummer 27
Hendrik, hertog van Limburg en graaf van Berg, maakt bekend dat hij met instemming van zijn vrouw en zijn zonen voor het zielenheil van zijn vader en moeder de hoeve Nieder-Ritzerfeld met al haar aanhorigheden, weiden, bossen en akkerland heeft geschonken aan de abdij Kloosterrade.
Getuigen waren: Walram, broer van Hendrik, Alexander van Wijlre, Willem Maurus en zijn zonen Udo en Diederik, Willem Puls, Gijsbert van Berg en vele anderen.
Hendrik en Walram hebben bezegeld.
Gegeven op [7] juli 1226.
Hendrik IV, hertog van Limburg en graaf van Berg, schenkt met instemming van zijn echtgenote en zonen zijn hoeve Nieder-Ritzerfeld aan de abdij Kloosterrade.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.D004, archief abdij Kloosterrade, inv. nr. 811.
Uitgave
- Polak en Dijkhof, Oorkondenboek Kloosterrade, 157-158, nr. 75, naar A.
Datering
Voor de datering, zie de uitgave van Polak en Dijkhof.

Nummer 27
Boudewijn de Molendino (van de Molen) en Godfried, (zoon) van Florens, schepenen van Maastricht, maken onder aanhechting van hun zegels bekend dat zij als schepenen aanwezig waren toen Tielman Printhagen een jaarlijkse cijns van tien schelling Luiks, gevestigd op een huis in de Kapoenstraat, aan het einde recht tegenover het huis van Reinier Ponsel, dat Jan Scutor erfrechtelijk houdt van Tielman Printhagen, heeft verkocht aan Gijsken, zoon van wijlen Causen. Tielman, zijn vrouw, hun kinderen en Gijsbert, zijn schoonzoon, hebben unaniem afstand gedaan en van elk recht afgezien ten behoeve van Gijsken en ze hebben zoveel gedaan dat aan alle eisen is voldaan. Zij hebben ook beloofd vrijwaring te verstrekken en elke redelijke klacht binnen jaar en dag af te doen. Ook is eraan toegevoegd dat, indien iemand binnen jaar en dag de aan Gijsken verkochte tien schelling uitwint, wat in de volkstaal bescodden wordt genoemd, Tielman dan zoveel penningen aan Gijsken zal moeten afstaan over een evenlange tijdspanne als hij diens penningen onder zich heeft gehouden. En ook is eraan toegevoegd dat, indien er iets heeft ontbroken aan de genoemde tien schelling, gevestigd op het genoemde huis, of als er een tekort is, dat Tielman daarvoor zijn ander huis, gelegen naast het eerder genoemde huis, als onderpand stelt. Voor het verstrekken van de vrijwaring en het afstaan van de penningen heeft Tielman als borgen Tielman, volder achter de molen van vrouwe Siba, en Gijsbert, zijn schoonzoon, aangesteld.
Gedaan op 20 maart 1267.
Schepenen van Maastricht oorkonden dat Tielman Printhagen een jaarlijkse cijns van tien schelling Luiks, gevestigd op een huis in de Kapoenstraat (te Maastricht), heeft verkocht aan Gijsken, zoon van Causen.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002A, archief kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 446.
Aantekeningen op de achterzijde: 1o door 14e-eeuwse hand: Littera de domo Posels in Vico Caponum X s. – 2o door 16e-eeuwse hand: 1266 / h 93. – 3o door 17e-eeuwse hand: 72.
Bezegeling: één bevestigingsplaats, vermoedelijk voor één van de aangekondigde schepenzegels (LS2). Aan de linkerzijde is de pliek uitgescheurd, waardoor de andere bevestigingsplaats niet meer zichtbaar is.
Afschrift
Niet voorhanden.
Uitgave
a. Nève, De dertiende-eeuwse schepenoorkonden, 38-39 (met onvolledige vertaling), nr. 1267.03.20, naar A.
Regesten
Doppler, ‘Schepenbrieven Supplement’, 81, nr. 1807. – Haas, Chronologische lijst, 58, nr. 137. – Nuyens, Inventaris Sint-Servaas, 101, nr. 446.
Datering
Het gebruik van de paasstijl in het bisdom Luik is verondersteld, zie Camps, ONB I, XXI, en Dillo en Van Synghel, ONB II, XVII.
Tekstuitgave
Het onderscheid tussen c en t is moeilijk zichtbaar.

Nummer 28
Hendrik, abt, en het convent van de Sint-Paulusabdij te Utrecht beloven voor een periode van vijf jaar, ingaand op 1 mei eerstkomend, aan abdis van convent van de abdij van Thorn de vruchten en alle recognitiegelden die hun zijn afgestaan uit hun tienden en andere goederen te Zandwijk, die zij voor meerdere jaren schuldig waren aan Dirk van Heeswijk, ridder, als vergoeding voor de pacht van de goederen van abdis en convent te Avezaath en Hemert. Abt en convent van de Sint-Paulusabdij zullen deze tienden en hun andere voornoemde goederen te Zandwijk gedurende die vijf jaar verzamelen en alles wat daar uitkomt of zou kunnen uitkomen zullen zij in geld omwisselen. En dat geld zullen zij in zijn geheel jaar in jaar uit aan abdis en convent van de abdij van Thorn toewijzen en door hun boden naar Thorn of de abdij van Thorn zenden gedurende die vijf jaar. En indien zij hier misschien geen geloof aan willen hechten, dan zullen abt en convent van de Sint-Paulusabdij dit onder ede verklaren. Bovendien, indien iemand hun gedurende die vijf jaar enige overlast zou bezorgen of een belemmering zou opwerpen, dan zullen zij die op hun kosten wegnemen; en indien zij ten gevolge daarvan schade zouden oplopen, dan zullen ze die volledig vergoeden en teruggeven. En indien er inzake die schade of welke andere condities dan ook geen overeenstemming zou kunnen worden bereikt tussen abt en convent van de Sint-Paulusabdij enerzijds en abdis en convent van Thorn anderzijds, dan zal de beslissing worden toevertrouwd aan scheidsrechters of vriendschappelijke bemiddelaars, namelijk aan Steven, deken van de Sint-Pieterskerk te Utrecht, voor abt en convent van de Sint-Paulusabdij, en aan Michael, kanunnik van het Onze-Lieve-Vrouwekapittel te Maastricht, voor abdis en convent van de abdij van Thorn. En mocht in die tijd één van hen of zij allebei overlijden of niet aanwezig kunnen zijn bij dat oordeel of die bemiddeling, dan zullen zij anderen in hun plaats uitkiezen of hen vervangen indien nodig. En indien de scheidsrechters een eind maken aan deze zaak, dan zullen abt en convent van de Sint-Paulusabdij zich onderwerpen aan de uitspraak, het oordeel of de overeenkomst. Maar als de twee scheidsrechters niet tot overeenstemming zouden kunnen komen, dan zullen zij een derde kiezen. En als zij over de derde persoon geen overeenstemming kunnen bereiken, dan zal de abt van Mariënweerd de derde zijn. En met die derde persoon stemmen abt en convent van de Sint-Paulusabij in of zal diegene die de volle macht heeft om te bemiddelen en de zaak te beëindigen de derde aangeven. En abt en convent van de Sint-Paulusabdij zullen volgens het oordeel, de verordening of genoegdoening van de twee of drie scheidsrechters abdis en convent van Thorn volledig tevreden stellen. En voor het maken en uitvoeren van de voorwaarden stellen abt en convent van de Sint-Paulusabdij volgende personen aan voor abdis en convent van Thorn als gezamenlijke borgen: Steven, deken van de Sint-Pieterskerk te Utrecht, Hubert, schatbewaarder van de Sint-Pieterskerk te Utrecht, Tielman van Keulen, Gijsbert van Amstel en meester Hendrik, kanunniken van het Onze-Lieve-Vrouwekapittel te Utrecht. En zij zullen op verzoek van abdis en convent van Thorn of hun zaakvoerder in Rhenen of Tiel verblijven, er overnachten op hun eigen kosten en daar niet eerder vertrekken dan vooraleer de voornoemde zaken of enige bepaling daarvan bevredigend afgehandeld zijn voor abdis en convent van Thorn. En indien in de tussentijd één of meerdere van de voornoemde borgen zou komen te overlijden, dan zullen abt en convent van de Sint-Paulusabdij op verzoek een even geschikte persoon of personen aanstellen, onder de voornoemde straf. Zowel zij als Steven, deken, Hubert, schatbewaarder van de Sint-Pieterskerk te Utrecht, Tielman van Keulen, Gijsbert van Amstel en meester Hendrik, kanunniken van het Onze-Lieve-Vrouwekapittel te Utrecht, beloven als borgen al deze zaken krachtig te onderhouden, waarvoor zij trouw hebben beloofd.
Abt en convent van de Sint-Paulusabdij én de borgen hebben bezegeld.
Gedaan en gegeven in 1269.
Hendrik, abt, en het convent van de Sint-Paulusabdij te Utrecht beloven gedurende vijf jaar de inkomsten uit hun tienden en goederen te Zandwijk aan abdis en convent van Thorn te geven als schadeloosstelling voor de achterstallige pacht uit de goederen te Avezaath en Hemert en wijzen scheidsrechters aan ingeval hierover een conflict zou ontstaan.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 01.187A, archief Vrije Rijksheerlijkheid Thorn, inv. nr. 45.
Afschrift
B. gelijktijdig, Ibidem, toegangsnr. 01.187A, archief Vrije Rijksheerlijkheid Thorn, inv. nr. 45, door de abdij van Thorn, eertijds bezegeld door abdis en convent van Thorn, naar A.
Uitgave
a. Ketner, OSU IV, 43-44, nr. 1770, naar A.
Ontstaan en samenhang
Zowel het origineel als het gelijktijdig afschrift is gemundeerd door een scriptor uit de abdij van Thorn, die werkzaam was in de periode 1262 tot en met 1273. Voor de lokalisering van deze scriptor, zie Collectie Thorn, nr. 17.
Op 1 december 1270 hebben abdis en convent van Thorn een oorkonde uitgevaardigd waarin zij de in onderhavige oorkonde gestelde borgen, namelijk Steven, deken van de Sint-Pieterskerk te Utrecht, Hubert, schatbewaarder van de Sint-Pieterskerk te Utrecht, Tielman van Keulen, Gijsbert van Amstel en meester Hendrik, kanunniken van het Onze-Lieve-Vrouwekapittel te Utrecht, manen om binnen Rhenen of Tiel in leisting te gaan omdat de Sint-Paulusabdij de beloofde betaling niet heeft gedaan aan de abdij van Thorn. Deze oorkonde berustte blijkens Ketner, OSU IV, 58, nr. 1790, in het archief van de abdij van Thorn onder inv. nr. 45 en was getransfigeerd aan afschrift B van onderhavige oorkonde. Thans is dit stuk niet meer voorhanden. Voor de editie van de oorkonde d.d. 1 december 1270, zie Ketner, OSU IV, 58-59, nr. 1790.

Nummer 28
Abt en convent van het Augustijnerklooster van Kloosterrade, in het bisdom Luik, hebben al hun goederen te Houthem, gelegen in het land en onder de rechtsmacht van de heer van Valkenburg, zowel cijnzen als pachten, hoevenaars en alle andere zaken die hen daar naar bezitsrecht toekomen, verkocht aan proost en convent van het premonstratenzerklooster Sint-Gerlach, in het bisdom Luik, voor elf mark Luiks, waarmee abt en convent van Kloosterrade de uithof te Gerse lost, daarbij afstand doend van elk recht dat hen in die goederen toekwam ten behoeve van proost en convent van Sint-Gerlach.
Abt en convent van Kloosterrade hebben bezegeld.
Gegeven op 30 januari 1279.
Abt en convent van Kloosterrade verkopen al hun goederen te Houthem in het land en de rechtsmacht van de heer van Valkenburg aan proost en convent van het klooster Sint-Gerlach (te Houthem) voor elf mark Luiks, waarmee de abdij de uithof te Gerse lost.
Origineel
A. Maastricht, RHCL, toegangsnr. 14.D003, archief klooster Sint-Gerlach te Houthem, inv. nr. 42, reg. nr. 19.
Aantekeningen op de achterzijde: 1o door laatste kwart 14e-eeuwse hand: B II. – 2o door 17e-eeuwse hand: 1279. – 3o door 18e-eeuwse hand Num. 78.
Bezegeling: twee uithangend bevestigde zegels, die aangekondigd zijn, namelijk: S1 van Anselm, abt van Kloosterrade, van witte was, beschadigd. – S2 van het convent van Kloosterrade, van witte was, zwaar beschadigd. Voor een beschrijving en afbeelding van S1 en S2 en de identificatie van Anselm, zie Venner, ‘Zegels klooster Sint-Gerlach’, respectievelijk 153 en 154.
Uitgave
Zie Polak en Dijkhof, Oorkondenboek Kloosterrade, 232-234, nr. 125.
Nummer 28
A. van Gymnich, schout, en schepenen en burgers van Aken maken bekend dat abt en convent van Kloosterrade in naam van Jutta en Margareta, nonnen van de abdij, door ridder Reinier en zijn broer, die naar hun zeggen met hen een overeenkomst hadden gesloten over goederen die hen ooit toebehoorden, gedaagd zijn voor het gerecht van Aken. Na een vonnis daartoe van de rechtbank heeft de abt, daar verschenen voor zichzelf en voor het convent, samen met vier betrouwbare broeders op het Heilig Evangelie gezworen dat Jutta en Margareta zich vrij en zonder enige voorwaarde met hun goederen aan de abdij hebben opgedragen, zoals dat gebruikelijk is, en dat de drost van de hertog hierbij met veel andere ridders aanwezig waren en bereid zijn te zweren dat ze dit hebben gezien en gehoord. Nadat de schout, schepenen en burgers van Aken deze eed van de abt en zijn broeders hadden aangehoord en de drost en zijn metgezellen door Reinier en zijn broer waren ontslagen van hun eed, hebben zij na zorgvuldig beraad de zaak toegewezen aan abt en convent van Kloosterrade omdat het om kloosterzusters van de abdij gaat en omdat hun goederen overal liggen, in Rode of bij het klooster zelf. Zij hebben de abdij bevestigd in deze goederen door de ban en de vrede van keizer Frederik en koning Hendrik en iedereen bevolen om dit in acht te nemen.
Aanwezig waren de volgende schepenen: Arnold van Linnich, Herbert, zoon van heer Thomas, Elias, Gerard van St.-Pieter, Willem Clusenarius, Hendrik van Berensberg, Hildebald Iuvenis, Adelbert van Maastricht, en vele andere burgers.
Gedaan en gegeven op 23 juni 1231.
Schout, schepenen en burgers van Aken vellen een vonnis in een geschil tussen enerzijds de abdij Kloosterrade en anderzijds ridder Reinier en diens broer, die namens Jutta en Margareta een door dezen bij haar intrede in de abdij gedane overdracht van goederen betwisten, waarbij de goederen aan de abdij worden toegewezen.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.D004, archief abdij Kloosterrade, inv. nr. 946.
Uitgave
a. Polak en Dijkhof, Oorkondenboek Kloosterrade, 160-162, nr. 77, naar A.

Nummer 28
Rooms-koning Richard maakt bekend dat hij de hieronder geschreven oorkonde van zijn voorganger, rooms-koning Hendrik V, heeft gezien en gehoord, met de volgende inhoud:
‒ ‒ ‒ (hierna volgt de tekst van Collectie Sint-Servaas, nr. 3).
Omdat Richard naar het voorbeeld van Hendrik V de Sint-Servaaskerk te Maastricht met het voorrecht van immuniteit en vrijheid wil ondersteunen omdat die een bijzondere kapel is van hem en het rijk, keurt hij op verzoek van proost, deken en het kapittel van Sint-Servaas met zijn koninklijke autoriteit het door Hendrik V verleende privilege goed en alles wat daarin besloten ligt, bevestigt dit en bekrachtigt het.
Gegeven te Aken, op 22 september 1268.
Rooms-koning Richard (van Cornwall) vidimeert en bevestigt op verzoek van proost, deken en kapittel van Sint-Servaas te Maastricht de oorkonde van rooms-koning Hendrik V d.d. 1109.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002A, archief kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 48.
Bezegeling: één uithangend bevestigd zegel, dat aangekondigd is, namelijk: S1 van rooms-koning Richard van Cornwall, van rode was, beschadigd. Voor een beschrijving en afbeelding van S1, zie Venner,‘Zegels’, nr. 48.
Afschriften
B. 15e eeuw, Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B001, archief kapittel van Onze Lieve Vrouw te Maastricht, 1096-1796, inv. nr. 31 (cartularium), fol. 189r-190v, onder de rubriek: Item tenores omnium et singulorum exhiborum sequuntur per ordinem in hunc modum et sunt tales, en onder caput: Item tenores litterarum imperialium recolende memorie serenissimi principis domini Richardi, Romanorum regis, sigillo eius ut videbatur, regio rubee cere rotondo in cordula rubei croceique colorum impendente in quo ymago imperatoris ceptrum regale in dextra, et pommum imperiale cum cruce superposita in sinistra gestantia et circumferentia vero hii caractere: Richardus, Dei gratia Romanorum rex, semper augustus, expressi habebantur et videbantur bullatarum et sigillatarum sequuntur et sunt tales, naar A. – C. 17e eeuw, Ibidem, toegangsnr. 14.B002A, archief van het kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 12 (cartularium) = Cartularium ecclesie collegialis Sancti Servati (aldus) Trajecti ad Mosam, tomus secundus, Documenta imperialia et ducalia, fol. 38r-40r, onder caput: Imperialia, en onder de rubriek: De libertate officiatorum et ministrorum ecclesie de iurisdictione quequi prepositi, decani et canonici etc., mogelijk naar A. – D. vóór 1768, Ibidem, toegangsnr. 22.001A, Handschriftencollectie (voormalig) Gemeentearchief Maastricht, 14de-20ste eeuw, inv. nr. 199a (cartularium) = Diplomata Trajectensia de anno 800 ad 1664, p. 369, onder de rubriek: 1268, Richardus, Romanorum rex, confirmat privilegia ab imperatori Henrico quinto ecclesie Sancti Servatii data, datum Aquisgrani, 22 oktobris 1268, mogelijk naar A of C.
Uitgave
a. Böhmer, Acta imperii selecta, 313-314, nr. 387, naar A.
Samenhang
Voor de oorkonde van rooms-koning Hendrik V uit 1109, zie Collectie Sint-Servaas, nr. 3.
Nummer 29
Adolf, abt van Siegburg, maakt bekend dat hij Herman Scotto, monnik aldaar, heeft toegestaan om alle erfgoederen die hem toevallen of zouden kunnen toevallen bij het overlijden van Geertrui, begijn te Maastricht, eertijds echtgenote van zijn overleden broer Gerard, en die bij leven van Gerard bleken te zijn, te verwerven, bezitten en voor zichzelf aan te wenden.
Adolf heeft bezegeld.
Gegeven te Siegburg, in 1286.
Adolf, abt van (de Sint-Michaelsabdij te) Siegburg, heeft Herman Scotto, monnik aldaar, toegestaan om de erfgoederen die hem zullen toevallen bij het overlijden van zijn schoonzus Geertrui van Siecht, begijn te Maastricht, te verwerven en voor zichzelf aan te wenden.
Origineel
[A]. Niet voorhanden, blijkens B bezegeld met één zegel. Aan deze oorkonde was de oorkonde getransfigeerd van Jan, proost in Millen, d.d. 1286.04.28, zie infra nr. 30.
Afschrift
B. 1735, Maastricht, RHCL, toegangsnr. 14.D003, archief klooster Sint-Gerlach te Houthem, inv. nr. 1 (cartularium) = Privelegien ende register der obligatien en andere erffcontracten des adelijcken cloosters van St. Gerlach, p. 293, onder de rubriek: Abbas Siibergensis approbat venditionem bonorum fratris Hermanni dicti Scotto in Oirsbeeke, en in de marge: Num. 183, met opgave van één bezegelingsplaats, naar [A].
Uitgave
Niet eerder uitgegeven.
Regest
Niet voorhanden.
Datering, ontstaan en samenhang
Het gebruik van paasstijl door de Sint-Michaelsabdij te Siegburg is verondersteld, conform de in het aartsbisdom Keulen gehanteerde jaarstijl in deze periode, zie Polak en Dijkhof, Oorkondenboek Kloosterrade, XVI. Uitgaande van paasstijl is de terminus post quem 12 april 1286. De terminus ante quem kan afgeleid worden uit een oorkonde van Jan, proost in Millen, d.d. 28 april 1286, die melding maakt van onderhavige oorkonde: per cartulam que litere domini abbatis de Sigebergh est innexa et sigillo nostro sigillata protamur, zie infra nr. 30. Uit deze passage blijkt ook dat de oorkonde, uitgevaardigd door Jan, proost in Millen, een transfix is. Beide oorkonden zijn in het achttiende-eeuws cartularium onder eenzelfde rubriek gekopieerd.

Nummer 29
Amelis, domdeken, en Steven, deken van de Sint-Pieterskerk te Utrecht, maken bekend dat zij de oorkonde van abdis en convent van de abdij van Thorn hebben gezien, die niet doorgehaald, niet uitgewist noch in welk deel dan ook beschadigd is onder deze vorm:
‒ ‒ ‒ (hierna volgt de tekst van Collectie Thorn, nr. 10).
Hendrik, abt van de Sint-Paulusabdij te Utrecht, heeft bezegeld.
Gegeven op 25 maart 1269.
Amelis, domdeken, en Steven, deken van de Sint-Pieterskerk te Utrecht, vidimeren een oorkonde van Hildegonde, abdis, en het kapittel van Thorn d.d. 1237.04.27, inzake de tiend van Hemert en de inkomsten te Avezaath.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 01.187A, archief Vrije Rijksheerlijkheid Thorn, inv. nr. 16.
Uitgave
a. Ketner, OSU IV, 31, nr. 1755, naar A.
Samenhang
Voor de gevidimeerde oorkonde van Hildegonde, abdis, en het kapittel van Thorn, zie Collectie Thorn, nr. 10.

Nummer 29
De kerk van Kortessem maakt bekend dat zij al haar recht in de grote en de kleine tienden van Riemst voor haar gemak voor eeuwig heeft overgedragen aan de abdij Kloosterrade als compensatie voor een andere tiend die nuttiger voor haar is en dichterbij is gelegen.
De kerk van Kortessem en de deken en de kerk van Tongeren hebben bezegeld.
Als getuigen waren aanwezig: Jacob, Boudewijn en Domitianus, kanunniken van de kerk van Kortessem, Willem, keldermeester, Koenraad, Cornelis, prior van Scharn, en Boudewijn, broeders van Kloosterrade en vele anderen.
Gedaan in de domkerk te Luik, op 31 mei 1233.
De kerk van Kortessem staat haar grote en kleine tienden van Riemst af aan de abdij Kloosterrade in ruil voor de tienden van een andere, dichterbij gelegen plaats.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.D004, archief abdij Kloosterrade, inv. nr. 814.
Uitgave
a. Polak en Dijkhof, Oorkondenboek Kloosterrade, 162-163, nr. 78, naar A.

Nummer 29
Boudewijn de Molendino (van de Molen) en Godfried, (zoon) van Osa, schepenen van Maastricht, maken onder aanhechting van hun zegels bekend dat zij als schepenen aanwezig waren toen Dirk, monnik van Val-Dieu, namens abt en convent van Val-Dieu twee huizen met hun aanhorigheden, gelegen in de Sint-Amorstraat, heeft overgedragen aan Godfried, bakker, om deze jaarlijks erfrechtelijk te bezitten voor achttien schelling Luiks en vier kapoenen, in drie termijnen te betalen, namelijk zes schelling op Kerstmis met de vier kapoenen, zes schelling op Pasen en zes op één augustus, en het jaar zal ingaan en eindigen op dezelfde feestdag.
Gedaan op 21 april 1269.
Schepenen van Maastricht oorkonden dat Dirk, monnik van de abdij van Val-Dieu (te Aubel), namens abt en convent twee huizen in de Sint-Amorstraat (te Maastricht) heeft overgedragen aan Godfried, bakker, tegen een jaarlijkse erfcijns van achttien schelling Luiks en vier kapoenen.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002A, archief kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 447. Beschadigd met tekstverlies.
Aantekeningen op de achterzijde: 1o door 14e-eeuwse hand: Census XVIII solidorum supra domus in Platea Sancti Amoris, (hierna andere hand) in qua moratur H. Huleuere. – 2o door 16e-eeuwse hand: 1269 / B23. – 3o door 17e-eeuwse hand: 336.
Bezegeling: twee bevestigingsplaatsen, vermoedelijk voor de aangekondigde zegels van Boudewijn de Molendino en Godfried, zoon van vrouwe Osa, schepenen van Maastricht, (LS1 en LS2).
Afschrift
Niet voorhanden.
Uitgave
a. Nève, De dertiende-eeuwse schepenoorkonden, 40 (met onvolledige vertaling), nr. 1269.04.21, naar A.
Regesten
Doppler, ‘Schepenbrieven Supplement’, 82, nr. 1808. – Haas, Chronologische lijst, 60, nr. 143. – Nuyens, Inventaris Sint-Servaas, 101, nr. 447.

Nummer 30
Hendrik, abt, en het convent van de Sint-Paulusabdij te Utrecht maken bekend dat zij met gemeenschappelijke toestemming en eendrachtige wil de tienden en andere goederen, die abdis en convent van de abdij van Thorn te Hemert hebben, in eeuwigdurende pacht hebben ontvangen tegen een jaarlijkse betaling van twaalf mark Luiks of een equivalent daarvan, in Thorn te betalen aan abdis en convent uiterlijk 22 februari door hun boden, op hun inspanning en kosten, ook als de voornoemde tienden en goederen van Hemert in de toekomst geheel of gedeeltelijk beter of slechter blijken te zijn geworden of zelfs helemaal vernietigd. Hier wordt de volgende voorwaarde aan toegevoegd: indien abt en convent van de Sint-Paulusabdij het voornoemde bedrag niet in zijn geheel op de voornoemde plaats en termijn zouden betalen en gedurende twee maand vanaf de betaaldag de betaling van de pacht gestaakt zouden hebben, dan moeten zij in het vervolg voor iedere dag dat er oponthoud in de betaling is een boete van twaalf penning Luiks betalen vóór de hoofdschuld. Verder wordt ook toegevoegd dat indien zij gedurende één jaar, gerekend vanaf de betaaldag, de pacht en het geld voor de lopende boete niet betaald zullen hebben, dat dan de officiaal van Luik, aan wiens jurisdictie abt en convent van de Sint-Paulusabdij zich met toestemming van hun bisschop onderwerpen, hen zonder voorafgaande dagvaarding of aanmaning van het goddelijk ambt zal uitsluiten en publiekelijk zal bekend maken dat hij hen heeft uitgesloten, waar en wanneer het hem goeddunkt. Zij stemmen verder toe en beslissen vrijwillig en met toestemming van hun bisschop dat de officiaal van Luik hun abdij onder kerkelijk interdict zal kunnen stellen als zij een dergelijke uitsluiting voor een maand zullen ondergaan. En om dit te doen onderwerpen abt en convent van de Sint-Paulusabdij zich met toestemming van hun bisschop aan de jurisdictie van de officiaal van Luik op een dusdanige wijze dat in hun klooster geen enkele goddelijke dienst zal worden hernomen vooraleer genoegdoening is gedaan aan abdis en convent van Thorn voorr de voornoemde pacht en het geld van de lopende boete. Zij zien ook af van iedere exceptie of privilege van uitzondering dat zij hebben of moeten hebben en van iedere hulp van canoniek of wereldlijk recht, hetzij door reguliere observantie, hetzij door gewoonte, waardoor iets tegen het voornoemde kan worden gedaan of dat hen op enigerlei wijze kan beschermen.
Abt en convent van de Sint-Paulusabdij te Utrecht hebben bezegeld.
Gedaan en gegeven in juni 1269.
Hendrik, abt, en het convent van de Sint-Paulusabdij te Utrecht verklaren van abdis en convent van Thorn tienden en andere goederen te Hemert in eeuwigdurende pacht te hebben ontvangen tegen een jaarlijkse betaling van twaalf mark Luiks.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 01.187A, archief Vrije Rijksheerlijkheid Thorn, inv. nr. 41.
Uitgave
a. Ketner, OSU IV, 35-36, nr. 1760, naar A.
Samenhang
Voor de goedkeuring van deze pachtovereenkomst door proost, deken, aartsdiaken en het domkapittel van Luik d.d. juli 1269, de goedkeuring door Amelis, domdeken te Utrecht, d.d. 1269 augustus 30, én door Amelis en het domkapittel te Utrecht d.d. 1269 augustus 30, zie hierna Collectie Thorn, respectievelijk nrs. 31, 32 en 33.
Nummer 30
Jan, proost in Millen, verklaart dat hij het begin (van de oorkonde) heeft gehoord waarin broeder Herman Scotto, monnik van Siegburg, aan de proost van Sint-Gerlach goederen heeft verkocht die hem in de parochie van Oirsbeek zijn toegevallen bij het overlijden van Geertrui, begijn, eertijds echtgenote van zijn broer.
Jan bevestigt dit met deze oorkonde, die aan de oorkonde van de abt van Siegburg is vastgemaakt en door hem is bezegeld.
Gegeven op 28 april 1286.
Jan, proost in Millen, verklaart dat Herman Scotto, monnik van (de Sint-Michaelsabdij te) Siegburg, aan de proost van Sint-Gerlach (te Houthem) goederen in de parochie van Oirsbeek heeft verkocht die hem toegevallen zijn bij het overlijden van zijn schoonzus Geertrui (van Siecht), begijn (te Maastricht).
Origineel
[A]. Niet voorhanden, blijkens B bezegeld met één zegel.
Afschrift
B. 1735, Maastricht, RHCL, toegangsnr. 14.D003, archief klooster Sint-Gerlach te Houthem, inv. nr. 1 (cartularium) = Privelegien ende register der obligatien en andere erffcontracten des adelijcken cloosters van St. Gerlach, p. 293, onder de rubriek: Abbas Siibergensis approbat venditionem bonorum fratris Hermanni dicti Scotto in Oirsbeeke, en in de marge: Num. 183, met opgave van één bezegelingsplaats, naar [A].
Uitgave
Niet eerder uitgegeven.
Regest
Niet voorhanden.
Ontstaan en samenhang
Onderhavige oorkonde is het transfix van de in de dispositio vermelde oorkonde van Adolf, abt van de Michaelsabdij te Siegburg, zie infra nr. 29. Beide oorkonden zijn onder eenzelfde rubriek in het achttiende-eeuws cartularium gekopieerd.

Nummer 30
Simeon, bisschop van Ani, dicht bij de plaats waar de resten zijn van de ark van Noach, onder de aartsbisschop van Ninive, is via veel plaatsen als pelgrim naar St.-Jacob bij de abdij Kloosterrade gekomen, alwaar hij door de broeders vriendelijk werd ontvangen en op 21 juni de godsdienstige plechtigheden heeft gevierd. Daarom heeft hij doen optekenen en met zijn zegel bevestigd dat hij de abdij de gunst heeft verleend die hij van de paus had ontvangen, namelijk dat allen die jaarlijks naar de abdij komen en daar verblijven een aflaat van vijftien dagen krijgen en deelachtig zijn aan alle goede zaken en gebeden die hij heeft gedaan door God te dienen.
Gedaan op 21 juni 1234.
Simeon, bisschop van Ani, pelgrim naar Santiago de Compostela, verleent een aflaat van vijftien dagen aan allen die op de feestdag van Johannes de Doper (24 juni) de abdij Kloosterrade bezoeken.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.D004, archief abdij Kloosterrade, inv. nr. 734.
Uitgave
a. Polak en Dijkhof, Oorkondenboek Kloosterrade, 165-168, nr. 80, naar A.
Echtheid
Deze oorkonde is in het verleden vaak als onecht beschouwd, zie Polak en Dijkhof, Oorkondenboek Kloosterrade, 165-168, nr. 80 voor een uitvoerige behandeling zowel van de inhoudelijke als van de diplomatische bezwaren tegen de echtheid van deze oorkonde. Zij zien geen aanleiding aan de echtheid van deze oorkonde te twijfelen.

Nummer 30
Willem, voogd, Arnoud, schout, Ywein, meier, en de schepenen van Aken maken bekend dat Otto, proost van de keizerlijke kerken van Aken en Maastricht, hen via een bode te kennen heeft gegeven dat in de banken van Sint-Servaas al meer dan zestig jaar het volgende gewoonterecht en geldend recht behouden en bewaard is: de zusters accepteren jegens de broeders geen aandeel in de verdeling van erfgoederen die zij van de schepenen in naam ontvangen als cijns- en allodiale goederen. Otto heeft hen verzocht om uit te spreken welk recht daarover geldt en dit mede te delen aan die personen vragen of de rechten van de schepenstoel van Aken in tegenspraak zijn met dit recht. Volgens het recht en de gewoonte van de koninklijke en keizerlijke stoel van Aken, die aan deze zijde van de Alpen het hoofd(gerecht) is van het Heilig Rijk, zeggen en bepalen voogd, schout, meier en schepenen van Aken dat op dit recht door niemand inbreuk kan zijn gemaakt, aangezien een dergelijk recht in de banken van Sint-Servaas zo lange tijd in acht is genomen en gehanteerd, indien de waarheid het voorgaande ondersteunt, tenzij door een hogere vorst, namelijk door de rooms-koning of de keizer, noch dat er iemand van hen is die wil of voornemens is hierop inbreuk te maken of het te verzwakken. En dit delen zij Otto, het kapittel van Maastricht en eenieder met deze oorkonde mede.
Willem, voogd, Arnoud, schout, Ywein, meier, en schepenen van Aken berichten Otto (van Everstein), proost van de keizerlijke kerken van Aken en Maastricht, dat niemand anders dan de rooms-koning of keizer verandering kan brengen in het al meer dan zestig jaar geldende recht in de banken van het Sint-Servaaskapittel te Maastricht.
Origineel
[A]. Niet voorhanden, maar bekend uit B.
Afschrift
B. 1270 augustus 28, Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002A, archief kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 928, vidimus door Hendrik, proost van de Sint-Apostelenkerk te Keulen, en meester Marcoald van Modena, aartsdiaken van Luik en pauselijk kapelaan, naar [A].
Uitgave
a. Schwabe, ‘Der Aachener Oberhof’, 213, nr. 1, naar B.
Regest
Doppler, ‘Verzameling’, 313, nr. 186.
Samenhang
Voor het vidimus van onderhavige oorkonde, zie Collectie Sint-Servaaskapittel, nr. 32.
Datering
Onderhavige oorkonde is niet gedateerd. Terminus ante quem is het vidimus d.d. 28 augustus 1270 van Hendrik, proost van de Sint-Apostelenkerk te Keulen, en Marcoald, aartsdiaken van Luik en pauselijk kapelaan. Otto van Everstein is met zekerheid domproost van Aken en proost van het Sint-Servaaskapittel te Maastricht vanaf 1218. Zijn functie als proost te Aken werd enkel onderbroken in de jaren ca. 1239 tot 1242 vanwege zijn kandidatuur voor de Luikse bisschopszetel (Hackeng, Het middeleeuwse grondbezit, 86). Respectievelijk na 1261 en 1265 wordt hij niet meer in de bronnen genoemd als proost van het Sint-Servaaskapittel en van Aken (zie Doppler, ‘Lijst der proosten’, 187, en Ubachs en Evers, Historische encyclopedie). Zijn sterfdag is 27 oktober (Quix, Necrologium Aquensis, 59). Teichmann, ‘Aachen’, 91-93, suggereert als mogelijk sterfjaar 1266, maar Meuthen, ‘Die Aachener Pröpste’, 83, signaleert Otto nog in een oorkonde d.d. 10 september 1270. Aangezien er vanaf 1270 een nieuwe proost van het Sint-Servaaskapittel bekend is als opvolger van Otto, namelijk Otto van Gulik, en in 1271 een nieuwe proost wordt benoemd in het domkapittel te Xanten waar Otto sedert 1266 proost was, lijkt het niet onaannemelijk dat hij op 27 oktober 1270 is overleden.
De datering door Doppler van deze oorkonde in het jaar 1269 is gebaseerd op de vermelding van Willem, Arnoud en Iwein als respectievelijk voogd, schout en meier van Aken, die blijkens Quix, Geschichte der Stadt Aachen, 99, enkel in 1269 gezamenlijk in de oorkonden voorkomen (in 1265 komt Willem voor als voogd samen met meier Ricolf).
In de dispositio van onderhavige oorkonde wordt verwezen naar het geldende erfrecht dat het kapittel al meer dan zestig jaar bezit in de banken, ‘in curiis vestris pro iure consueto et obtento iam sexaginta annis et amplius’. De clausule ‘iam sexaginta annis et amplius’ kan zowel verwijzen naar het in de banken geldende gewoonterecht als naar een recht dat is vastgelegd in een oorkonde. Uitgaande van een datering in 1269 op basis van de genoemde Akense dignitarissen, zou onderhavige oorkonde dan kunnen verwijzen naar een oorkonde die dateert van vóór 1209.
Tekstuitgave
Het onderscheid tussen c en t is moeilijk zichtbaar.

Nummer 31
Jan, proost, Gillis, deken, de aartsdiaken en het domkapittel van Luik hechten op verzoek van abdis en convent van de abdij van Thorn hun goedkeuring aan de overeenkomst, gemaakt tussen abdis en convent van Thorn enerzijds en abt en convent van de Sint-Paulusabdij te Utrecht anderzijds inzake goederen te Avezaath en Hemert en over de pacht die abdis en convent uit deze goederen toekomt. Omdat door een onderzoek in het klooster van Thorn voldoende vaststaat dat het voordeel van abdis en convent van Thorn én van abt en convent van de Sint-Paulusabdij voldoende vastgelegd is in de genoemde overeenkomst en regeling, welk onderzoeksverslag proost, deken, aartsdiaken en kapittel gezien en gelezen hebben, en omdat omwille van de vrede na vele twisten de pacht van de genoemde goederen verdubbeld is, namelijk dat abt en convent van de Sint-Paulusabdij nu eeuwig jaarlijks aan abdis en convent van Thorn twaalf mark Luiks zullen betalen in plaats van zes mark Keuls tot nu toe, hebben zij deze overeenkomst goedgekeurd en bevestigd met hun zegel.
Gedaan en gegeven in juli 1269.
Jan, proost, Gillis, deken, de aartsdiaken en het domkapittel van Luik hechten hun goedkeuring aan de pachtovereenkomst inzake goederen te Avezaath en Hemert tussen de Sint-Paulusabdij te Utrecht en de abdij van Thorn, zoals overeengekomen in juni 1269.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 01.187A, archief Vrije Rijksheerlijkheid Thorn, inv. nr. 42.
Uitgave
a. Ketner, OSU IV, 37-38, nr. 1762, naar A.
Samenhang
Voor de pachtovereenkomst tussen de Sint-Paulusabdij te Utrecht en de abdij van Thorn d.d. juni 1269, zie Collectie Thorn, nr. 30. Voor de goedkeuring van deze pachtovereenkomst door Amelis, domdeken te Utrecht, d.d. 1269 augustus 30, en door Amelis en het domkapittel te Utrecht d.d. 1269 augustus 30, zie Collectie Thorn, respectievelijk nrs. 32 en 33.

Nummer 31
Willem, proost, en het convent van het premonstratenzerklooster Sint-Gerlach maken bekend dat zij zolang Hendrik van Retersbeek en Clementia, diens echtgenote, burgers van Maastricht, leven, jaarlijks aan Clementia, en niet aan Hendrik, op Sint-Andreas negen mud en achttien vaten rogge Maastrichtse maat verschuldigd zijn, te leveren op hun verantwoordelijkheid en kosten binnen de muren van Maastricht, voor de schenking van achttien bunder land, waarvan vijftien bunder akker-, weiland en bos, afhangend van de heer van Valkenburg, drie bunder, afhangend van Godfried van Audesteyde te Beek, en van gronden te Haasdal, afhangend van de proost van Meerssen. Hendrik en Clementia hebben deze gronden als een schenking tussen levenden aan proost en convent gegeven met instemming van de heren van wie zij deze gronden houden. Ingeval Hendrik eerder overlijdt dan Clementia, dan zijn proost en convent gehouden tot de betaling van twee delen van de voornoemde rogge aan Clementia, maar zijn ze vrijgesteld van de betaling van het derde deel. Indien echter Clementia eerder sterft, dan zal Hendrik verplicht zijn om te verblijven binnen het slot van het klooster en zijn proost en convent gehouden jaarlijks voor hem, zolang hij daar blijft en leeft, (te zorgen) voor de betaling van alle rogge en voor zijn verblijf in één huis, waar hij passend zal kunnen wonen, voor voldoende hout voor het vuur en voor één varken ter waarde van tien schelling Luiks. Indien Hendrik na de dood van Clementia niet naar het klooster komt, hoewel hij daartoe door proost en convent is gemaand, en hij niet zonder onderbreking binnen het slot verblijft, dan zijn proost en convent hem betreffende het voorgaande niets verplicht.
Proost en convent hebben bezegeld, samen met Walram, heer van Valkenburg. Walram, heer van Valkenburg, verklaart op verzoek van de genoemde partijen deze oorkonde bezegeld te hebben ter getuigenis van zijn instemming met het voorgaande.
Gedaan en gegeven op 28 juni 1287.
Willem, proost, en convent van Sint-Gerlach (te Houthem) verklaren dat zij aan Hendrik van Retersbeek en Clementia, zijn echtgenote, burgers van Maastricht, een jaarlijkse lijfrente van negen mud en achttien vaten rogge verschuldigd zijn voor de schenking van achttien bunder land te Beek, waarvan vijftien bunder afhangend van de heer van Valkenburg en drie van Godfried van Audesteyde, alsmede gronden te Haasdal, afhangend van de proost van Meerssen, en stellen clausules op ingeval van het overlijden van Hendrik of Clementia. Walram, heer van Valkenburg, hecht zijn goedkeuring aan deze overeenkomst.
Origineel
A. Maastricht, RHCL, toegangsnr. 14.D003, archief klooster Sint-Gerlach te Houthem, inv. nr. 18-1, reg. nr. 23.
Aantekening op de achterzijde: 1º door 17e-eeuwse hand: 1287.
Bezegeling: drie bevestigingsplaatsen voor de aangekondigde zegels van Willem, proost van Sint-Gerlach (te Houthem), van het klooster Sint-Gerlach (te Houthem) en van Walram, heer van Valkenburg, (LS1, LS2 en LS3).
Afschrift
Niet voorhanden.
Uitgave
a. Franquinet, Beredeneerde inventaris St. Gerlach, IV, 25-26, nr. 22, naar A.
Regesten
Haas, inventaris Sint Gerlach, 75-76, reg. nr. 23. – Idem, Chronologische lijst, 82, reg. nr. 217.
Ontstaan en samenhang
Onderhavige oorkonde vertoont geen schriftverwantschap met de oorkonde van Walram, heer van Valkenburg, d.d. 1288.05.01 over de omzet van de vijftien bunder leengrond in allodiale grond te Beek, zie infra nr. 32.
Tekstuitgave
Het onderscheid tussen c en t is niet goed zichtbaar.

Nummer 31
Paus Gregorius stemt in met het gerechtvaardigd verzoek van abt en convent van Kloosterrade om de kerken van Lommersum, Afden en Setterich met hun toebehoren, waarvan zij zeggen het patronaatsrecht te bezitten, voor hun eigen gebruik te houden. De aartsbisschop van Keulen had hen met instemming van het diocesaan kapittel toegestaan om deze kerken rechtens en in vrede te bezitten, zoals blijkt uit de oorkonde die hierover is opgemaakt. De paus heeft dit bevestigd op voorwaarde dat uit de opbrengsten van deze kerken eeuwig een passend deel wordt toegewezen aan de priesters die God daar zullen dienen, waaruit zij zich met gemak kunnen onderhouden en de lasten voor de bisschop en andere lasten van hun kerken kunnen dragen.
Gegeven te Viterbo, op 20 mei 1237.
Paus Gregorius IX bevestigt de incorporatie van de kerken van Lommersum, Afden en Setterich in de abdij Kloosterrade door de aartsbisschop van Keulen.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.D004, archief abdij Kloosterrade, inv. nr. 805.
Uitgave
a. Polak en Dijkhof, Oorkondenboek Kloosterrade, 172-173, nr. 84, naar A.

Nummer 31
Boudewijn de Molendino (van de Molen) en Gerard, zoon van Gosmar, schepenen van Maastricht, maken onder aanhechting van hun zegels bekend dat zij als schepenen aanwezig waren toen Jan van Wyck, monnik van Val-Dieu, gevolmachtigd door abt en convent van Val-Dieu, zijn huis, genaamd Op de Gracht, van wijlen Arnoud, smid, naast de Minderbroeders, heeft overgedragen aan schout Godfried van Hudichoven om jaarlijks erfrechtelijk te bezitten voor twintig schelling Luiks, te betalen op Kerstmis en op 24 juni. Zij verklaren dat Godfried van Hudichoven in hun aanwezigheid aan broeder Jan, optredend in plaats van abt en convent van Val-Dieu, heeft beloofd om binnen twee jaar een jaarlijkse cijns van tien schelling Luiks te kopen in Maastricht. Godfried heeft deze cijns op een dusdanige wijze als onderpand verbonden aan abt en convent als aanvulling op de cijns zodat, indien iets in het huis dat van het convent was ontvangen of in hun cijns zou ontbreken, zij dan gehouden zijn om de door Godfried in naam van abt en convent verworven jaarlijkse cijns van tien schelling in bezit te nemen en te houden. Voor het verwerven van deze tien schelling heeft hij als borgen Oger van Borgharen, ridder, en Godfried van Vucht, schout, aangesteld.
Gedaan op 25 april 1270.
Schepenen van Maastricht oorkonden dat Jan van Wyck, monnik van de abdij van Val-Dieu (te Aubel), namens abt en convent zijn huis, genaamd Op de Gracht, naast het Minderbroedersklooster (te Maastricht), heeft overgedragen aan Godfried van Hudichoven, schout, tegen een jaarlijkse erfcijns van twintig schelling Luiks.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002A, archief kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 448. Beschadigd met tekstverlies.
Aantekeningen op de achterzijde: 1o door 13e-eeuwse hand: Godefridus de Hudecouen. – 2o door 14e-eeuwse hand: Supra Fossatum. – 3o door 16e-eeuwse hand: a 23. – 4o door 16e-eeuwse hand: 12. – 5o door 18e-eeuwse hand: 16.
Bezegeling: twee bevestigingsplaatsen, vermoedelijk voor de aangekondigde zegels van Boudewijn de Molendino en Gerard, zoon van Gosmar (= Gerard de Mayo), schepenen van Maastricht (LS1 en LS2).
Afschrift
Niet voorhanden.
Uitgave
a. Nève, De dertiende-eeuwse schepenoorkonden, 41-42 (met onvolledige vertaling), nr. 1270.04.25, naar A.
Regesten
Doppler, ‘Schepenbrieven Supplement’, 82, nr. 1809. – Haas, Chronologische lijst, 62-63, nr. 151. – Nuyens, Inventaris Sint-Servaas, 101, nr. 448.
Ontstaan
Onderhavige oorkonde is geschreven door een scriptor die schepenoorkonden van Maastricht mundeert voor particulieren d.d. 1271 juli 20 en 1271 september 18 (zie Collectie Sint-Servaaskapittel, nrs. 33 en 34). Bijgevolg kan deze scriptor worden gelokaliseerd in het milieu van de schepenbank van Maastricht.
Tekstuitgave
Het onderscheid tussen c en t is moeilijk zichtbaar.

Nummer 32
Walram, heer van Valkenburg en Monschau, maakt bekend dat Hendrik van Retersbeek en Clementia, diens echtgenote, vijftien bunder akkerland, bos, weiland en grond in zijn dorp Beek die ze van hem in leen hielden, in zijn handen overgedragen hebben en plechtig afstand hebben gedaan ten behoeve van proost en convent van het premonstratenzerklooster Sint-Gerlach, in het bisdom Luik. Omwille van God en ter bevordering van het klooster, dat Walram met bijzondere gunst omarmt, heeft hij dit land en de grond vrijgesteld van leenlasten en als allodium aan het klooster overgedragen, zodat proost en convent en hun opvolgers dit volgens allodiaal recht in eeuwigheid kunnen bezitten. Proost en convent hebben deze vijftien bunder, die op de voornoemde wijze aan hen waren overgedragen, voor een zeker bedrag verkocht aan Jan Suevus, burger van Maastricht, en zijn kinderen en aan hen overgedragen om het te bezitten volgens allodiaal recht, zoals proost en convent die goederen zelf gehouden en bezeten hebben.
Gedaan in aanwezigheid van Gozewijn van Borgharen, Jan van Haasdal, Arnoud van Houthem, Frederik van Retersbeek, ridders, en van meer geloofwaardige mannen en vazallen van Walram, heer van Valkenburg en Monschau. Walram heeft bezegeld, samen met proost en convent.
Gegeven op 1 mei 1288.
Walram, heer van Valkenburg en Monschau, verklaart dat hij vijftien bunder land te Beek, die Hendrik van Retersbeek en Clementia, zijn echtgenote, van hem in leen hielden en afgestaan hadden ten behoeve van proost en convent van Sint-Gerlach (te Houthem), vrijgemaakt heeft van de lasten als leengoed en aan proost en convent overgedragen als allodiaal goed, waarna het klooster dit land verkocht heeft aan Jan Suevus, burger van Maastricht.
Origineel
A. Maastricht, RHCL, toegangsnr. 14.D003, archief klooster Sint-Gerlach te Houthem, inv. nr. 18-2, reg. nr. 24.
Aantekeningen op de achterzijde: 1˚ door 15e-eeuwse hand: De XV bonaria terre. – 2˚ door laatste kwart 14e-eeuwse hand: K j. – 3˚ door 17e-eeuwse hand: 1288. – 3˚ door 18e-eeuwse hand: Num. 73.
Bezegeling: twee uithangend bevestigde, dubbel doorgestoken zegels, die aangekondigd zijn, namelijk: S1 van Walram, heer van Valkenburg en Monschau, van bruine was, beschadigd. – S2 van het klooster Sint-Gerlach te Houthem, van bruine was, zwaar beschadigd; en één bevestiging, vermoedelijk voor het aangekondigde zegel van de proost van Sint-Gerlach te Houthem (SD3). Voor een beschrijving en afbeelding van S1 en S2, zie Venner, ‘Zegels klooster Sint-Gerlach’, respectievelijk 159-160 en 152.
Afschrift
B. 1735, Maastricht, RHCL, toegangsnr. 14.D003, archief klooster Sint-Gerlach te Houthem, inv. nr. 1 (cartularium) = Privelegien ende register der obligatien en andere erffcontracten des adelijcken cloosters van St. Gerlach, p. 119-120, onder de rubriek: Littere domini Walrami de quindecim bonnariis terre iacentibus apud Beek, en in de marge: Num. 73, met opgave van drie bezegelingsplaatsen, naar [A].
Uitgave
a. Franquinet, Beredeneerde inventaris St. Gerlach, IV, 26-28, nr. 23, naar A.
Regesten
Haas, inventaris Sint Gerlach, 76, reg. nr. 24. – Idem, Chronologische lijst, 85, reg. nr. 224.
Ontstaan en samenhang
Onderhavige oorkonde vertoont geen schriftverwantschap met de oorkonde van Willem, proost, en het convent van Sint-Gerlach (te Houthem) d.d. 1287.06.28, inzake de vijftien bunder land te Beek, afhangend van Walram, heer van Valkenburg, zie infra nr. 31.
Tekstuitgave
Het onderscheid tussen c en t is niet goed zichtbaar.

Nummer 32
Amelis, deken van het domkapittel te Utrecht en provisor in geestelijke zaken van stad en bisdom Utrecht, maakt bekend dat abt en convent van de Sint-Paulusabdij te Utrecht de tienden van Hemert in pacht hebben ontvangen van abdis en convent van de abdij van Thorn tegen een jaarlijkse betaling van twaalf mark Luiks. Daartoe hebben zij zich onderworpen aan de jurisdictie van de officiaal van Luik, zoals in hun oorkonde die daarover is opgemaakt en met hun zegels bezegeld. Amelis hecht aan deze overeenkomst zijn goedkeuring en geeft de officiaal van Luik de macht om abt en convent van de Sint-Paulusabdij te suspenderen en hen gesuspendeerd te verklaren, en indien nodig om daarna hun klooster onder interdict te plaatsen indien zij de overeenkomst niet uitvoeren waartoe ze zich in de oorkonde hebben verplicht.
Gegeven op 30 augustus 1269.
Amelis, domdeken te Utrecht en provisor in geestelijke zaken van Utrecht, hecht zijn goedkeuring aan de pachtovereenkomst tussen de Sint-Paulusabdij te Utrecht en de abdij van Thorn inzake de tienden van Hemert, zoals overeengekomen in juni 1269.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 01.187A, archief Vrije Rijksheerlijkheid Thorn, inv. nr. 43.
Uitgave
a. Ketner, OSU IV, 39-40, nr. 1765, naar A.
Samenhang
Voor de pachtovereenkomst tussen de Sint-Paulusabdij te Utrecht en de abdij van Thorn d.d. juni 1269, zie Collectie Thorn, nr. 30. Voor de bevestiging van deze overeenkomst door proost, deken, aartsdiaken en het domkapittel van Luik d.d. juli 1269, en de goedkeuring door Amelis en het domkapittel te Utrecht d.d. 1269 augustus 30, zie Collectie Thorn, respectievelijk nrs. 31 en 33.

Nummer 32
Hendrik, hertog van Limburg en graaf van Berg, maakt bekend dat hij met instemming van zijn echtgenote en zijn zonen voor hun zielenheil en dat van hun ouders de novale tienden van de parochies Afden en Kerkrade, zowel de ontgonnen als de nog te ontginnen, voor eeuwig aan de abdij Kloosterrade heeft geschonken. Ter bevestiging hiervan hebben abt en convent hem veertig mark Keuls gegeven.
Hendrik heeft bezegeld.
Gedaan te Rode, op 20 mei 1241.
Hendrik IV, hertog van Limburg en graaf van Berg, draagt met instemming van zijn echtgenote en zijn zonen de novale tienden in de parochies Afden en Kerkrade voor veertig mark Keuls over aan de abdij Kloosterrade.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.D004, archief abdij Kloosterrade, inv. nr. 762.
Uitgave
a. Polak en Dijkhof, Oorkondenboek Kloosterrade, 173-174, nr. 85, naar A.

Nummer 32
Hendrik, proost van de Sint-Apostelenkerk te Keulen, en meester Marcoald, aartsdiaken van Luik en pauselijk kapelaan, maken bekend dat zij de oorkonde van Willem, voogd, Arnoud, schout, Ywein, meier, en schepenen van Aken hebben gezien, bezegeld met het stadszegel van Aken, die niet doorgehaald, niet uitgewist noch in welk deel dan ook beschadigd is in deze woorden:
– – – (hierna volgt de tekst van Collectie Sint-Servaas, nr. 30).
Hendrik en Marcoald hebben bezegeld.
Gegeven op 28 augustus 1270.
Hendrik, proost van de Sint-Apostelenkerk te Keulen, en meester Marcoald (van Modena), aartsdiaken van Luik en pauselijk kapelaan, vidimeren de oorkonde van voogd, schout, meier en schepenen van Aken d.d. (1269) inzake het al meer dan zestig jaar geldende recht in de banken van het Sint-Servaaskapittel te Maastricht.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002A, archief kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 928.
Aantekeningen op de achterzijde: 1o door 15e-eeuwse hand: Iudicium scabinorum Aquensium quod sorores non recipiant portionem in hereditate cum fratribus. – 2o door 16e-eeuwse hand: R. M I. – 3o door 16e-eeuwse hand: 1270 / g 40.
Bezegeling: twee uithangend bevestigde zegels, die aangekondigd zijn, namelijk: S1 van Hendrik, proost van de Sint-Apostelenkerk te Keulen, van bruine was, zwaar beschadigd. – S2 van Marcoald van Modena, aartsdiaken van Luik en pauselijk kapelaan, van bruine was, beschadigd. Voor een beschrijving en afbeelding van S1 en S2, zie Venner, ‘Zegels’, respectievelijk nrs. 20 en 14.
Afschrift
Niet voorhanden.
Uitgave
Niet eerder uitgegeven.
Regesten
Doppler, ‘Verzameling’, 313-314, nr. 187. – Haas, Chronologische lijst, 63, nr. 154. – Nuyens, Inventaris Sint-Servaas, 162, nr. 928.
Samenhang
Voor de gevidimeerde oorkonde van voogd, schout, meier en schepenen van Aken d.d. (1269), zie Collectie Sint-Servaas, nr. 30.
Tekstuitgave
Het onderscheid tussen c en t is moeilijk zichtbaar.

Nummer 33
Amelis, deken, en het domkapittel te Utrecht maken bekend dat abt en convent van de Sint-Paulusabdij te Utrecht de tienden en andere goederen te Hemert in pacht hebben ontvangen van abdis en convent van de abdij van Thorn tegen een jaarlijkse betaling van twaalf mark Luiks. Daartoe hebben zij zich onderworpen aan de jurisdictie van de officiaal van Luik, zoals in hun oorkonde die daarover is opgemaakt en met hun zegels bezegeld. Amelis en het domkapittel hechten aan deze overeenkomst hun goedkeuring en geven de officiaal van Luik de macht om abt en convent van de Sint-Paulusabdij te suspenderen en hen gesuspendeerd te verklaren, en indien nodig om daarna hun klooster onder interdict te plaatsen indien zij de overeenkomst niet uitvoeren waartoe ze zich in de oorkonde hebben verplicht.
Gegeven op 30 augustus 1269.
Amelis, deken, en het domkapittel te Utrecht hechten hun goedkeuring aan de pachtovereenkomst tussen de Sint-Paulusabdij te Utrecht en de abdij van Thorn, zoals overeengekomen in juni 1269.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 01.187A, archief Vrije Rijksheerlijkheid Thorn, inv. nr. 44.
Uitgave
a. Ketner, OSU IV, 40, nr. 1766, naar A.
Samenhang
Voor de pachtovereenkomst tussen de Sint-Paulusabdij te Utrecht en de abdij van Thorn d.d. juni 1269, zie Collectie Thorn, nr. 30. Voor de bevestiging van deze overeenkomst door proost, deken, aartsdiaken en het domkapittel van Luik d.d. juli 1269, en de goedkeuring door Amelis, domdeken te Utrecht, d.d. 1269 augustus 30, zie Collectie Thorn, respectievelijk nrs. 31 en 32.
Nummer 33
Goblio van Schinnen, kanunnik van Sint-Pieter te Luik, bepaalt dat met de verkoop van zijn graan te Hegge zijn schulden moeten worden betaald en de door hem afgeperste en onrechtmatig verkregen zaken moeten worden teruggegeven, dat daarna eerst zijn begrafenis moet worden betaald en ten slotte het restant moet worden besteed aan de vergroting van een altaar in de Sint-Pieterskerk te Luik. (Deperditum)
Origineel
Niet voorhanden.
Afschrift
Niet voorhanden.
Vermelding
Deze oorkonde is bekend uit de dispositio van een oorkonde van Goblio van Schinnen, kanunnik van Sint-Pieter te Luik, zie infra nr. 34, alwaar onderhavige oorkonde wordt vermeld: Item et quod supercreverit ultra solutionem dictarum exequiarum, cedat in augmentum altaris, construendi in ecclesia sancti Petri, prout in aliis litteris meis continetur.
Uitgave
Niet eerder uitgegeven.

Nummer 33
Robert, bisschop van Luik, maakt bekend dat de abt van Kloosterrade toestemming heeft gevraagd om de kloosterzusters die in zijn abdij verblijven én de kloosterzusters van Scharn voor hun eigen welbevinden en omwille van de eerbaarheid van de orde over te brengen naar een plaats die Fons Beatae Mariae (Bron van de Heilige Maria) wordt genoemd en daar een geschikt klooster te stichten. De bisschop staat toe dat de abt deze kloosterzusters overbrengt naar die plaats en er een klooster sticht, zonder afbreuk te doen aan het recht van anderen.
Robert heeft bezegeld.
Gegeven op 11 juni 1243.
Robert I, bisschop van Luik, geeft de abt van Kloosterrade toestemming de kloosterzusters van Kloosterrade en Scharn over te brengen naar een plaats die Fons Beate Marie genoemd wordt, en daar (te Sinnich) een klooster te stichten.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.D004, archief abdij Kloosterrade, inv. nr. 1701.
Uitgave
a. Polak en Dijkhof, Oorkondenboek Kloosterrade, 176-177, nr. 88, naar A.
Tekstuitgave
Enkele kleine lacunes in het origineel zijn aangevuld naar een later afschrift, zie hiervoor de uitgave van Polak en Dijkhof.

Nummer 33
Boudewijn de Molendino (van de Molen), Godfried, (zoon) van Florens, en Gerard, (zoon) van Gosmar, schepenen van Maastricht, maken onder aanhanging van hun zegels bekend dat zij als schepenen aanwezig waren en hebben gezien en gehoord dat Jan van Wyck, monnik van Val-Dieu, ten behoeve van abt en convent van Val-Dieu een jaarlijkse cijns van twee mark Luiks heeft gekocht van Gerard van Stella, te ontvangen uit zijn huis, genaamd van Stella, te betalen op Kerstmis en op 24 juni. Hierna hebben Gerard, zijn vrouw en hun kinderen unaniem afstand gedaan en afgezien van deze verkochte cijns ten behoeve van broeder Jan in naam van zijn abt en convent en zij hebben bij de verkoop zoveel gedaan dat aan alle eisen is voldaan. Gerard heeft aan Jan ook beloofd vrijwaring te verstrekken en elke redelijke klacht binnen jaar en dag af te doen. Om alle bedingen goed na te leven, heeft Gerard al zijn roerende en erfgoederen ten behoeve van Jan en de abt als onderpand gesteld.
Gedaan op 20 juli 1271.
Schepenen van Maastricht oorkonden dat Jan van Wyck, monnik van de abdij van Val-Dieu (te Aubel), in naam van en ten behoeve van de abdij een jaarlijkse cijns van twee mark Luiks, gevestigd op het huis, genaamd van Stella (te Maastricht), heeft gekocht van Gerard van Stella.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002A, archief kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 449. Licht beschadigd.
Aantekeningen op de achterzijde: 1o door 13e-eeuwse hand: De XL solidis domus Stelle. – 2o door 16e-eeuwse hand: 310 / 1271 / v 23.
Bezegeling: drie uithangend bevestigde zegels, die aangekondigd zijn, namelijk: S1 van Boudewijn de Molendino, schepen van Maastricht, van groene was, beschadigd. – S2 tweede zegel van Godfried, zoon van Florens, schepen van Maastricht, van groene was, beschadigd. – S3 eerste zegel van Gerard, zoon van Gosmar (= Gerard de Mayo), schepen van Maastricht, beschadigd. Voor een beschrijving en afbeelding van S1, zie Venner, ‘Zegels klooster Sint-Gerlach’, 161-162, en voor S2 en S3, zie respectievelijk Idem, ‘Maastrichtse schepenzegels’, 171, afb. 19, en 173, afb. 21.
Afschrift
Niet voorhanden.
Uitgave
a. Nève, De dertiende-eeuwse schepenoorkonden, 42-43 (met onvolledige vertaling), nr. 1271.07.20, naar A.
Regesten
Doppler, ‘Schepenbrieven Supplement’, 83, nr. 1810. – Haas, Chronologische lijst, 64, nr. 157. – Nuyens, Inventaris Sint-Servaas, 101, nr. 449.
Ontstaan
Onderhavige oorkonde is geschreven door een scriptor die schepenoorkonden van Maastricht mundeert en kan worden gelokaliseerd in het milieu van de schepenbank van Maastricht, zie Collectie Sint-Servaas, nr. 31 onder Ontstaan.
Tekstuitgave
Het onderscheid tussen c en t is moeilijk zichtbaar.

Nummer 34
Arnoud, priester en vicaris van de kerk van Oeteren, maakt bekend dat hij op de volgende wijze zijn testament opstelt omdat hij het voornemen heeft om als kruisvaarder overzee te gaan: al zijn erfgoederen in de parochie van Oeteren schenkt en draagt hij als eeuwige gift voor de ene helft over aan abdis en convent van de abdij van Thorn en voor andere aan abdis en convent van de Onze-Lieve-Vrouweabdij van Oeteren, met uitzondering van een jaarcijns van vier kapoenen die hij eerder vrij en absoluut met alle recht geschonken heeft aan de abdis van Thorn, in aanwezigheid van de schepenen van Oeteren en verscheidene andere personen. Het vruchtgebruik van die goederen te Oeteren schenkt en draagt hij als eeuwige gift over aan zijn kind Jan, zolang die leeft, met al zijn andere roerende goederen volgens de hieronder geschreven voorwaarden. Ten behoeve hiervan heeft hij volgende personen als executeur-testamentair aangesteld: Jan van Elen, deken van Maaseik, Frederik, priester van Gruitrode, en Michael van Rothem, bloedverwant van Arnoud. Arnoud wil en bepaalt dat zij zich de roerende goederen onmiddellijk toeëigenen en de opbrengsten van de goederen innen, zolang Jan leeft, en deze aan hem uitkeren. Ook moeten ze hem naar de scholen doen gaan en hem op hun beurt uit de genoemde goederen het noodzakelijke toekennen, zolang hij zich goed en fatsoenlijk gedraagt en zich houdt aan het oordeel, de bepaling en wil van de executeurs, omdat het Arnouds hoogste verlangen is dat Jan ordesgeestelijke wordt. Indien Jan zich minder goed en eervol zou willen houden en zich kwaadaardig begint te gedragen, zodanig dat hij zich niet aan het oordeel, de bepaling en wil van de executeurs houdt noch hen terwille is, dan zullen de abdissen en conventen van Thorn en Oeteren aan Jan tien mark Luiks geven. En Arnoud wil dat beide kloosters hiermee gekweten zijn van verdere uitgaven aan Jan en dat zij zich de genoemde goederen, door Arnoud aan Jan gelegateerd, zullen toeëigenen en er geheel vrij hun wil mee doen. Wanneer Jan komt te overlijden, dan zullen de executeurs de goederen die Arnoud aan Jan gelegateerd heeft, voor het zielenheil van Arnoud en zijn ouders aanwenden ten bate van vrome en goede zaken. Bovendien wil Arnoud dat de executeurs niets van de voorafgaande zaken zullen doen of bepalen zonder de abdis van Thorn, wie het te zijner tijd ook zal zijn, en dat zij zich zullen houden aan alles wat door de abdis in alle voorgenoemde zaken is bepaald als hun meerdere. Aangezien het legaat, testament of schenking dat Arnoud eerder voor de schepenen van Oeteren had opgesteld minder goed was en ten nadele van zijn zielenheil, heeft hij na advies het gebruik van de goederen voor de genoemde schepenen in de kerk van Oeteren herroepen en herroept het voor het altaar van de genoemde kerk en wil dat dit tegenwoordig testament ongeschonden wordt nageleefd.
Arnoud heeft aan de abdis van Thorn en de executeur-testamentairs gevraagd om deze oorkonde samen met hem te bezegelen en de last van dit testament op zich te nemen. Guda, abdis van Thorn, en de executeurs hebben hieraan gehoor gegeven en de oorkonde bezegeld.
Gedaan en gegeven op 4 mei 1270.
Arnoud, priester en vicaris van de kerk van Oeteren, schenkt bij testament zijn erfgoederen in de parochie van Oeteren gelijkelijk aan abdis en convent van de abdij van Thorn en aan abdis en convent van de Onze-Lieve-Vrouweabdij te Oeteren, met uitzondering van een jaarlijkse cijns van vier kapoenen, eerder geschonken aan de abdis van Thorn, en van het vruchtgebruik van die goederen en zijn roerende goederen, die hij overdraagt aan zijn zoon Jan. Tevens stelt hij een aantal personen aan als executeur-testamentair.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 01.187A, archief Vrije Rijksheerlijkheid Thorn, inv. nr. 46. Beschadigd met tekstverlies.
Aantekeningen op de achterzijde: 1o door 15e-eeuwse hand: Nederoeteren. – 2o door 17e-eeuwse hand: Testamentum cuiusdam pastoris de Nederoeteren qui legavit medietatem suorum bonorum abbatie et aliam medietatem capitulo, 1270. – 3o door 17e-eeuwse hand: O doorgestreept, I.
Bezegeling: vijf bezegelingsplaatsen (met uithangende restanten van de perkamenten zegelstaarten), vermoedelijk voor de aangekondigde zegels (LS1, LS2, LS3, LS4 en LS5).
Uitgave
Niet eerder uitgegeven.
Regesten
Franquinet, Beredeneerde inventaris Thorn, 41-42, nr. 28. – Habets, Archieven Thorn, 38, nr. 46. ‒ Haas, Chronologische lijst, 63, nr. 152.
Tekstuitgave
Het onderscheid tussen c en t is niet goed zichtbaar.
Ontstaan
Deze oorkonde is gemundeerd door een scriptor uit de abdij van Thorn, die werkzaam was in de periode 1262 tot en met 1273. Voor de lokalisering van deze scriptor, zie Collectie Thorn, nr. 17.

Nummer 34
Omdat niets zekerder is dan de dood en niets onzekerder dan het uur van de dood, maakt Goblio van Schinnen, kanunnik van de kerk van Sint-Pieter te Luik, bij zijn verstand en gezond van geest, zijn testament of laatste wil op de volgende wijze.
(1) Ten eerste wil hij dat zijn goederen te Hegge, namelijk een hoeve, gronden, vijvers en andere toebehoren, na zijn dood toekomen aan het augustijnerklooster Sint-Gerlach op een dusdanige wijze dat van die goederen en hun inkomsten één altaar in dat klooster voldoende begiftigd wordt voor zijn zielenheil en dat van zijn ouders en weldoeners.
(2) Verder verzoekt hij nederig of het voornoemde klooster één van de dochters van heer Godfried van Spaubeek als kloosterlinge of zuster wil ontvangen en wil hij dat uit zijn roerende goederen te Hegge, namelijk van het graan, vijf mud rogge en één mud tarwe Maastrichtse maat gegeven wordt aan de dochter van heer Godfried ter ondersteuning van haar intrede in de genoemde orde om de benodigde uitgaven te doen; dit op een dusdanige wijze dat uit de inkomsten van de voornoemde onroerende goederen te Hegge jaarlijks aan de genoemde dochter van Godfried één mark sterling en één mud rogge gegeven wordt zolang ze leeft; na haar dood dienen de genoemde mark en mud terug te keren naar het klooster.
(3) Ook schenkt hij aan diezelfde dochter van Godfried één van zijn bedden te Hegge.
(4) Ook schenkt hij aan Catharina, zijn nicht, non van Sint-Gerlach, één mark sterling en één mud rogge Maastrichtse maat, jaarlijks aan haar te geven uit de voornoemde goederen te Hegge en hun inkomsten, zolang ze leeft; na haar dood zullen de genoemde mark en mud naar het klooster terugkeren.
(5) Ook schenkt hij aan diezelfde Catharina twintig kapoenen en achtentwintig penning sterling die hij te Hegge heeft, aan haar te betalen zolang ze leeft; na haar dood zullen zij terugvallen aan het klooster voor de pitantie.
(6) Ook schenkt hij aan diezelfde Catharina één van zijn bedden te Hegge.
(7) Ook schenkt hij aan Elisabeth, zijn dochter, een met bont afgezette sprei, een matras met zijde en zijn beste bed te Hegge.
(8) Ook schenkt hij aan Geertrui, zijn dienstmaagd, al zijn dieren te Hegge, te weten schapen, koeien en varkens.
(9) Ook schenkt hij aan Wijnand, zijn dienstknecht, zijn rood rijpaard en wil hij dat Wijnand zijn roerende goederen te Hegge verwijdert of weghaalt.
(10) Ook schenkt hij aan de voornoemde Elisabeth, zijn dochter, de helft van zijn koperen en tinnen potten te Hegge.
(11) Ook wil en bepaalt hij dat al zijn graan te Hegge verkocht wordt, waar het ook uit moge bestaan, dat daarvan zijn schulden betaald worden en dat teruggegeven wordt wat door hem afgeperst en onrechtmatig verworven is, als daarvan iets mocht blijken; en wat daarna overblijft, zal besteed worden aan zijn begrafenis. En als er na de betaling van zijn begrafenis nog geld overblijft, moet dat gebruikt worden voor de verfraaiing van een altaar, dat opgericht moet worden in de kerk van Sint-Pieter, zoals in een andere oorkonde van Goblio beschreven is.
Deze zaken dienen te gebeuren door de executeurs die hij gekozen heeft, namelijk zijn bloedverwanten heer Godfried van Wijnandsrade en heer Godfried van Spaubeek, ridders, en Engelbert, kanunnik van de kerk van Sint-Gereon te Keulen.
Getuigen waren: heer Jan, deken van Nijvel, heer Peter van Cambiis, kanunnik van Sint-Pieter te Luik, meester Gerard Sortes, kanunnik van het Heilig Kruis te Luik, en Wolter van Hasselt, kanunnik van Sint-Pieter te Luik, samen met de genoemde Godfried, ridder, en Engelbert.
Goblio heeft bezegeld samen met Jan van Restée, deken van Sint-Pieter te Luik, en met de executeurs.
Jan, deken en executeur, heeft op verzoek van Goblio zijn zegel aan de oorkonde gehangen.
Gegeven en gedaan op 1 december 1288.
Het doorhalen van drie regels, zoals hierboven gedaan, wordt goedgekeurd. Datum als boven.
Goblio van Schinnen, kanunnik van Sint-Pieter te Luik, vermaakt bij testament aan het klooster Sint-Gerlach (te Houthem) zijn goederen te Hegge ten behoeve van de fundatie van een altaar in het klooster, verzoekt het klooster een van de dochters van heer Godfried van Spaubeek, ridder, op te nemen, schenkt haar een bed en kent voor de kosten van haar intrede uit zijn goederen te Hegge 5 mud rogge en 1 mud tarwe toe en zolang zij leeft jaarlijks 1 mark sterling en 1 mud rogge. Verder legateert hij een aantal goederen aan zijn nicht, dochter, dienstmeid en knecht en stelt een aantal personen aan als executeurs-testamentair.
Origineel
[A]. Niet voorhanden.
Afschrift
B. 1289 juni 7, Maastricht, RHCL, toegangsnr. 14.D003, archief klooster Sint-Gerlach te Houthem, inv. nr. 96, reg. nr. 27, vidimus door de officiaal van het hof van Luik, naar [A].
Uitgave
Niet eerder uitgegeven.
Regesten
Franquinet, Beredeneerde inventaris St. Gerlach, IV, 28-29, nr. 24 (gedateerd 1288 november 29). – Poncelet, Inventaire analytique, 18, nr. 50. − Haas, Inventaris Sint Gerlach, 77, reg. nr. 25.
Samenhang
In onderhavige oorkonde wordt melding gemaakt van een andere oorkonde van Goblio van Schinnen inzake de bouw van een altaar in de Sint-Pieterskerk te Luik uit de verkoop van zijn goederen te Hegge: Item et quod supercreverit ultra solutionem dictarum exequiarum, cedat in augmentum altaris construendi in ecclesia sancti Petri, prout in aliis litteris meis continetur. Voor dit deperditum, zie infra nr. 33.
Tekstuitgave
Het onderscheid tussen c en t is niet goed zichtbaar.

Nummer 34
Paus Innocentius deelt mee dat abt en convent van het augustijnerklooster Kloosterrade, gelegen in het bisdom Luik, met instemming van de bisschop van Luik de kloosterzusters van Kloosterrade en die van Scharn, die tot dezelfde orde behoren, in volle recht naar het klooster van Sinnich hebben overgebracht, waar deze des te beter de Heer onder de gehouden regel zullen kunnen dienen, nadat ook een aantal goederen van de abdij voor hun levensonderhoud is toegewezen.
De paus stemt hier op verzoek van abt en convent mee in en bevestigt dit met deze oorkonde.
Gegeven te Lyon, op 13 september 1246.
Paus Innocentius IV bevestigt de overbrenging van de kloosterzusters van Kloosterrade en Scharn naar Sinnich en de toewijzing van goederen voor hun levensonderhoud.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.D004, archief abdij Kloosterrade, inv. nr. 1703.
Uitgave
a. Polak en Dijkhof, Oorkondenboek Kloosterrade, 182-184, nr. 92, naar A.

Nummer 34
Daniel en Godfried, (zoon) van Florens, schepenen van Maastricht, maken onder aanhechting van hun zegels bekend dat zij als schepenen aanwezig waren en hebben gezien en gehoord dat Odilia, begijn, dochter van wijlen Lambert Scad, aan Margareta en Ida, begijnen, bloedverwanten van Jan, priester van Sint-Gillis in Wyck, een jaarlijkse cijns van tien schelling Luiks heeft verkocht, waarvan vijf schelling op Kerstmis en vijf op één augustus te ontvangen van Gerard van Hoverhul uit diens huis, gelegen Op de Gracht, van een cijns van 21 schelling Luiks die Gerard gewoon is erfelijk te betalen aan Odilia en uit welk huis Odilia jaarlijks drie penning en één kapoen betaalt aan Michael op de Houtmarkt. Margareta en Ida zullen hun cijns ontvangen na de cijns van de grondheer. Hierna heeft Odilia ten behoeve van Margareta en Ida afstand gedaan van de verkochte tien schelling Luiks en zoveel gedaan dat in alle opzichten aan hen is voldaan. Odilia heeft ook beloofd vrijwaring te verstrekken en elke redelijke klacht binnen jaar en dag af te doen, en zij heeft dit op de rest van haar cijns genomen en deze als onderpand gesteld.
Gedaan op 18 september 1271.
Schepenen van Maastricht oorkonden dat Odilia, dochter van Lambert Scad, begijn, een jaarlijkse cijns van tien schelling Luiks, gevestigd op een huis, gelegen Op de Gracht (te Maastricht), heeft verkocht aan Margareta en Ida, begijnen te Maastricht, bloedverwanten van Jan, priester van (het gasthuis van) Sint-Gillis in Wyck (te Maastricht).
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002A, archief kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 452. Met een getransfigeerde oorkonde d.d. 1276 juni 24.
Aantekeningen op de achterzijde: 1o door 13e-eeuwse hand: Ida de Wigarberge. – 2o door 13e-eeuwse hand: De X solidis supra Fossatum. – 3o door 16e-eeuwse hand: 307 / z 23 / 1296.
Bezegeling: twee uithangend bevestigde zegels, die aangekondigd zijn, namelijk: S1 tweede zegel van Daniel supra Forum, schepen van Maastricht, van bruine was, beschadigd. – S2 los bijliggend, tweede zegel van Godfried, zoon van Florens, schepen van Maastricht, van bruine was, beschadigd. Voor een beschrijving en afbeelding van S1 en S2, zie Venner, ‘Maastrichtse schepenzegels’, 171, afb. 14, en Idem, ‘Maastrichtse schepenzegels’, afb. 19.
Afschrift
Niet voorhanden.
Uitgave
a. Nève, De dertiende-eeuwse schepenoorkonden, 43-44 (met onvolledige vertaling), nr. 1271.09.18, naar A.
Regesten
Doppler, ‘Schepenbrieven’, 22, nr. 4. – Haas, Chronologische lijst, 64-65, nr. 158.
Ontstaan en samenhang
Onderhavige oorkonde is geschreven door een scriptor die schepenoorkonden van Maastricht mundeert en kan worden gelokaliseerd in het milieu van de schepenbank van Maastricht, zie Collectie Sint-Servaas, nr. 31 onder Ontstaan. Voor het transfix d.d. 1276 juni 24, zie Collectie Sint-Servaaskapittel, nr. 44.
Tekstuitgave
Het onderscheid tussen c en t is moeilijk zichtbaar.
Nummer 35
Engelbert van Isenburg, aartsdiaken van Luik, maakt bekend dat wijlen meester Reinier, scholaster in Tongeren en provisor in geestelijke zaken van Hendrik, bisschop van Luik, op speciaal bevel van de bisschop het klooster van Thorn heeft gevisiteerd en heeft bepaald dat de abdis van Thorn, of zij die dat te zijner tijd zal zijn, in de parochiekerk van Baarle, waarvan de collatie en presentatie tot op heden ongestoord toekwam aan de abdis en in welke kerk nagenoeg nooit een pastoor persoonlijk een bediening heeft uitgeoefend, met instemming van kanunniken en kloosterzusters van Thorn een pastoor aanstelt als de kerk vrijkomt, die daar de zielzorg verricht en er persoonlijk woonachtig is en er de diensten uitoefent. En dat niemand in die kerk wordt aangesteld dan een priester ofwel iemand er vanaf de dag van zijn aanstelling binnen één jaar wil, kan en verplicht is woonachtig te zijn, en dat de priester niets ontvangt van zijn pastoorsambt totdat hij zijn priesterwijding ontvangen zal hebben. Engelbert heeft daarom als aartsdiaken en degene die de onmiddellijke rechtsmacht heeft over de kerk van Baarle deze gemaakte verordeningen goedgekeurd. Bovendien bepaalt hij met instemming van abdis, kanunniken en kloosterzusters van Thorn én met die van Gozewijn, pastoor van Baarle, het volgende over de vruchten van de kerk van Baarle: Gozewijn en zijn opvolgers zullen voor eeuwig de kleine tiend van Baarle en Mierlo verwerven, de inkomsten van de voornoemde altaren met de hoofdcijns en eveneens de grond die tot het bezit behoort van de kerk van Baarle en die geschat wordt op vijf bunder. Bovendien bepaalt Engelbert dat alle tienden die de pastoors gewoon waren te ontvangen in de kerken van Baarle en Mierlo vanwege de geringe omvang van de prebenden van de kanunniken en kloosterzusters van Thorn, integraal zullen worden afgestaan ter vermeerdering van deze prebenden. De abdis van Thorn zal in elk geval uit de tienden die haar en haar kerk in Baarle en Mierlo toebehoren, ieder jaar twaalf sister betalen aan Gozewijn, pastoor van Baarle, en zijn opvolgers, ook indien toevallig niets of weinig van de genoemde tienden komt; de helft daarvan zal tarwe en de helft gerst zijn, Antwerpse maat, waarvan de helft van de genoemde sisters te leveren is met Allerheiligen en de andere helft met Lichtmis daaropvolgend. Ook wil Engelbert dat de gehele tienden van de abdis en de kerk van Thorn die zij bezitten in de kerken van Baarle en Mierlo voor eeuwig verplicht zullen zijn tot betaling van de genoemde twaalf sister aan Gozewijn en zijn opvolgers. Hij bepaalt ook dat elke pastoor van Baarle plechtig zal zweren dat hij het genoemde deel zonder vermindering zal ontvangen en tot zijn gebruik aanwenden. En als hij toevallig elders beneficiant zou zijn van een beneficie met een verplichting tot residentie, dan zal hij daarvan terstond na het verwerven van de huidige aanstelling vrijwillig afstand doen. De pastoor van Baarle zal in de toekomst over zijn rechten en die van de aartsdiaken verantwoording afleggen aan de bisschop van Luik, aan Engelbert, de huidige aartsdiaken, en aan zijn opvolgers, en aan de deken.
Engelbert heeft bezegeld, samen met abdis en convent van Thorn, evenals Gozewijn; zij stemmen allen in met de bovenstaande bepalingen.
Gedaan en gegeven op 15 mei 1270.
Engelbert van Isenburg, aartsdiaken van Luik, hecht zijn goedkeuring aan de bepalingen die wijlen meester Reinier, scholaster in Tongeren en provisor in geestelijke zaken van Hendrik III, bisschop van Luik, na zijn visitatie van de abdij van Thorn had vastgesteld inzake de kerk van Baarle en voegt daar nieuwe bepalingen betreffende de inkomsten van de kerk van Baarle aan toe. Abdis en convent van de abdij van Thorn en Gozewijn, pastoor van Baarle, hechten hier hun goedkeuring aan en bezegelen mede.
Origineel
[A]. Niet voorhanden.
Afschrift
B. eerste helft 15e eeuw, Maastricht, HCL, toegangsnr. 01.187B, archief Vrije Rijksheerlijkheid Thorn, inv. nr. 1628 (voorheen cartularium nr. 1) = Cartularium abbatiae imperialis Thorensis, 966-1600, p. 162-164 (oude fol. 85v-86v), onder de rubriek: Approbatio premisse incorporationis sive ordinationis ecclesie de Baerll de consensu pastoris per archidiaconum loci facta, en De ecclesia de Baerle, geauthenticeerd afschrift door S. van Neeroeteren, naar [A].
Uitgave
a. Dillo-Van Synghel, ONB II, 444-446, nr. 1096, naar B.
Samenhang
Voor de oorkonde van de bisschop van Luik, waarin hij na de visitatie door meester Reinier de bepalingen ten aanzien van de kerk van Baarle vastlegt, alsmede voor de bekrachtiging hiervan door de abdis van Thorn, zie Collectie Thorn, nrs. 17 en 19.

Nummer 35
De officiaal van het hof van Luik maakt bekend dat hij het ondergeschreven testament door middel van een afschrift op d.d. 7 juni 1289 heeft gezien en gelezen in deze woorden:
− − − (hierna volgt de tekst van Collectie Sint-Gerlach nr. 34).
Gegeven door middel van een afschrift onder het zegel van het hof van Luik, op 7 juni 1289.
Jan van Thorn door een afschrift.
De officiaal van het hof van Luik vidimeert het testament van Goblio van Schinnen, kanunnik van Sint-Pieter te Luik, d.d. 1288.12.01.
Origineel
A. Maastricht, RHCL, toegangsnr. 14.D003, archief klooster Sint-Gerlach te Houthem, inv. nr. 96, reg. nr. 27.
Aantekeningen op achterzijde: 1o door laatste kwart 14e-eeuwse hand: I II. – 2o door 15e-eeuwse hand: Testamentum. – 3˚ door 17e-eeuwse hand: 1288. – 4˚ door 18e-eeuwse hand: Num. 91.
Bezegeling: één bevestigingsplaats voor het afhangend zegel van het hof van Luik, dat aangekondigd is (SD1).
Afschrift
B. (ca. 1736) Maastricht, RHCL, toegangsnr. 14.D003, archief klooster Sint-Gerlach te Houthem, inv. nr. 1 (cartularium) = Privelegien ende register der obligatien en andere erffcontracten des adelijcken cloosters van St. Gerlach, p. 137-139, onder de rubriek: Testamentum domini Goblionis de Schine in quo monasterio sancti Gerlaci legat certa bona in Heeke, en in de marge: Num. 91, met opgave van één bezegelingsplaats, naar A.
Uitgave
Niet eerder uitgegeven.
Regesten
Haas, Inventaris Sint Gerlach, 78, reg. nr. 27. – Idem, Chronologische lijst, 86, nr. 229.
Ontstaan
Onderhavige oorkonde is door dezelfde hand geschreven als de door de officiaal uitgevaardigde oorkonde in 1290, zie infra nr. 36. Derhalve kan de scriptor waarschijnlijk gesitueerd worden in het milieu van het hof van Luik. Het schrift vertoont ook zeer sterke verwantschap met de oorkonde, in 1290 uitgevaardigd door proost en convent van Sint-Gerlach, zie infra nr. 37.
Tekstuitgave
Het onderscheid tussen c en t is niet goed zichtbaar.

Nummer 35
Pieter, kardinaal-diaken van St.-Gregorius ad Velum Aureum en pauselijk legaat, keurt het verzoek van abt en convent van Kloosterrade goed om het aantal kanunniken vast te stellen op ten hoogste veertig, zoals na overleg in het klooster terecht is ingeschat en onder ede is vastgesteld, en bekrachtigt dit met deze oorkonde, tenzij het vermogen zo zeer aangewassen zou zijn dat het aantal personen moet worden vermeerderd, steeds met behoud van het gezag van de Heilige Stoel.
Gegeven in het legerkamp voor Aken, op 29 juli 1248.
Pieter, kardinaal-diaken van St.-Georgius ad Velum Aureum en pauselijk legaat, keurt goed en bevestigt dat het aantal kanunniken te Kloosterrade wordt bepaald op hooguit veertig.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.D004, archief abdij Kloosterrade, inv. nr. 689. De tekst is sterk verbleekt, maar was blijkens een afschrift uit ca. 1690 destijds nog goed te lezen.
Uitgave
a. Polak en Dijkhof, Oorkondenboek Kloosterrade, 188-189, nr. 97, naar A.
Teksteditie
Een groot deel van de tekst is verbleekt en daardoor zeer slecht leesbaar. De onleesbare tekstgedeelten zijn tussen teksthaken aangevuld naar een eind-17e-eeuws afschrift, zie de uitgave van Polak en Dijkhof.

Nummer 35
Meester Boudewijn van Autre-Église, kanunnik en officiaal van Luik, maakt bekend dat hij de oorkonde van keizer Frederik II heeft gezien, die niet is doorgehaald noch uitgewist noch in enig onderdeel beschadigd is, bezegeld met zijn eigen zegel, en woord voor woord heeft gelezen in deze woorden:
‒ ‒ ‒ (hierna volgt de tekst van Collectie Sint-Servaas, nr. 16).
Boudewijn heeft bezegeld met het zegel van het officialaat van Luik.
Gegeven op 15 oktober 1273.
Boudewijn keurt de bovengeschreven passage ‘met vele anderen’ goed; gegeven zoals boven.
Meester Boudewijn van Autre-Église, kanunnik (van het domkapittel) en officiaal van Luik, vidimeert de oorkonde van keizer Frederik II d.d. 1232 december.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002A, archief kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 40. Beschadigd met tekstverlies.
Aantekening op de voorzijde: 1o door 15e-eeuwse hand: R I.
Aantekeningen op de achterzijde: 1o door 13e-eeuwse hand: Copia privilegii domini Henrici, imperatoris, super exemptionem ecclesie sancti Seruatii et aliis et innovationis domini Frederici, imperatoris. – 2o door 13e-eeuwse hand: S. de Wouc per copiam. – 3o door 14e-eeuwse hand: Hugo de Berzes per capitulum. – 4o door 15e- en 16e-eeuwse handen: R I / k XII / S IIo / l 2. – 5o door 17e-eeuwse hand: II / In capsula imperialium.
Bezegeling: één bevestiging voor het aangekondigde zegel van Boudewijn van Autre-Église, kanunnik en officiaal van Luik (SD1).
Afschrift
Niet voorhanden.
Uitgave
Niet eerder uitgegeven.
Regesten
Doppler, ‘Verzameling [800-1273]’, 249, nr. 192. – Haas, Chronologische lijst, 67, nr. 167. – Nuyens, Inventaris Sint-Servaas, 51, nr. 40.
Samenhang
Voor de uitgave van de gevidimeerde oorkonde van keizer Frederik II d.d. 1232 december, zie Collectie Sint-Servaas, nr. 16.
Tekstuitgave
Het onderscheid tussen c en t is moeilijk zichtbaar.

Nummer 36
De officiaal van het hof van Luik maakt bekend dat de procurator van de religieuze personen, namelijk proost en convent van de zusters van het premonstratenzerklooster Sint-Gerlach, in het bisdom Luik, handelend in naam van zijn volmacht en voor diezelfde religieuzen, uit hoofde van het permanent gezag van dit bisdom ten overstaan van hem een rechtszaak heeft aangespannen tegen Jan van Meer en diens echtgenote Oda uit Maastricht en verklaart dat de procurator in naam van het klooster de volgende vordering tegen Jan en Oda heeft voorgelegd:
Aan de officiaal zegt voor u in rechte: de procurator van proost en convent van de zusters van het premonstratenzerklooster Sint-Gerlach, in het bisdom Luik, als gevolmachtigde en ten behoeve van de kloosterzusters, tegen Jan van Meer en zijn echtgenote Oda, wettige zuster van wijlen Godfried Kenterken van Maastricht:
weliswaar komt uit hoofde van Jutta, wettige zuster van wijlen Godfried Kenterken, non van vrije status en geprofest in het klooster van de voornoemde religieuzen, de ene helft van de onroerende goederen van wijlen Godfried Kenterken, die voor zover het deze onroerende goederen betreft overleden is zonder testament na te laten, toe aan deze religieuzen, en komt de andere helft toe aan Oda en aan Jan, haar echtgenoot, uit hoofde van zijn vrouw Oda, en zijn die goederen wettig op hen vererfd, toch hebben Oda en Jan geweigerd om tot een verdeling van de goederen over te gaan met de religieuzen en de goederen met het klooster te verdelen, weigeren ze dat nog steeds en hebben ze met nog minder recht verhinderd en verhinderen ze dat de religieuzen het bezit van de helft van de genoemde goederen verwerven, terwijl toch overduidelijk aan diezelfde religieuzen door de Heilige Stoel is toegestaan dat zij bezittingen en andere roerende en onroerende goederen die vrije vrouwen onder de monialen en conversen, die gevlucht zijn voor de wereld en in het klooster het habijt van religieuzen hebben aangenomen, erfrechtelijk toegevallen zijn of op enige andere wettige wijze, dat zij die goederen mogen vragen, ontvangen en ook behouden nadat zij in het klooster hun kloostergelofte hebben gedaan.
Daarom vraagt de procurator om de genoemde beklaagden uit naam van de genoemde religieuzen of voor de religieuzen zelf te veroordelen en hen te dwingen om tot de verdeling van de genoemde goederen met de religieuzen over te gaan en de goederen met de religieuzen te delen; ofwel dat de officiaal de genoemde goederen onder diezelfde partijen verdeelt of doet verdelen en de helft van de genoemde goederen aan de religieuzen zal toewijzen en dat hij de gedaagden hiertoe zal veroordelen en zal dwingen dat zij de religieuzen toestaan om de helft van de genoemde goederen te verwerven, die uit hoofde van de genoemde verdeling aan hen toekomt, op grond van de voornoemde redenen; en de procurator vraagt om de genoemde gedaagden uit naam van de genoemde religieuzen of ten gunste van de religieuzen zelf te veroordelen in de onkosten die gedaan zijn en nog gedaan zullen worden, waarbij hij de officiaal verzoekt om het voorafgaande voor zover het recht strekt zo veel mogelijk met de voorafgaande zaken van de rechtszaak in bijzijn van rechtschapenen als waar te doen erkennen.
Dit zegt en vraagt de procurator, zich het recht voorbehoudend om zaken toe te voegen, weg te laten enz., verklarend dat hij bevoegd is in de voorgaande zaken die hij zal bewijzen.
Nadat het geschil over de genoemde vordering tussen deze partijen wettig aanhangig is gemaakt, valselijk handelen is afgezworen, door proost en procurator hun argumenten en door de echtelieden hun antwoorden daarop naar voren zijn gebracht, getuigen door de procurator zijn voorgebracht en op het gezag van de officiaal in wettige vorm toegelaten, gehoord, zorgvuldig onderzocht, op schrift gesteld en passend bekend gemaakt, een afschrift ervan aan de echtelieden gegeven en hun een dag is toegewezen om zich te verweren tegen de getuigen en hun verklaringen, hebben de echtelieden de zaak als volgt voorgelegd:
De officiaal: het is passend dat Jan van Meer en zijn vrouw Oda moeten worden bevrijd van de vordering van de procurator van proost en convent van de zusters van Sint-Gerlach, handelend als procurator, ten overvloede stellen Jan en zijn vrouw dat volgens de gewoonte en wet van de hoven waar de goederen, genoemd in de vordering van de procurator, onder ressorteren en van afhangen, uit de erfenis van wijlen Godfried Kenterken aan Jan en Oda zijn toegevallen. En indien er getuigen zijn, geproduceerd door de procurator, die zeggen dat de helft van de genoemde goederen vanwege Jutta, zuster van Oda, zijn toegevallen aan de religieuzen, dan zijn dit valse getuigen en door dit te zeggen leggen ze een valse getuigenis af. Want volgens de voornoemde gewoonte en wet, door middel waarvan geoordeeld moet worden over de eigendom van de genoemde goederen en over de inhoud van de genoemde vordering, zijn de genoemde goederen in hun geheel aan Jan en Oda toegevallen vanwege Oda, die in de wereld gebleven is, en Jan en Oda hebben vanwege Oda de genoemde goederen van Godfried in hun geheel geërfd.
En daarom hoeven Jan en Oda niet te doen wat de procurator van hen eist. Om deze en andere redenen die de officiaal inzicht verschaffen, vragen Jan en Oda dat zij vrijgesproken worden van de eis van de genoemde procurator en dat de procurator en zijn heren veroordeeld worden in de wettige kosten, met name omdat het bovenstaande algemeen bekend is in de plaatsen waar de genoemde goederen liggen en omdat de procurator zelf geen oorkonden heeft voorgelegd om zijn eis te bewijzen, en evenmin iets bewezen heeft uit de genoemde oorkonden. En Jan en Oda bieden aan om het voorafgaande te bewijzen ofwel daaruit hetgeen voldoende is voor hun stelling.
En zo is het geschil over het voorafgaande gelijkelijk door beide partijen wettig aanhangig gemaakt, zijn de standpunten van de echtelieden vastgesteld en de antwoorden van de proost en procurator daarop gegeven, zijn de getuigen die door de echtelieden naar voren waren gebracht, gepresenteerd en in vorm van recht ontvangen, gehoord en onderzocht en hun verklaringen schriftelijk vastgelegd en naar behoren openbaar gemaakt, zijn zekere oorkonden en privileges door de procurator ter onderbouwing van zijn doel in de genoemde zaak in de vorm van bewijs voorgelegd, zijn uiteindelijk de genoemde echtelieden onverwijld gedaagd bij de officiaal te Luik op een zekere dag om tegen de procurator in genoemde zaak te concluderen met de vereiste en gebruikelijke dagvaarding.
En omdat diezelfde echtelieden op de genoemde dag niet gekomen zijn, maar op verlies van rechten afwezig waren, de procurator aanwezig was, wachtte zolang hij verplicht was en in de genoemde zaak, voor zover het aan hem lag, geconcludeerd heeft en met aandrang verzocht om in deze zaak verder te procederen, zijn de echtelieden daarna definitief gedaagd bij de officiaal te Luik in aanwezigheid van de procurator als tegenpartij op woensdag na Driekoningen, op het uur van de priem, om te horen wat het recht ofwel de definitieve uitspraak in de genoemde zaak zal zijn, met de verplichte en gebruikelijke dagvaarding.
Toen op de genoemde dag de genoemde echtelieden niet gekomen zijn en met verlies van rechten afwezig waren, de voornoemde procurator persoonlijk aanwezig was, wachtte zolang als hij verplicht was, met aandrang aan de officiaal gevraagd heeft om het recht ofwel de definitieve uitspraak in de genoemde zaak uit te spreken, heeft de officiaal zoals rechtens vereist verklaard dat de echtelieden Jan en Oda zich schuldig hebben gemaakt aan minachting van de rechtsgang, met raad van rechtsgeleerden, en nadat alle handelingen rechtens waren gedaan, heeft hij de helft van de onroerende goederen die van wijlen Godfried Kenterken waren, waarvan melding is in de genoemde vordering, toegewezen aan de religieuzen en Jan en Oda in zijn definitief vonnis veroordeeld tot de verdeling van de goederen met de religieuzen en bepaald dat zij de genoemde goederen met de religieuzen zullen verdelen en aan hen zullen toestaan om het bezit van de helft van de genoemde goederen, die door de voornoemde verdeling aan hen toekomt, te verwerven, daarbij de beklaagden veroordelend in de gerechtskosten die de religieuzen hiervoor hebben gedaan, waarbij de schatting van die kosten voorbehouden blijft aan de officiaal.
Bezegeld met het zegel van het hof van Luik.
Gegeven op 12 januari 1289.
Voortgezet door ons vanaf donderdag.
En Mat[ri]fardus voor de officiaal.
De officiaal van het hof van Luik doet uitspraak in een proces tussen proost en convent van Sint-Gerlach (te Houthem) enerzijds en Jan van Meer en zijn echtgenote Oda uit Maastricht anderzijds inzake de aanspraak die het klooster maakt op de helft van de nalatenschap van Godfried Kenterken uit Maastricht, broer van Oda en van Jutta, non van Sint-Gerlach, en hij wijst de helft van de goederen toe aan het klooster.
Origineel
A. Maastricht, RHCL, toegangsnr. 14.D003, archief klooster Sint-Gerlach te Houthem, inv. nr. 98, reg. nr. 26.
Aantekeningen op de achterzijde (slechts onder kwartslamp leesbaar): 1o door 13e-eeuwse hand: Est Mat[ri]fardus, per manum domini Iohannis de Doirne sigilletur et michi reddatur quia opportet quod scribatur manu me (sic) et tunc signabitur ista per copiam. – 2o door 18e-eeuwse hand: Sententia lata 1289 per quam religiosi pr[***] possunt [***] immobilia.
Bezegeling: één bevestigingsplaats voor het dubbel doorgestoken, aangekondigde zegel van het hof van Luik (SD1).
Afschrift
Niet voorhanden.
Uitgave
Niet eerder uitgegeven.
Regesten
Franquinet, Beredeneerde inventaris St. Gerlach, IV, 29-30, nr. 25 (gedateerd 1289 januari 13). − Haas, Inventaris Sint Gerlach, 77, nr. 26 (gedateerd 1289 januari 13). − Idem, Chronologische lijst, 85, reg. nr. 226 (gedateerd 1289 januari 13).
Datering
Het gebruik van paasstijl in het bisdom Luik is verondersteld, zie Camps, ONB I, XXI, en Dillo en Van Synghel, ONB II, XVII.
Ontstaan
Onderhavige oorkonde is door dezelfde hand geschreven als de door de officiaal uitgevaardigde oorkonde in 1289, zie infra nr. 35. Derhalve kan de scriptor waarschijnlijk gesitueerd worden in het milieu van het hof van Luik. Het schrift vertoont ook zeer sterke verwantschap met de oorkonde, in 1290 uitgevaardigd door proost en convent van Sint-Gerlach, zie infra nr. 37.
Tekstuitgave
Het onderscheid tussen c en t is niet goed zichtbaar.
Nummer 36
Abdis en convent van de abdij van Thorn treffen een regeling met Marsilius, vader van Gerard Bec van Übach, inzake de ontgonnen grond van de hoeve te Übach. (Deperditum)
Origineel noch afschrift voorhanden.
Vermelding
Deze oorkonde is bekend uit de dispositio van de oorkonde d.d 19 februari 1272 van Michael, kanunnik van het Onze-Lieve-Vrouwekapittel te Maastricht, en Godfried Bec van Übach (zie Collectie Thorn, nr. 37), alwaar onderhavige oorkonde wordt vermeld: pronuntiamus quod dictus Gerardus infra dominicam Invocavit me ad certum diem reddet domine abbatisse et conventui de Thoren litteram quam dederant ipsi abbatissa et conventus patri suo, Marsilio, super cultura curie ipsarum in Vbach, sigillis dictorum abbatisse et conventus sigillatam.
Uitgave
Niet eerder uitgegeven.
Samenhang
Voor de uitspraak in het geschil tussen abdis en convent van Thorn en Gerard Bec van Übach inzake de hoeve, akkers en gebouwen van de abdij te Übach, zie Collectie Thorn, nr. 37.

Nummer 36
Koenraad, aartsbisschop van Keulen en aartskanselier van Italië, maakt bekend dat abt en convent van Kloosterrade novale tienden hebben te Lommersum en elders in het bisdom, waarvan hij het recht zou kunnen opeisen. Ook zijn er enkele ridders, zoals Christiaan van Ottenheim, en anderen die weliswaar over de bebouwde akkers de tienden aan de abdij betalen, maar die weigeren novale tienden te betalen over de gronden die zij naar eigen zeggen zelf hebben ontgonnen en tegen wie Koenraad feitelijk of rechtens zou kunnen optreden. Omwille van de toewijding door de abdij aan Koenraad en zijn kerk én omdat hij wil dat de abdij een vergoeding krijgt voor de schade die men bij de oorlogen van de Keulse kerk heeft geleden, heeft Koenraad inzake beide voornoemde tienden afstand gedaan van elk recht dat hem zou kunnen toevallen en heeft hij de tienden geheel en onvoorwaardelijk aan de abdij Kloosterrade afgestaan om ze eeuwig zonder enige tegenspraak te bezitten.
Koenraad heeft bezegeld.
Gegeven en gedaan in het legerkamp voor Aken, [tussen 4 mei en 18 oktober] 1248.
Koenraad, aartsbisschop van Keulen, doet ter leniging van de schade ten gevolge van de Keulse oorlogen ten gunste van de abdij Kloosterrade afstand van zijn rechten op de novale tienden te Lommersum en elders in het diocees en op de novale tienden, die sommige ridders zoals Christiaan van Ottenheim aan de abdij weigeren te betalen.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.D004, archief abdij Kloosterrade, inv. nr. 806.
Uitgave
a. Polak en Dijkhof, Oorkondenboek Kloosterrade, 189-190, nr. 98, naar A.

Nummer 36
Rooms-koning Rudolf heeft de privileges van zijn voorganger, keizer Frederik, nauwkeurig onderzocht en gehoord, waarvan de woordelijke inhoud de volgende is:
– – – (hierna volgt de tekst van de oorkonden d.d. 1215 juli 28 en 1236 september 9, zie respectievelijk Collectie Sint-Servaas, nr. 10, en Huillard-Bréholles, Historia diplomatica IV-2, 764-765).
Op verzoek van deken en kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, zijn geliefde kapelanen, heeft Rudolf de voornoemde privileges zoals zij hierboven zijn opgeschreven en alles wat daarin staat, geldig verklaard, vernieuwd, bevestigd en met deze oorkonde medegedeeld, en hij verbiedt iedereen, hoog of laag, in te gaan tegen die privileges of iets van het voorgaande.
Rudolf heeft bezegeld.
Gegeven te Keulen, op 1 november 1273.
Rooms-koning Rudolf I hernieuwt en bevestigt de door keizer Frederik II verleende privileges aan het Sint-Servaaskapittel te Maastricht d.d. 1215 juli 28 en 1236 september 9, waarvan de teksten zijn geïnsereerd.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002A, archief kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 54. Gelinieerd. Beschadigd.
Aantekeningen op de achterzijde: 1o door 14e-eeuwse hand: Con[firm]atio privilegiorum regalium a .. rege Rud[olphi]. – 2o door 15e-eeuwse hand: Item confirmatio sentencie pro preposito (bovenschreven) et (bovengeschreven) capitulo Sancti Seruatii contra episcopum Leodiensem super hoc quod ad iurisdictionem solius imperii pertinent et episcopo in aliquo non teneantur late. – 3o door 15e-eeuwse hand: XVIII et XVIIII. – 4o door 16e-eeuwse hand: Anno 1273. – 5o door 17e-eeuwse hand: Exhibitum contra Tongrensis penultima augusti anno etc. L primo. – 6o door 17e-eeuwse hand: 40 / Capsula imperialium. – 7o door 17e-eeuwse hand: Capsula imperialium. – 8o door 18e-eeuwse hand: R. M.J.
Bezegeling: één uithangend bevestigd zegel, dat aangekondigd is, namelijk: S1 van rooms-koning Rudolf I, van witte was, beschadigd. Voor een beschrijving en afbeelding van S1 en een mogelijk latere bevestiging, zie Venner, ‘Zegels’, nr. 50.
Afschriften
B. eind 13e eeuw, Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002A, archief kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 10 (cartularium) = [Liber privilegiorum], fol. 10r-11r (= nieuwe fol. 27r-28r), nr. 18, naar A. – C. 15e eeuw, Ibidem, toegangsnr. 14.B001, archief kapittel van Onze Lieve Vrouw te Maastricht, 1096-1796, inv. nr. 31 (cartularium), fol. 177v-179r, onder de rubriek: Item tenores omnium et singulorum exhiborum sequuntur per ordinem in hunc modum et sunt tales, en onder caput: Item aliarum litterarum imperialium domini Rudolphi, Romanorum regis, sigillo eius ut prima facie apparuit regio albe cere rotondo in cordula cericea rubei nigri croceique pre vetustate fere albi colorum in qua expressa habebatur ymago imperatoris in dextera ceptrum regale, in sinistra vero pommum imperiale, omni cruce superposita in circumferentia vero eiusdem sigilli caracteribus seu litteris expressa erant hec verba: Rudolphus, Dei gratia Romanorum rex, semper augustus, sigillatarum et bullatarum tenores sequuntur in modum sequentem, naar A. – D. 1640, Ibidem, toegangsnr. 14.B002A, archief kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 1741 (cartularium) = Liber sive regestum originis ecclesie Sancti Seruatii Traiec[tensis] illiusque privilegiorum, donationum ac iurium ex originalibus et libro chartarum manu Ioannis Choris, receptoris capituli, descriptorum, p. 86, onder de rubriek: Rudolphus sententiam precedentem et latoma Frederico et specialiter previlegia de libertate ab omni exactione, onvolledig, naar A. – E. 17e eeuw, Idem, inv. nr. 12 (cartularium) = Cartularium ecclesie collegialis Sancti Servati (aldus) Trajecti ad Mosam, tomus secundus, Documenta imperialia et ducalia, fol. 43v-45v, onder caput: Imperialia, en onder de rubriek: Confirmatio privilegiorum, libertatum et specialiter quod officiales et ministri ecclesie ab omni iure civili et forensi et omni exactione sint liberi, etiamsi sint mercatores. Item per sententiam imperatoris et magnatum seu principum imperii decisum ecclesiam Sancti Seruatii ad imperium spectare et episcopo Leodiense in nullo subesse aut teneri, mogelijk naar A. – [F]. niet voorhanden, maar bekend uit G, cartularium van het Sint-Servaaskapittel te Maastricht = Liber A, fol. 204v. – G. vóór 1768, Ibidem, toegangsnr. 22.001A, Handschriftencollectie (voormalig) Gemeentearchief Maastricht, 14de-20ste eeuw, inv. nr. 199a (cartularium) = Diplomata Trajectensia de anno 800 ad 1664, p. 399, onder de rubriek: 1273, Rudolphus, Romanorum rex, confirmat privilegium Frederici, imperatoris, quo in specialem suam protectionem sumpsit ecclesiam Sancti Servatii et quod episcopus Leodiensis nullam habeat iurisdictionem in predicta ecclesia nec super personis eidem subiectis, datum Colonie, kalendas novembris 1273, naar A.
Uitgaven
a. Miraeus-Foppens, Opera diplomatica IV, 255, naar een afschrift in cartularium van het Sint-Servaaskapittel te Maastricht (berustend te Parijs, Bibliothèque Nationale, Fonds Latin). – b. Winkelmann, Acta imperii II, 77, nr. 87 (onvolledig), indirect naar afschriften in cartularia van het Sint-Servaaskapittel te Maastricht (berustend te Parijs, Bibliothèque Nationale, Fonds Latin).
Regesten
Verkooren, Inventaire des chartes et cartulaires, 137. – De Borman, ‘Notice’, 48-49. – Habets,‘Codex diplomaticus’, 46, nr. 78. – Böhmer, Regesta imperii VI-1, 24. – Doppler,‘Verzameling [800-1273]’, 249-250, nr. 194. – Haas,Chronologische lijst, 67, nr. 168. – Nuyens, Inventaris Sint-Servaas, 53, nr. 54.
Samenhang
Voor de oorkonde van keizer Frederik II d.d. 1215 juli 28, zie Collectie Sint-Servaas, nr. 10. Voor diens oorkonde d.d. 1236 september 9 (voor een editie, zie Huillard-Bréholles, Historia diplomatica IV-2, 764-765).
Tekstuitgave
Het onderscheid tussen c en t is moeilijk zichtbaar.

Nummer 37
Michael, kanunnik van de Onze-Lieve-Vrouwekerk te Maastricht, en Godfried Bec maken bekend dat er een geschil was ontstaan tussen abdis en convent van Thorn enerzijds en Gerard, broer van Godfried Bec, anderzijds over de hoeve te Übach en over de akkers en gebouwen van die hoeve die van abdis en convent van Thorn zijn, alsmede over vele andere, van beide kanten daarover voorgelegde betwistingen. Op aansporing van eerbare mannen hebben abdis en convent de beslissing als scheidsrechters of bevriende bemiddelaars toevertrouwd aan Michael, en Gerard heeft dit toevertrouwd aan zijn broer Godfried, op een boete van dertig mark, te geven door de afwijzende partij ten gunste van de partij die de uitspraak naleeft. Michael en Godfried oordelen na het horen van de daarover voorgelegde argumenten en het raadplegen van eerbare personen als scheidsrechters dat Gerard vóór de eerste zondag van de vasten de oorkonde met de zegels van abdis en convent, die zij aan diens vader Marsilius hadden gegeven over de ontgonnen grond van de hoeve te Übach, aan abdis en convent zal overdragen. Niettemin zal Gerard in aanwezigheid van ministerialen en schepenen te Übach afstand doen van ieder recht dat hij had of kon hebben op de genoemde hoeve en hij zal zijn moeder Helka, zijn broers en zusters eraan houden dat ze, indien ze op de genoemde hoeve recht hadden of schenen te hebben, hiervan vrij en ongebonden afstand zullen doen, zodat abdis en convent van Thorn met de genoemde hoeve en alles wat erbij hoort naar eigen inzicht kunnen handelen zonder enige tegenspraak. Bovendien zal Gerard afstand doen van alle recht dat hij had op de hoeve Kedelmar, gelegen te Übach, met het land en beheer ervan dat hij van de abdis hield. Gerard zal zich hiermee geenszins bemoeien, tenzij ten gunste en op wens van de abdis van Thorn. Bovendien zullen Gerard, zijn moeder, broers en zusters afzien van iedere actie en betwisting die ze probeerden te hebben om welke reden dan ook tegen abdis en convent. En abdis en convent zullen aan Gerard vóór de eerste zondag van de vasten twaalf mark Akens geven en op 1 oktober eerstvolgend achttien mark. Evenzo zal bij de volgende oogst het door Gerard gezaaide winterkoren naar de hoeve van Übach gevoerd worden en daar zal Gerard de helft van dit koren ontvangen; het stro en kaf zal op de hoeve blijven. Bovendien zal de abdis op haar inspanning en kosten zorgen dat gerechtelijk wordt uitgesproken of Gerard de functie van kok, die hem naar eigen zeggen was toegewezen door de overleden abdis, zou moeten bezitten of niet. Als hij die functie met recht bezit, zal de abdis hem toestaan om er ongestoord de voordelen van te hebben; zo niet, dan zal zij als vergoeding voor die functie jaarlijks aan Gerard, zolang hij leeft, zoveel graan en geld toewijzen, te ontvangen op haar hoeve van Übach, als hij uit deze functie zou ontvangen indien hij die met recht zou hebben bezeten. Bovendien, als Helka beweert enig recht te hebben op zes morgen, gelegen tussen het bos en de hoeve van Übach, zal door een oordeel van de ministerialen of schepenen bepaald worden óf het convent van Thorn óf Helka of haar kinderen die met meer recht zouden moeten bezitten. Bovendien kan Gerard, indien hij het wil, de graanschuur weghalen die hij op de hoeve Kedelmar gebouwd had, tenzij abdis en convent die voor vier mark Akens willen verwerven. Bovendien zal Gerard de hoeve van Übach verlaten op bevel en volgens de wil van abdis en convent en zullen abdis en convent hem niets van de genoemde gelden geven, tenzij Gerard, zijn moeder, broers en zusters eerst vrij en ongebonden afstand hebben gedaan van iedere actie, betwisting en onenigheid, door hen uit welke oorzaak dan ook tegen abdis en convent opgevat, en zij het convent vrij van schulden verklaard hebben in aanwezigheid van de ministerialen en schepenen van Übach. Indien er bovendien iets achterwege is gelaten waarover in de toekomst een betwisting zou kunnen ontstaan tussen de partijen, dan zullen Michael en Godfried daarover als scheidsrechters uitspraak doen en ze behouden zich het recht voor tot het doen van een uitspraak.
Michael heeft bezegeld. Godfried Bec, die geen eigen zegel heeft, heeft Hendrik, de voormalige deken van de Onze-Lieve-Vrouwekerk te Maastricht, gevraagd te bezegelen. De abdis van Thorn heeft bezegeld. Het convent van Thorn gebruikt het zegel van de abdis. Gerard heeft geen eigen zegel en heeft Herman, deken van de Onze-Lieve-Vrouwekerk te Maastricht, gevraagd te bezegelen.
Gegeven op 19 februari 1272.
Michael en Godfried keuren de bovengeschreven woorden goed. Gegeven zoals boven.
Michael, kanunnik van het Onze-Lieve-Vrouwekapittel te Maastricht, en Godfried Bec van Übach doen een uitspraak in het geschil tussen abdis en convent van Thorn enerzijds en Gerard Bec, broer van Godfried, anderzijds inzake de hoeve, akkers en gebouwen van de abdij te Übach.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 01.187A, archief Vrije Rijksheerlijkheid Thorn, inv. nr. 48. Zwaar beschadigd met tekstverlies.
Aantekeningen op de achterzijde: 1o door 14e-eeuwse hand: Compositio inter dominam abbatissam et conventum et Gherardum Beck. – 2o door 16e-eeuwse hand: Null[ius est valoris, 1271. – 3o door 17e-eeuwse hand: I, O.
Bezegeling: drie uithangende zegels (S1, S2 en S3) en twee bevestigingsplaatsen (LS4 en LS5), terwijl er slechts vier zegels aangekondigd zijn, namelijk van Michael, kanunnik van het Onze-Lieve-Vrouwekapittel te Maastricht, van Hendrik, voormalig deken van het Onze-Lieve-Vrouwekapittel te Maastricht, van de abdis van Thorn en van Herman, deken van het Onze-Lieve-Vrouwekapittel te Maastricht. De bewaard gebleven zegels zijn: S1 van Guda van Rennenberg, abdis van Thorn, zwaar beschadigd, van bruine was; S2 mogelijk van Herman, deken van het Onze-Lieve-Vrouwekapittel te Maastricht, zwaar beschadigd, van bruine was; S3 een niet te identificeren zegel, zwaar beschadigd, van bruine was. Voor een beschrijving en afbeelding van S1, zie Venner, ‘Zegels Thorn’, 34; voor het identificatieprobleem, een beschrijving en afbeelding van S2 en voor het niet-geïdentificeerde S3, zie Venner, ‘Zegels Thorn’, 23-24.
Uitgaven
a. Franquinet, Beredeneerde inventaris Thorn, 43-46, nr. 30 (gedateerd 1271 januari 16), naar A. – b. Habets, Archieven Thorn, 39-42, nr. 48 (gedateerd 1271 januari 16), naar a.
Regest
Haas, Chronologische lijst, 64, nr. 156.
Datering
Het gebruik van paasstijl door geestelijke instellingen in het bisdom Luik is verondersteld, zie Camps, ONB I, XXI, en Dillo en Van Synghel, ONB II, XVII.
Ontstaan en samenhang
Deze oorkonde is gemundeerd door een scriptor uit de abdij van Thorn, die werkzaam was in de periode 1262 tot en met 1273. Voor de lokalisering van deze scriptor, zie Collectie Thorn, nr. 17.
In onderhavige oorkonde wordt verwezen naar een oorkonde van abdis en convent van Thorn voor Marsilius, vader van Gerard Bec van Übach, zie Collectie Thorn, nr. 36.
Tekstuitgave
De lacunes in A zijn aangevuld naar druk a. Het onderscheid tussen c en t is slecht zichtbaar.

Nummer 37
Proost en convent van het premonstratenzer zusterklooster Sint-Gerlach, in het bisdom Luik, berichten paus (Nicolaas IV) dat zij bij hem en bij de pauselijke curie Richald, pastoor of rector van de kerk van Orsmaal, en Robert van Millen, clericus, dragers van deze oorkonde, uit het bisdom Luik, en elk van hen met de volle aansprakelijkheid hebben aangesteld als hun ware en wettige zaakwaarnemers om te eisen, te weerspreken en voor rechters of een rechter te verschijnen en ieder soort eed te zweren in hun plaats, waarbij ze zich door één of meerdere personen in hun plaats kunnen laten vervangen als vertegenwoordiger of vertegenwoordigers met dezelfde bevoegdheid in voornoemde zaken. Zij beloven daarbij als erkend en vastliggend te houden wat hun vertegenwoordigers ofwel een van hen ofwel hun plaatsvervangers, door hen beiden dan wel door een van hen aan te stellen, namens proost en convent in voornoemde zaken zullen doen of gemeend hebben te moeten doen.
Deken en kapittel van Onze-Lieve-Vrouw te Maastricht hebben op verzoek van proost en convent van Sint-Gerlach bezegeld.
Gegeven op 7 juni 1290.
Proost en convent van het klooster Sint-Gerlach (te Houthem) berichten aan de paus (Nicolaas IV) dat zij Richald, pastoor van Orsmaal, en Robert van Millen, clericus, hebben aangesteld als hun procuratoren voor het pauselijke hof en dat deze een of meerdere plaatsvervangers mogen aanstellen met dezelfde bevoegdheid.
Origineel
A. Maastricht, RHCL, toegangsnr. 14.D003, archief klooster Sint-Gerlach te Houthem, inv. nr. 5, reg. nr. 28.
Aantekeningen op de achterzijde: 1˚ door eind 13e-eeuwse hand: Prepositus et conventus monasterii sancti Gerlaci. – 2˚ door 17e-eeuwse hand: 1290.
Bezegeling: één bevestigingsplaats, vermoedelijk voor het aangekondigde zegel van deken en kapittel van Onze-Lieve-Vrouw te Maastricht (LS1).
Afschrift
Niet voorhanden.
Uitgave
Niet eerder uitgegeven.
Regesten
Franquinet, Beredeneerde inventaris St. Gerlach, IV, 30, nr. 26. – Haas, inventaris Sint Gerlach, 78, reg. nr. 28. – Idem, Chronologische lijst, 88, reg. nr. 235.
Ontstaan
Het schrift van onderhavige oorkonde vertoont zeer sterke verwantschap met de twee oorkonden van de officiaal van het hof van Luik, die door eenzelfde scriptor gemundeerd zijn, zie infra nrs. 35 en 36.

Nummer 37
Het kapittel van Kerpen maakt bekend dat ridder Hendrik van Strijthagen sommige goederen te Strijthagen, namelijk honderdtwintig morgen, erfrechtelijk houdt van het kapittel. Hendrik heeft deze op de vereiste wijze van het kapittel ontvangen en is persoonlijk al dertig jaar en langer in het ongestoord bezit van deze goederen. Op verzoek van Hendrik, die over deze goederen een jaarlijkse cijns van tien schelling Luiks betaalde, is dit bedrag volgens een juiste en evenredige berekening omgezet naar vijf schelling Keuls. Hendrik en zijn erfgenamen zijn gehouden deze jaarlijkse cijns van vijf schelling Keuls eeuwig te betalen op 11 november, waarbij een zodanige straf gekozen is dat in geval Hendrik of welke bezitter dan ook van de goederen de genoemde cijns niet op de verschuldigde dag betaalt, dat hij en zijn opvolgers geëxcommuniceerd worden en dat de abt van Kloosterrade of iemand die daartoe in zijn plaats de bevoegdheid heeft, hen op verzoek van de kerk van Kerpen in de kerk van Kloosterrade en in de parochie Strijthagen publiekelijk als geëxcommuniceerd af zal kondigen en als personen die moeten worden vermeden totdat voldoende genoegdoening is gegeven.
De kerk van Kerpen heeft bezegeld en de abt van Kloosterrade heeft ter bescherming van de kerk van Kerpen en op verzoek van ridder Hendrik bezegeld.
Gegeven in december 1256.
Het kapittel van Kerpen zet een jaarlijkse cijns van tien schelling Luiks, die ridder Hendrik van Strijthagen verschuldigd is aan het kapittel over 120 morgen cijnsgoed te Strijthagen, om in een jaarlijkse cijns van vijf schelling Keuls, te betalen op straffe van excommunicatie, af te kondigen door de abt van Kloosterrade.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.D004, archief abdij Kloosterrade, inv. nr. 1173.
Uitgave
a. Polak en Dijkhof, Oorkondenboek Kloosterrade, 209-210, nr. 110, naar A.
Teksteditie
Het onderscheid tussen o en e is in A niet altijd duidelijk.

Nummer 37
Rooms-koning Rudolf maakt bekend dat hij op verzoek van proost, deken en kapittel van de Sint-Servaaskerk te Maastricht in navolging van keizer Hendrik IV de Sint-Servaaskerk en het kapittel te Maastricht met hun bezittingen en goederen, zowel deze die zij momenteel rechtsgeldig bezitten als deze die zij in de toekomst op rechtsgeldige wijze zullen verwerven, onder zijn bescherming neemt en die van het Roomse rijk, omdat hij verlangt dat de roem van deze kerk, die als een speciale kapel van hem en het rijk bekend staat en die van oudsher bloeit met in het oog vallende titels en uitmuntende gaven van eerbewijzen en vrijheden, niet verbleekt noch dat haar voorspoed wordt aangetast. Tevens hernieuwt en bevestigt hij alle concessies, consideraties, gunsten, vrijheden en rechten die door Hendrik zijn geschonken, zoals vermeld in diens oorkonde en aan kerk en kapittel van Sint-Servaas overhandigd, alsof deze oorkonde woord voor woord voor de aanwezigen zou worden geïnsereerd.
Rudolf heeft bezegeld.
Gegeven te Keulen, op 5 november 1273.
Rooms-koning Rudolf I hernieuwt en bevestigt de door keizer Hendrik IV verleende oorkonde aan het Sint-Servaaskapittel te Maastricht d.d. 1087.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002A, archief kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 21.
Bezegeling: één uithangend bevestigd zegel, dat aangekondigd is, namelijk: S1 van rooms-koning Rudolf I, van rode was, gaaf. Voor een beschrijving en afbeelding van S1, zie Venner, ‘Zegels’, nr. 49.
Afschrift
B. 17e eeuw, Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002A, archief van het kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 12 (cartularium) = Cartularium ecclesie collegialis Sancti Servati (aldus) Trajecti ad Mosam, tomus secundus, Documenta imperialia et ducalia, fol. 42v-43v, onder caput: Imperialia, en onder de rubriek: Bona ecclesie sub protectione sua suscipit imperator et confirmat gratias, libertates et iura ecclesie, mogelijk naar A.
Uitgave
a. Böhmer, Acta imperii selecta, 315-316, nr. 390 (onvolledig), naar A.
Samenhang
Voor de in de dispositio vermelde oorkonde van Hendrik IV d.d. 1087, zie Collectie Sint-Servaas, nr. 2.
Tekstuitgave
Het onderscheid tussen c en t is moeilijk zichtbaar.

Nummer 38
Oger van Geilenkirchen, Olf van Scharn, Kuno van Molenarken en zijn broer Reinier Hunken, ridders, maken bekend dat er onenigheid was ontstaan tussen ridder Gerard van Bircde enerzijds en abdis en convent van Thorn anderzijds over verschillende zaken en strijdpunten, die van beide zijden bekeken en voorgelegd zijn, en dat beide partijen uiteindelijk de beslissing aan hen hebben toevertrouwd als minnelijke arbiters. Omdat zij bevonden hebben dat Gerard, in alles wat hij naar voren heeft gebracht tegen abdis en convent van Thorn, duidelijk onrechtmatig heeft gehandeld, gelet op het lang van tevoren gemaakte vergelijk tussen enerzijds abdis en convent van Thorn en anderzijds Gerard, waardoor voor de ridders Oger van Geilenkirchen, Olf van Scharn en een aantal andere ridders, mannen, ministerialen en de schepenen van Übach alle onenigheid tussen partijen bijgelegd en beëindigd was in aanwezigheid en met instemming van de vrouw van Gerard en al zijn kinderen. Gerard, zijn vrouw en al zijn kinderen hebben opnieuw in aanwezigheid van deze arbiters en verscheidene andere betrouwbare mannen bij deze regeling of schikking afstand gedaan van ieder recht, elke actie, schade, schuld, betwisting en onenigheid, als zij die al zouden hebben dan wel zouden trachten te hebben, tegen abdis en convent van Thorn op grond van welke zaak dan ook, en ze hebben abdis en convent gekweten en verlost verklaard.
Ter bekrachtiging en getuigenis hiervan en opdat Gerard, zijn vrouw of een van hun kinderen of hun rechtsopvolgers later geen inbreuk zouden kunnen maken op deze regeling of beschikking of die op enigerlei wijze zouden kunnen bestrijden, hebben de scheidslieden Oger van Geilenkirchen en Olf van Scharn op verzoek van Gerard, zijn vrouw en al hun kinderen deze oorkonde bezegeld. Omdat de scheidslieden Kuno en Reinier geen eigen zegel hebben, hebben zij samen met Gerard, zijn vrouw en al hun kinderen aan ridder Kuno van Molenarken gevraagd om voor hen te bezegelen. Kuno, vader van Kuno en Reinier, heeft bezegeld.
Gedaan en gegeven op 1 augustus 1272.
Oger van Geilenkirchen, Olf van Scharn, Kuno van Molenarken en zijn broer Reinier Hunken, ridders, maken als scheidslieden bekend dat Gerard van Bircde, ridder, in zijn geschil met abdis en convent van de abdij van Thorn, samen met zijn vrouw en kinderen heeft afgezien van elke aanspraak en vordering tegen de abdij van Thorn.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 01.187A, archief Vrije Rijksheerlijkheid Thorn, inv. nr. 49.
Aantekeningen op de achterzijde: 1o door 13e-eeuwse hand: De domino Gherardo de Bircden. ‒ 2o door 17e-eeuwse hand: 1272. ‒ 3o door 17e-eeuwse hand: Compositio facta et concordia cum de presenti in memoria non est differentia. ‒ 4o door 17e-eeuwse hand: S doorgestreept, A. ‒ 5o door 18e-eeuwse hand: In hac compositione status questionis non describitur.
Bezegeling: drie bevestigingsplaatsen (met uithangende restanten van de perkamenten zegelstaarten), vermoedelijk voor de aangekondigde zegels (LS1, LS2 en LS3).
Afschriften
B. 18e eeuw, Ibidem, toegangsnr. 01.187B, archief Vrije Rijksheerlijkheid Thorn, inv. nr. 1629 = Codex of cartularium IV, 992-1762 (band notariële afschriften abdij Thorn), p. 39-40, eenvoudig afschrift. ‒ C. 18e eeuw, Ibidem, toegangsnr. 01.187A, archief Vrije Rijksheerlijkheid Thorn, inv. nr. 1629 = Codex of cartularium IV, 992-1762 (band notariële afschriften abdij Thorn), p. 41, eenvoudig afschrift, met vermelding van drie zegelplaatsen. ‒ D. laatste kwart 18e eeuw, Ibidem, toegangsnr. 01.187B, archief Vrije Rijksheerlijkheid Thorn, inv. nr. 1631, Cartularium, p. 12-14, onder de rubriek: Compositio nate inter abbatissam et conventum Thorensem ex una et Gerardum de Berode ex altera parte discordie anno 1272, met opgave van drie bezegelingsplaatsen, eenvoudig afschrift, naar A.
Uitgaven
a. Franquinet, Beredeneerde inventaris Thorn, 46-48, nr. 31 (gedateerd 1272 januari 18), naar A. – b. Habets, Archieven Thorn, 42-43, nr. 49 (gedateerd 1272 januari 18), naar a.
Regest
Haas, Chronologische lijst, 66, nr. 162.
Ontstaan
Deze oorkonde is gemundeerd door een scriptor uit de abdij van Thorn, die werkzaam was in de periode 1262 tot en met 1273. Voor de lokalisering van deze scriptor, zie Collectie Thorn, nr. 17.
Tekstuitgave
Het onderscheid tussen c en t is slecht zichtbaar.

Nummer 38
Godfried, zoon van wijlen Floriman, en Florentius, schepenen van Maastricht, oorkonden dat Hendrik van Retersbeek, gezond van lichaam en geest, uit vrije wil en ter ere van God al zijn roerende goederen en vorderingen heeft overgedragen in handen van Dirk, commandeur van het huis van de Duitse Orde van Neder-Duitsland, ten behoeve van het huis van de Heilige Maria te (Alden)biesen en de broeders daar. Daarna hebben Hendrik en de commandeur aan proost en het convent van het klooster Sint-Gerlach (te Houthem) alle schuldvorderingen, geschillen, verplichtingen en alle overige zaken kwijtgescholden, afgezien van zes mud rogge Maastrichtse maat zoals die zal zijn gegroeid aan de overzijde van de Maas, die jaarlijks op hun kosten op Sint-Andreas te Maastricht te leveren is aan de commandeur en de broeders zolang Hendrik leeft. Na het overlijden van Hendrik zal deze jaarrente vrij en geheel naar proost en convent van Sint-Gerlach terugkeren.
De commandeur en proost hebben bezegeld, samen met Godfried, zoon van wijlen Floriman, en Florentius, schepenen van Maastricht.
Gegeven en gedaan op 15 mei 1293.
Beide partijen hebben een gelijkluidende oorkonde.
Schepenen van Maastricht oorkonden dat Hendrik van Retersbeek, gezond van lichaam en geest, zijn roerende goederen en vorderingen heeft overgedragen aan Dirk, commandeur van de Duitse Orde, ten behoeve van het huis en de broeders van het huis van de heilige Maria te Aldenbiesen, op voorwaarde dat proost en convent van het klooster Sint-Gerlach (te Houthem) vrij zijn van alle schuldvorderingen, geschillen, verplichtingen en andere zaken ten aanzien van deze goederen, afgezien van een jaarlijkse lijfrente van zes mud rogge Maastrichtse maat die groeit aan de overzijde van de Maas. Proost en convent van Sint-Gerlach moeten deze lijfrente te Maastricht aan de commandeur en broeders te Maastricht voldoen zolang Hendrik leeft en deze rente zal na diens overlijden vrij en geheel naar hen terugkeren.
Originelen
A1. Maastricht, RHCL, toegangsnr. 14.D003, archief klooster Sint-Gerlach te Houthem, inv. nr. 97-1, reg. nr. 29. – Gaaf bewaard, behoudens vlekken op tekst.
Aantekeningen op de achterzijde: 1o door 16e-eeuwse hand: [...]a VI modios siliginis. – 2o door 17e-eeuwse hand: 1293. – 3o door 18e-eeuwse hand: Renuntiatio Godefridi super sex modios siliginis, 1293. – 4o door 18e-eeuwse hand: Num. 81.
Bezegeling: drie uithangend bevestigde zegels, die aangekondigd zijn, namelijk: S2 van de proost van Sint-Gerlach te Houthem, van bruine was, beschadigd. – S3 van Godfried, zoon van wijlen Floriman, schepen van Maastricht, van bruine was, beschadigd. – S4 van Florentius, schepen van Maastricht, van bruine was, beschadigd; en één bevestigingsplaats, vermoedelijk voor het aangekondigde zegel van Dirk, commandeur van de Duitse Orde (LS1). Voor een beschrijving en afbeelding van S2, S3 en S4, zie Venner, ‘Zegels klooster Sint-Gerlach’, respectievelijk 153, 163 en 164.
A2. Maastricht, RHCL, toegangsnr. 14.D003, archief klooster Sint-Gerlach te Houthem, inv. nr. 97-2, reg. nr. 29.
Aantekeningen op de achterzijde: 1o door 17e-eeuwse hand: Quitingh van renten. – 2o door 17e-eeuwse hand: 1299 (met potlood gewijzigd in 1293). – 3o door 18e-eeuwse hand: Num. 81.
Bezegeling: één uithangend bevestigd zegel, dat aangekondigd is, namelijk: S2 van de proost van Sint-Gerlach te Houthem, van bruine was, beschadigd; en drie bevestigingsplaatsen, vermoedelijk voor de aangekondigde zegels van Dirk, commandeur van de Duitse Orde, Godfried, zoon van wijlen Floriman, schepen van Maastricht, en Florentius, schepen van Maastricht (LS1, LS3 en LS4). Voor een beschrijving en afbeelding van S2, zie Venner, ‘Zegels het klooster Sint-Gerlach’, 153.
Afschrift
Niet voorhanden.
Uitgaven
a. Franquinet, Beredeneerde inventaris St. Gerlach, IV, 31-32, nr. 27, naar A1. – b. Nève, De dertiende-eeuwse schepenoorkonden, 94-95, nr. 1293.05.15 (met vertaling), naar A1 en A2.
Regesten
Haas, Inventaris Sint Gerlach, 78, reg. nr. 29. – Idem, Chronologische lijst, 95, nrs. 257 en 257a.
Ontstaan
A1 en A2 zijn geschreven door dezelfde hand. Deze scriptor is te situeren in het milieu van de Maastrichtse schepenen, aangezien deze hand in 1293 ook een schepenoorkonde voor een Maastrichtse begijn mundeerde (zie Maastricht, RHCL, toegangsnr. 14.B002A, archief kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 463).
Tekstuitgave
Het onderscheid tussen c en t is niet goed zichtbaar. De lacunes in A1 zijn tussen rechte haken aangevuld naar A2.

Nummer 38
Elisabeth, vrouwe van Sprimont, gewezen gravin van Kleef, weduwe van Gerard, heer van Wassenberg, heeft voor het zielenheil van Gerard, hun zoon, en dat van haarzelf door de hand van Walram, hertog van Limburg, aan de abdij Kloosterrade de tiend geschonken die haar in volle recht toebehoorde in het dorp of de akker Cartils, gelegen in de parochie van Gulpen, om deze eeuwig te bezitten en daarmee de nodige voorziening te scheppen voor de broeders van Kloosterrade ten behoeve van de jaargetijden van haar man, hun zoon en haarzelf na haar overlijden.
Als getuigen waren aanwezig: heer Garselis, deken van Aken, Udo, drost van Rode, Alexander, maarschalk van Limburg, Nicolaas, villicus van Gulpen, en vele andere personen.
Walram, hertog van Limburg, en Elisabeth, vrouwe van Sprimont, hebben bezegeld.
Gedaan op 14 oktober 1257.
Elisabeth, vrouwe van Sprimont, gewezen gravin van Kleef en weduwe van Gerard, heer van Wassenberg, schenkt haar tiend te Cartils in de parochie Gulpen aan de abdij Kloosterrade ten behoeve van een jaargetijde voor haar echtgenoot, haar zoon Gerard en haar zelf.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.D004, archief abdij Kloosterrade, inv. nr. 786.
Uitgave
a. Polak en Dijkhof, Oorkondenboek Kloosterrade, 212-213, nr. 112, naar A.

Nummer 38
Boudewijn Caseus, Gerard, (zoon) van Gosmar, en Jan van Mulinghen, schepenen van Maastricht, maken bekend dat zij als schepenen aanwezig waren en hebben gezien en gehoord dat Jan, zoon van wijlen Boudewijn de Molendino (van de Molen), hun medeschepen, de helft van een huis met alle aanhorigheden erfrechtelijk heeft verkocht aan Jan, monnik van Val-Dieu, die speciale volmacht had van abt en convent van Val-Dieu. Dit deel heeft Ida, dochter van Hendrik de Molendino (van de Molen), in pand, de andere helft behoort toe aan B[asilea***] en is gelegen tegenover de Sint-Amorkapel, [***] en zij hebben zoveel gedaan dat in alle opzichten aan Jan en het convent is voldaan. Bovendien zal Ida afstand doen ten behoeve van Jan en het convent, indien zij nu of in de toekomst enig recht heeft in de helft van dit huis. Jan, zoon van Boudewijn de Molendino (van de Molen), heeft beloofd vrijwaring te verstrekken aan Jan en het convent van Val-Dieu en hij zal alle rechtmatige klachten binnen jaar en dag afdoen. Ook is toegevoegd dat, indien de helft van het huis binnen jaar en dag uit handen van broeder Jan of zijn convent zou worden uitgewonnen, wat in de volkstaal bescodden wordt genoemd, dat Jan de Molendino (van de Molen) aan broeder Jan en zijn convent zoveel penningen zal geven als hij gedurende zo’n lange tijdspanne heeft ontvangen voor de verkoop van de helft van het huis.
Boudewijn Caseus, Gerard, (zoon) van Gosmar, en Jan van Mulinghen, schepenen van Maastricht, hebben bezegeld.
Gedaan op 23 februari 1274.
Schepenen van Maastricht oorkonden dat Jan, zoon van wijlen hun medeschepen Boudewijn de Molendino, de helft van een huis tegenover de Sint-Amorkapel (te Maastricht) heeft verkocht aan Jan, monnik van de abdij van Val-Dieu (te Aubel), ten behoeve van abt en convent.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002A, archief kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 450. Zwaar beschadigd met tekstverlies.
Aantekeningen op de achterzijde: 1o door 14e-eeuwse hand: Littera ad domum de Molendin[o] in Lata Platea. – 2o door 16e-eeuwse hand: 1373 / s 23. – 3o door 18e-eeuwse hand: 293.
Bezegeling: één uithangend bevestigd zegel, dat aangekondigd is, namelijk: S2 eerste zegel van Gerard, zoon van Gosmar (= Gerard de Mayo), schepen van Maastricht, van groene was, beschadigd; en twee bevestigingsplaatsen, vermoedelijk voor de aangekondigde zegels van Boudewijn Caseus, schepen van Maastricht, en Jan van Mulinghen, schepen van Maastricht (LS1 en LS3). Voor een beschrijving en afbeelding van S2, zie Venner, ‘Maastrichtse schepenzegels’, 172-173, afb. 21.
Afschrift
Niet voorhanden.
Uitgave
a. Nève, De dertiende-eeuwse schepenoorkonden, 45-46 (met onvolledige vertaling), nr. 1274.02.23, naar A.
Regesten
Doppler, ‘Schepenbrieven’, 23, nr. 6. – Haas, Chronologische lijst, 68-69, nr. 172. –Nuyens, Inventaris Sint-Servaas, 101, nr. 450.
Datering
Het gebruik van de paasstijl in het bisdom Luik is verondersteld, zie Camps, ONB I, XXI, en Dillo en Van Synghel, ONB II, XVII.
Ontstaan
Onderhavige oorkonde voor de abdij van Val-Dieu te Aubel is geschreven door een scriptor die schepenoorkonden van Maastricht mundeert voor de abdij van Val-Dieu d.d. 1276 juni 24 (zie Collectie Sint-Servaaskapittel, nrs. 43 en 44), voor een priester te Maastricht d.d. 1278 juli 9 (zie Collectie Sint-Servaaskapittel, nr. 45), voor het Sint-Servaaskapittel te Maastricht d.d. 1285 oktober 6 (zie Collectie Sint-Servaaskapittel, nr. 56), voor een particulier d.d. 1287 juni 25 (zie Collectie Sint-Servaaskapittel, nr. 58), voor een begijn te Maastricht d.d. 1288 april 24 (zie Collectie Sint-Servaaskapittel, nr. 59), alsmede een oorkonde van rechter en schepenen van de hof van Lenculen voor een particulier d.d. 1291 maart 17 (zie Collectie Sint-Servaaskapittel, nr. 69). Bijgevolg kan deze scriptor worden gelokaliseerd in het milieu van de schepenbank van Maastricht.
Tekstuitgave
De lacunes in A kunnen niet worden aangevuld naar een afschrift. Blijkens Doppler behoorde de andere helft van het verkochte huis toe aan Basilea.
Nummer 39
Walram, heer van Monschau en Valkenburg, maakt bekend dat aangezien priorin en convent van Sint-Gerlach op zijn advies en met zijn instemming ten voordele van het klooster, voor het algemeen gemak en de vrede afgesproken hebben dat moet vastgesteld en bepaald worden dat zij voortaan niemand meer als kloosterlinge zullen opnemen tot op het moment dat het aantal nonnen van het huidige convent tot dertig is afgenomen en beneden dat aantal is verminderd, hij aan priorin en convent belooft te goeder trouw te bevorderen dat zij deze regeling krachtig en ongeschonden in acht zullen nemen, totdat zij eendrachtig zouden besluiten deze te herroepen. En hij zal hen niet verzoeken, laten verzoeken of anderen toelaten of toestaan waardoor deze regeling ook maar enigszins zou kunnen worden geschonden of verbroken, onder getuigenis van deze oorkonde.
Willem, abt van Prémontré, die gelovige goedkeuring moet geven aan zaken die niet afwijken van de paden der rechtvaardigheid, omdat volgens gebruikelijke voorschriften zoveel personen in kloosters mogen worden geplaatst en niet meer dan het aantal dat behoorlijk uit kerkelijke goederen kan worden onderhouden, het derhalve schandelijk is dat een deel zich niet voegt naar het geheel, keurt als overste en superieur van Sint-Gerlach de regeling en al het bovengenoemde goed en bevestigt het.
Willem heeft samen met Walram bezegeld.
Gegeven op 20 september 1293.
Walram, heer van Valkenburg en Monschau, belooft geen druk uit te oefenen op het klooster Sint-Gerlach (te Houthem) om meer dan dertig nonnen op te nemen, conform de afspraak met priorin en convent over het terugdringen van het aantal zusters. Willem, abt van Prémontré, hecht zijn goedkeuring aan deze verordening.
Originelen
[A1]. Niet voorhanden, blijkens B bezegeld met twee zegels.
[A2]. Niet voorhanden, blijkens C bezegeld met twee zegels.
Afschriften
B. 1735, Maastricht, RHCL, toegangsnr. 14.D003, archief klooster Sint-Gerlach te Houthem, inv. nr. 1 (cartularium) = Privelegien ende register der obligatien en andere erffcontracten des adelijcken cloosters van St. Gerlach, p. 139-140, onder de rubriek: Litere domini Walrami de Monjoe et Valckenburgh et domini Guillemni, abbatis Premonstratensis, quod ultra XV sorores nulla debet recipi, en in de marge: Num. 92, met opgave van twee bezegelingsplaatsen, naar [A1]. – C. 1735, Maastricht, RHCL, toegangsnr. 14.D003, archief klooster Sint-Gerlach te Houthem, inv. nr. 1 (cartularium) = Privelegien ende register der obligatien en andere erffcontracten des adelijcken cloosters van St. Gerlach, p. 363-364, onder de rubriek: Copia literarum domini Walrami de Valckenborgh et domini abbatis Premonstratensis, quod ultra 30 sorores nulla debet recipi, en in de marge: Num. 221, met opgave van twee bezegelingsplaatsen, naar [A2].
Uitgave
Habets, ‘Houthem-Sint-Gerlach’, 215-216, nr. 9, naar C.
Ontstaan en tekstuitgave
Onderhavige oorkonde is overgeleverd via twee afschriften in eenzelfde cartularium, die op een essentieel punt van elkaar afwijken, namelijk het maximum van het aantal kloosterzusters. Afschrift B vermeldt er vijftien, afschrift C dertig. Deze afschriften staan weliswaar in hetzelfde cartularium nr. 1, maar zijn door de kopiist beschouwd als twee verschillende oorkonden met een aparte rubricering in de index en met een uniek verwijzingsnummer. Beide cartulariumafschriften verwijzen naar een originele oorkonde. Afgezien van het verschillend aantal kloosterzusters, wijst het variantenonderzoek op het bestaan van twee verschillende versies. Naar alle waarschijnlijkheid gaan deze terug op een dubbeluitvaardiging, één exemplaar voor de heer van Valkenburg en Monschau en één voor het klooster Sint-Gerlach. Het aantal van dertig kloosterzusters in afschrift C lijkt ons het meest waarschijnlijk, omdat Dirk IV, heer van Valkenburg en Monschau, in een oorkonde d.d. 15 februari 1345 verklaart dat hij het verbod om meer dan dertig zusters op te nemen in het klooster Sint-Gerlach, zal respecteren: et ea de causa receperunt et habent inhibitionem a suis superioribus sive praelatis ne aliquando de caetero recipiant domicellam in suum conventum donec ad tricesimum numerum redigantur (zie Habets, ‘Houthem-Sint-Gerlach’, 216-217, nr. 10). Bijgevolg is voor de tekstuitgave de voorkeur gegeven aan afschrift C als basistekst, met een opgave van de varianten van B in het notenapparaat.

Nummer 39
Guda, abdis, en het convent van de abdij van Thorn, en Willem, edelman, heer van Horn en voogd van de abdij, maken bekend dat toen er tussen abdis en convent enerzijds en Willem anderzijds onenigheid was ontstaan over verschillende kwesties, van beide kanten voorgelegd, zij uiteindelijk hierover op aansporing van geschikte mannen een beslissing hebben toevertrouwd aan wijze en oordeelkundige mannen als scheidsrechters en minnelijke arbiters, te weten Gijsbert van Bruchausen en Jan van Rennenberg, kanunniken van Luik, voor abdis en convent, en Hendrik van Baexem, ridder, en Marsilius van Berg voor Willem, heer van Horn. Partijen hebben te goeder trouw beloofd dat zij al wat deze scheidsrechters of minnelijke arbiters tussen hen bepalen, door het recht of door een minnelijke regeling, over alle betwistingen, onenigheden of beschuldigingen tussen hen tot dusverre geuit op welke grond dan ook, zullen aanvaarden en goedkeuren en beloven zonder schending na te leven op straffe van honderd mark Luiks, die moet worden gegeven door de partij die zich niet houdt aan de uitspraak of de schikking van de genoemde arbiters aan de partij die dit wel in acht neemt. Dit echter op voorwaarde dat de arbiters zich niet inlaten met het regelen of beslissen van één punt, namelijk datgene waarover de mannen en schepenen van abdis en convent van Thorn al een keer gevraagd zijn om een uitspraak te doen en geoordeeld hebben, niet volgens het gemene landrecht, maar op grond van wat zij hadden gezien en gehoord in de hof van Thorn; welk punt bovendien moet worden bevestigd door een vonnis van de mannen en schepenen van Thorn, zoals nu opnieuw op grond van hun trouw en eed gevraagd is en waarvoor zij uitstel hebben verkregen. De genoemde scheidsrechters of minnelijke arbiters hebben volledige macht en autoriteit om tussen partijen over alle overige punten en geschillen te beschikken en deze te beslechten onder alle genoemde voorwaarden en boete.
Abdis en convent van Thorn hebben bezegeld, alsmede Willem, heer van Horn.
Gedaan en gegeven op 15 april 1273.
Guda (van Rennenberg), abdis, het convent van de abdij van Thorn en Willem II, heer van Horn en voogd van de abdij, wijzen Gijsbert van Bruchausen, Jan van Rennenberg, kanunniken van Luik, Hendrik van Baexem, ridder, en Marsilius van Berg aan als scheidslieden ter beslechting van hun geschillen.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 01.187A, archief Vrije Rijksheerlijkheid Thorn, inv. nr. 50.
Aantekeningen op de achterzijde: 1o door 17e-eeuwse hand: Compromissum inter dominum de Horne et abbatissam Thoren (sic) Gudam, 1273. ‒ 2o door 17e-eeuwse hand: A doorgestreept, H.
Bezegeling: één uithangend bevestigd zegel, dat aangekondigd is, namelijk: S3 van Guda van Rennenberg, abdis van Thorn, beschadigd, van bruine was; en twee bevestigingsplaatsen, vermoedelijk voor de aangekondigde zegels van Willem II, heer van Horn, en het convent van Thorn (LS1 en LS2). Voor een beschrijving en afbeelding van S3, zie Venner, ‘Zegels Thorn’, 34.
Uitgaven
a. Franquinet, Beredeneerde inventaris Thorn, 48-49, nr. 32, naar A. – b. Habets, Archieven Thorn, 43-44, nr. 50, naar a.
Regest
Haas, Chronologische lijst, 66, nr. 163.
Ontstaan
Deze oorkonde is gemundeerd door een scriptor uit de abdij van Thorn, die werkzaam was in de periode 1262 tot en met 1273. Voor de lokalisering van deze scriptor, zie Collectie Thorn, nr. 17.
Tekstuitgave
Het onderscheid tussen c en t is niet goed zichtbaar.

Nummer 39
Koenraad, abt, en het convent van Kloosterrade maken bekend dat het klooster Marienthal hen een jaarlijkse pacht van zes malder graan en evenveel haver verschuldigd is uit enkele akkers die de abdij in de parochie Büllesheim bezat en dat zij daarom na rijp beraad en met algehele instemming deze akkers en de daaruit verschuldigde pacht aan het klooster hebben verkocht voor achttien mark Keuls. Abt en convent van Kloosterrade hebben de koopsom ontvangen en ten eigen bate aangewend.
Abt en convent hebben bezegeld.
Gedaan op 29 juni 1262.
Abt Koenraad en het convent van Kloosterrade verkopen enige percelen akkerland te Büllesheim voor achttien mark Keuls aan het klooster Marienthal, dat die goederen tevoren van de abdij in pacht had.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.D004, archief abdij Kloosterrade, inv. nr. 1651.
Uitgave
a. Polak en Dijkhof, Oorkondenboek Kloosterrade, 216-217, nr. 115, naar A.

Nummer 39
Rooms-koning Rudolf maakt bekend dat hij van zijn kapelanen, deken en kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, heeft vernomen dat tussen de andere goederen die zijn voorgangers vrijelijk hebben geschonken, de brug over de Maas door zijn voorganger Koenraad IIb aan hen is geschonken, met alle gebruik en profijt dat daaruit is voortgekomen en zal voortkomen, en onder zekere andere voorwaarden, zoals in het daarover opgemaakte privilege is vervat. Eén van deze voorwaarden is dat de brug moet worden onderhouden uit de opbrengst en het profijt van de brug zelf telkens als het nodig is; het restant moet strekken tot gebruik van de refter van de proost en de broeders van de Sint-Servaaskerk. Maar zoals deken en kanunniken Rudolf hebben verzekerd, was de brug vanaf het begin gaaf en sterk en had deze weinig onderhoud nodig, enkel het wegdek. Bijgevolg plachten deken en kapittel de bouwwerkzaamheden matig te belasten, anders zou er weinig tot geen voordeel of nut meer overblijven voor de refter. Aangezien de brug echter door overstroming en ijsaanval zozeer is verwoest en ingestort dat zij niet alleen gedeeltelijk, maar als het ware in haar geheel hersteld moet worden, trachten sommigen tegen het recht in deken en kapittel te dwingen om vrijwillig dergelijke onverschuldigde en ondraaglijke uitgaven te doen om de brug gedeeltelijk en in haar geheel te herstellen, ofschoon juist de speciaal hiertoe bestemde inkomsten volstrekt onvoldoende zijn. Daarom hebben deken en kapittel Rudolf gesmeekt hen van dergelijke onrechtvaardige eisen te bevrijden en, het bovengenoemde privilege van de brug verdedigend, dat privilege zowel naar plicht en geweten als op barmhartige wijze uit te leggen. Rudolf is, omdat de Sint-Servaaskerk een speciale kapel is die door zijn voorgangers is gesticht en op gelijke wijze begiftigd, gehouden om haar meer dan de overige kerken te verdedigen tegen onrecht en met al zijn kracht te leiden, hierbij in overweging nemend dat hetgeen ten voordele aan hen is toegestaan, niet tot schade moet leiden. Desalniettemin spreekt Rudolf uit en besluit, opmerkend dat voor de bouwwerkzaamheden aan de brug speciale inkomsten, namelijk de opbrengsten en de profijten van de brug, en geen andere opbrengsten aan de kerk zijn toegewezen, en door het door zijn voorganger opgestelde privilege van de brug uit te leggen, te verklaren en te omschrijven, dat deken en kapittel voor het herstel van de brug niet gehouden zijn tot hogere kosten en uitgaven dan de inkomsten die zij uit de brug ontvangen, en dat zij daarover door niemand mogen worden uitgedaagd of op enigerlei wijze gedwongen.
Rudolf heeft bezegeld.
Gegeven te Haguenau, op 17 september 1274.
Rooms-koning Rudolf I geeft uitleg over de schenkingsakte van de Maasbrug door rooms-koning Koenraad III en verklaart dat het kapittel voor het onderhoud van de brug tot geen hogere uitgaven is verplicht dan die ter hoogte van de inkomsten van de brug.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002A, archief kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 437. Licht beschadigd. Gelinieerd.
Aantekeningen op de achterzijde: 1o door 13e-eeuwse hand: Interpretatio privilegii pontis regis Rudolfi. – 2o door 17e-eeuwse hand: [***] quartam reparationem capitulum teneatur. – 3o door 17e-eeuwse hand: 27, Interpretatio donationis pontis Rudolphi, imperatoris, et declaratio ad quantam reparationem capitulum teneatur.
Bezegeling: één uithangend bevestigd zegel, dat aangekondigd is, namelijk: S1 van rooms-koning Rudolf I, beschadigd, van witte was. Voor een beschrijving van S1, zie Venner, ‘Zegels’, nr. 50.
Afschriften
B. 1640, Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002A, archief kapittel Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 1741 (cartularium) = Liber sive regestum originis ecclesiae Sancti Servatii Traiec[tensis] illiusque privilegiorum, donationum ac iurium ex originalibus et libro chartarum manu Ioannis Choris, receptoris capituli, descriptorum, p. 84-85, onder de rubriek: Rudolphus declarat ecclesiam non teneri ad maiores pontis Mose reparationes quam ascendant reditus pontis, naar A. – [C]. niet voorhanden, maar bekend uit D, cartularium van het Sint-Servaaskapittel te Maastricht = Liber A, fol. 3. – D. vóór 1768, Ibidem, toegangsnr. 22.001A, Handschriftencollectie (voormalig) Gemeentearchief Maastricht, 14de-20ste eeuw, inv. nr. 199a (cartularium) = Diplomata Trajectensia de anno 800 ad 1664, p. 403-404, onder de rubriek: 1274, Rudolphus, Romanorum imperator, declarat ecclesiam Sancti Servatii non teneri ad pontis Mose reparationem ultra reditus illius pontis, 15 kalendas octobris, 1274, gewaarmerkt afschrift door G.J. Lenarts, stadssecretaris van Maastricht, naar A.
Uitgaven
a. Willemsen, ‘Inventaire’, 175-176, nr. 12, naar A. – b. Winkelmann, Acta imperii II, 81-82, nr. 93, indirect naar een afschrift in een cartularium van het Sint-Servaaskapittel te Maastricht (berustend te Parijs, Bibliothèque Nationale, Fonds Latin).
Regesten
Verkooren, Inventaire des chartes et cartulaires, 138. – Doppler, ‘Verzameling [800-1273]’, 251-252, nr. 199. – Haas, Chronologische lijst, 69, nr. 174. –Nuyens, Inventaris Sint-Servaas, 100, nr. 437.
Samenhang
Voor de schenking van de Maasbrug door rooms-koning Koenraad III d.d. 1139 juni 22 en de bevestiging daarvan door paus Innocentius II d.d. 1139 december 18, zie Collectie Sint-Servaas, nrs. 5 en 6. Voor de aflaatverlening door vier aartsbisschoppen en vijftien bisschoppen ten behoeve van de bouw van de Maasbrug d.d. 1284 januari 29 en de goedkeuring door Jan IV (van Vlaanderen), bisschop van Luik, d.d. 1287 mei 8, zie Collectie Sint-Servaaskapittel, nrs. 51 en 57.
Nummer 40
Godfried Faber (Smid), Nicolaas de Fossa (van de Gracht), Arnoud Utenhove, Reinier van Doenrade, Christiaan Coman en Tielman Rufus (Rode), schepenen van Oirsbeek, maken bekend dat in hun aanwezigheid Willem Scheld van Doenrade en diens echtgenote Geertrui vier bunder akkerland in de parochie van Oirsbeek bij Doenrade verkocht hebben aan proost en convent van het premonstratenzerklooster Sint-Gerlach, in het bisdom Luik. Zij hebben dit land overgedragen in de hand van de rechter van de heer van Valkenburg en er samen met hun dochters Heilwich, Geertrui, Elisabeth en Catharina plechtig afstand van gedaan; en nadat zij bij rechtsbeschikking van het bezit ervan waren ontslagen, zijn proost en convent door de wil van de heer van Valkenburg en het vonnis van de schepenen van Oirsbeek naar erfelijk recht in het bezit gesteld van deze vier bunder. Nadat dit alles op de gebruikelijke wijze was gedaan, hebben proost en convent deze vier bunder aan Willem en zijn erfgenamen gegeven tegen een jaarlijkse pacht van vier mud rogge van goede en betaalbare Akense maat, te leveren op 11 november of binnen veertien dagen in de graanschuur van het klooster van Sint-Gerlach te Oirsbeek, zonder aanmaning van het klooster en op kosten van Willem of zijn erfgenamen. En hieraan is de voorwaarde toegevoegd dat, indien Willem of zijn erfgenamen de vier mud rogge op het voorgeschreven tijdstip niet zouden hebben betaald aan proost en convent van Sint-Gerlach, dat de kloosterlingen dan hun hand zullen leggen op die vier bunder als hun echt en vrij erfgoed, dat zij zonder enige tegenspraak eeuwig de vier bunder vrij en ongehinderd zullen verwerven en dat Willem en zijn erfgenamen voor altijd door vonnis datgene ontnomen en ontvreemd zal zijn wat ze hadden of konden hebben in die vier bunder. Bovendien verklaren de schepenen van Oirsbeek dat Willem en zijn erfgenamen de cijns daaruit geheel en vrijwillig zullen betalen voor de kloosterlingen op het moment dat ze die vier bunder in pacht nemen of bebouwen.
En omdat de schepenen van Oirsbeek geen eigen zegel hebben, vragen zij aan Adam, voogd van het land van de heer van Valkenburg, om de oorkonde te bezegelen. Adam heeft op verzoek van de schepenen bezegeld.
Gegeven op 30 november 1293.
Schepenen van Oirsbeek oorkonden dat Willem Scheld van Doenrade en zijn echtgenote Geertrui vier bunder akkerland in de parochie van Oirsbeek bij Doenrade hebben verkocht aan proost en convent van Sint-Gerlach (te Houthem) en dat zij jaarlijks een pacht van vier mud rogge Akense maat aan het klooster zullen betalen en de cijns uit de vier gepachte bunder voor het klooster voldoen.
Origineel
[A]. Niet voorhanden, blijkens B bezegeld met één zegel.
Afschrift
B. 1735, Maastricht, RHCL, toegangsnr. 14.D003, archief klooster Sint-Gerlach te Houthem, inv. nr. 1 (cartularium) = Privelegien ende register der obligatien en andere erffcontracten des adelijcken cloosters van St. Gerlach, p. 292-293, onder de rubriek: Emptio 4 bonnariorum terre arabilis iuxta Dondenrode in parochia de Oirsbeke, anno 1293, en in de marge: Num. 182, met opgave van één bezegelingsplaats, naar [A].
Uitgave
Niet eerder uitgegeven.
Regest
Niet voorhanden.

Nummer 40
Arnoud van Leuven, heer van Breda, en zijn echtgenote Isabella, maken bekend dat wijlen Hildegonde, abdis van Thorn, een jaarcijns van vijf mark Luiks tegen een bepaald bedrag verkocht had aan hun voorgangers. Hildegonde en haar opvolgster Guda betaalden deze cijns jaarlijks enige tijd uit de opbrengsten van hun hof te Gilze. Uiteindelijk hebben Arnoud en Isabella op verzoek van abdis en convent en op advies van bekwame mannen een bepaalde som geld ontvangen van de abdis als verkoop en hebben zij zekere hoevenaars, die hen jaarlijks een deel van deze rente betaalden voor de abdis, vrijwillig en geheel teruggegeven aan abdis en convent, met uitzondering van de herendienst die Arnoud en Isabella tot dan toe van hen en hun gelijken gewoon waren te ontvangen. Hierbij houden Arnoud en Isabella zich evenwel elf schelling Keuls voor van de vijf mark Luiks die zij jaarlijks aan abdis en convent betaalden, vanwege enige goederen die zij krachtens erfrecht van hen bezitten, namelijk: uit hun bouwland te Ulvenhout twee schelling Keuls, uit het bos van Lindenhout twee schelling Keuls, uit het bos van Chaam twaalf penning Keuls en uit de tiend van Ginneken zes schelling Keuls. Deze elf schelling Keuls willen zij echter niet in de verkoop gerekend en betrokken hebben.
Bij deze overeenkomst waren aanwezig: Paulus, pastoor van Loenhout, Jan, pastoor van Zundert, Gerard van Tiggelt, Jan van Skele, Hendrik, zoon van Hugelinus, Paulus Scnoie en verscheidene andere personen.
Arnoud en Isabella hebben bezegeld.
Gedaan en gegeven in april 1277.
Arnoud van Leuven en zijn echtgenote Isabella, heer en vrouwe van Breda, verkopen aan Guda (van Rennenberg), abdis, en het convent van de abdij van Thorn het gedeelte van de jaarcijns van vijf mark Luiks, gevestigd op de hof te Gilze, die in december 1243 door abdis en convent aan de heer van Breda was verkocht.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 01.187B, archief Vrije Rijksheerlijkheid Thorn, voorl. inv. nr. 2223.
Uitgave
a. Dillo-Van Synghel, ONB II, 550-552, nr. 1146, naar A.
Samenhang
Voor de verkoop door Hildegonde, abdis, en het convent van de abdij van Thorn in december 1243, zie Collectie Thorn, nr. 11.

Nummer 40
Koenraad, abt van Kloosterrade, en Gerard van Scherwier maken bekend dat tussen hen bij verschillende rechters met apostolisch gezag een geschil is ontstaan over de hof Laar met zijn aanhorigheden. Uiteindelijk hebben zij afgesproken gebruik te maken van het oordeel van wijze mannen als scheidslieden, namelijk Arnold, voorzanger van de St.-Servaaskerk te Maastricht, de koster en de keldermeester van Kloosterrade, en de ridders Adam van Nuth en Macharius van Scherwier. Zij hebben beloofd de uitspraken van deze scheidslieden, die binnen Kerstmis eerstkomend uitspraak doen, onverbrekelijk in acht te nemen op straffe van twintig mark, te betalen aan de partij die het oordeel in acht neemt door de partij die ervan afwijkt. Bij het uitblijven van betaling of van de afgesproken boete moet men Aken binnentreden en mag men daar niet weggaan vooraleer het geld of de boete geheel is betaald. Gedaan en gegeven in de St.-Servaaskerk te Maastricht, in bijzijn van de genoemde scheidslieden en van Hendrik van Tomberg en Godenola de Palude, en andere geestelijken en leken, in de maand augustus 1262.
De scheidslieden hebben uitgesproken dat de hof Laar met zijn aanhorigheden voor eeuwig erfrechtelijk aan Gerard en aan zijn erfgenamen toebehoort, vrij van de vordering van de abt, het convent of van ieder ander die namens het klooster of de kerk van Rode voor zich een recht zou kunnen opeisen in deze hof. Gerard en zijn erfgenamen zullen deze hof eeuwig leenrechtelijk bezitten en voor het verkrijgen van het leen vanwege overlijden of het opeisen door een rechtsopvolger één mark betalen. De abt of zijn kerk of hun opvolgers zullen daarvoor niet meer kunnen vragen en Gerard en zijn erfgenamen zijn niet gehouden meer te betalen. Gerard moet vóór Kerstmis eerstkomend aan abt en convent tweeënveertig mark betalen omwille van de vrede en eeuwige eensgezindheid en dit bedrag moet door abt en convent worden aangewend ten behoeve van het klooster op grond van de uitspraak. Dit is gedaan en gegeven in hetzelfde jaar en dezelfde maand als boven.
Abt en convent van Kloosterrade hebben ingestemd met de uitspraak van de scheidslieden en verklaren dat zij de tweeënveertig mark Akens hebben ontvangen en aangewend voor de kerk van de abdij, en dat ze afstand doen van ieder verweer, zowel canoniek- als civielrechtelijk, en van alle andere verweren die tegen deze oorkonde of dit feit zouden kunnen worden opgeworpen of aangevoerd en die Gerard of zijn rechtsopvolgers zouden kunnen schaden en tot voordeel van de abdij zouden kunnen strekken, en zij beloven hen een wettige garantie en veilige bescherming.
Als getuigen waren aanwezig: Diederik, prior, Hendrik, koster, Boudewijn, Iwan, Iwan, Macharius, Jan, Anselm, Olivier, Lodewijk, Diederik, Willem, Hendrik, Diederik van Bonn, Simon, Walewein, Jan, Winrik, Jan, Gerard, Walter, Godfried, Cuno, Godfried, Simon, Thomas, Severinus, Herman, Herman, Pieter, Diederik, Diederik, Gunther, Godfried, Koenraad, Willem, Willem, Lambert, Adam, Hendrik, Winrik, Godfried, kanunniken van Rode; van de gelovigen van het klooster waren aanwezig: Nicolaas van Anstel, Willem van Minuclerade, Diederik van Eygelshoven, Godfried de Vetus Curtis en vele anderen.
Koenraad, abt, en het convent hebben bezegeld, evenals het convent van Sinnich en de voornoemde scheidslieden (Arnold, voorzanger van de St.-Servaaskerk te Maastricht, de koster en de keldermeester van Kloosterrade). Omdat de scheidslieden Adam van Nuth en Macharius van Scherwier geen eigen zegel hebben, hebben zij het zegel van het Keulse hof gebruikt. Voorts heeft Walram, hertog van Limburg, bezegeld op verzoek van de abt en het convent.
Gedaan en gegeven in september 1262.
De uitspraak van scheidslieden in het geschil van abt en convent van Kloosterrade met Gerard van Scherwier over de hof Laar; abt en convent stemmen in met de uitspraak en verklaren het bedrag van 42 mark Akens ontvangen te hebben.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.D004, archief abdij Kloosterrade, inv. nr. 995.
Uitgave
a. Polak en Dijkhof, Oorkondenboek Kloosterrade, 222-224, nr. 119, naar A.

Nummer 40
Paus Gregorius heeft twee constituties, die onlangs op het generaal concilie te Lyon zijn bekendgemaakt, ter eeuwige herinnering laten optekenen in deze oorkonde, waarvan de inhoud luidt als volgt:
(1) Omdat hij de onzekerheid van een oud twistpunt wil beslissen, verklaart hij dat bigamisten van ieder kerkelijk voorrecht zijn ontdaan en zijn toegewezen aan de wereldlijke rechtspraak, niettegenstaande de tegenovergestelde gewoonte. Ook verbiedt hij onder dreiging van de banvloek om hen de tonsuur te geven of het habijt.
(2) Als kanunniken willen ophouden met hun goddelijke taken, zoals zij dat in sommige kerken voor zichzelf opeisen uit gewoonte of anderszins, dan dienen zij alvorens hier op welke wijze dan ook daadwerkelijk toe over te gaan, de reden van dit besluit neer te leggen in een openbaar instrument of een oorkonde, bekrachtigd met hun eigen zegel of door iemand anders die authentieke bewijskracht heeft; en zij dienen bekend te maken waarom ze daarmee willen ophouden in de wetenschap dat, als zij dit doen terwijl ze dat achterwege hebben gelaten of als er geen kerkrechtelijke reden is, ze dan alle inkomsten van de kerk waar ze zijn opgehouden, moeten terugbetalen op het moment van de stopzetting. Die zaken die hen voor dezelfde tijd verschuldigd zijn, mogen zij op geen enkele wijze ontvangen, maar zij zijn gehouden deze aan de kerk te geven en desalniettemin diegene schadeloos te stellen ten opzichte van wie zij zijn opgehouden. Als echter wordt geoordeeld dat er een kerkrechtelijke reden is, dan zal degene die aanleiding gaf tot het terugtreden, worden veroordeeld door een hoger gerecht voor alle schade aan de kanunniken en hun kerk, waaraan door zijn schuld de verschuldigde functie is onttrokken, getaxeerd op een zekere hoeveelheid en omgezet ter vermeerdering van de goddelijke eredienst. Verder keurt hij het verachtelijke misbruik af van de verschrikkelijke oneerbiedigheid van degenen die afbeeldingen of beelden van het kruis, de heilige Maagd of andere heiligen behandelen met een gedurfde oneerbiedigheid en deze, in verergering van hun ophouden, op de grond gooien en er brandnetels en doornen onder leggen. Hij verbiedt ten zeerste dat zoiets dergelijks in het vervolg nog zal gebeuren en bepaalt dat tegen degenen die in strijd met dit verbod handelen, met een streng vonnis zal worden opgetreden dat de overtreders zo zwaar straft dat het anderen zal weerhouden van soortgelijk misbruik.
Gegeven te Lyon, op 19 december 1274.
Paus Gregorius X deelt (aan het Sint-Servaaskapittel te Maastricht) twee van de door hem op het concilie van Lyon bekendgemaakte constituties mee, namelijk inzake bigamie en het beëindigen van de diensten door de kanunniken.
Origineel
A. Maastricht, HCL, toegangsnr. 14.B002A, archief kapittel van Sint-Servaas te Maastricht, 1062-1797, inv. nr. 162. Gelinieerd, beschadigd met tekstverlies.
Aantekening op de achterzijde: 1o door 14e-eeuwse hand: Magistris Seruatianis.
Bezegeling: één bevestigingsplaats, vermoedelijk voor het niet aangekondigde zegel van paus Gregorius X (LS1).
Afschrift
Niet voorhanden.
Uitgave
Niet eerder uitgegeven.
Regesten
Doppler, ‘Verzameling [800-1273]’, 250, nr. 196 (gedateerd 1273 december 19). – Haas, Chronologische lijst, 68, nr. 170 (gedateerd 1273 december 19). – Nuyens, Inventaris Sint-Servaas, 71, nr. 162 (gedateerd 1273 december 19).
Samenhang
Voor de editie van alle constituties, uitgevaardigd op 1 november 1274 tijdens het generaal concilie van Lyon, zie Guiraud, Les registres de Grégoire X, 241-250, nr. 576. Zie ook Potthast, Regesta pontificum Romanorum, 1689, nr. 20950.
Datering
Onderhavige oorkonde is gedateerd in het derde pontificaatsjaar van paus Gregorius X. Er is echter onzekerheid wanneer hij zijn eerste pontificaatsjaar liet ingaan, bij de aanvaarding of bij de wijding, zie Strubbe en Voet, Chronologie, 216. Voor de datering is uitgegaan van de aanvaarding van zijn pontificaat op 27 oktober 1271. Als wordt uitgegaan van de wijdingsdag, i.c. 27 maart 1272, dan zou deze oorkonde gedateerd moeten worden op 19 december 1275.
Er komen in onze database geen oorkonden voor die overeenkomen met de zoekwoorden of filters die heeft toegepast. Reset alle filters en probeer opnieuw.
partners
donateurs









